Na een echtscheiding wordt er vaak partneralimentatie toegewezen. Op grond van artikel 1:160 BW eindigt deze verplichting wanneer de ex-partner opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak duidelijk gemaakt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd vanwege het definitieve en onherroepelijke karakter ervan.

De feiten:
De vrouw en de man zijn in 2007 met elkaar gehuwd. De man heeft de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen, de rechtbank heeft vervolgens echtscheiding uitgesproken. De vrouw tekende hoger beroep aan waarbij zij verzocht om partneralimentatie ter hoogte van € 2.250,– per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek om partneralimentatie.

Bij het hof:
De man stelde dat de vrouw al geruime tijd met een ander samenwoonde als ware zij gehuwd. De man stelt dat de vrouw in 2011 zwanger is geraakt van een ander en een kind heeft gekregen. Het staat vast dat de man niet de biologische vader is. Voorts zou de vrouw op 1 september 2011 een e-mail heeft gestuurd aan de ouders van de persoon met wie zij samenwoont en staat zij slechts voor de vorm ingeschreven op het adres van haar vader. De man heeft nauwkeurig aangegeven vanaf welke datum de vrouw met een ander samenwoont. De vrouw heeft het standpunt van de man niet (gemotiveerd) weersproken.

Het hof heeft overwogen dat er een duidelijk bewijsvermoeden bestaat dat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. De vrouw heeft dit bewijsvermoeden niet weersproken, hetgeen wel op haar weg lag. Het hof stelt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:160 BW en de onderhoudsplicht voor de man eindigt.

Oordeel van de Hoge Raad:
De vrouw ging in cassatie. Zij voert aan dat het hof heeft miskend dat art. 1:160 BW definitief een einde maakt aan de onderhoudsplicht en daarom restrictief dient te worden toegepast, terwijl strenge motiveringseisen gelden voor de rechterlijke beslissing om een beroep op art. 1:160 BW te honoreren.

De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van artikel 1:160 BW het enkele samenwonen met een ander niet voldoende is. Er dient sprake te zijn van een affectieve relatie tussen samenwoners van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Gezien het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de bepaling moet deze restrictief wordt uitgelegd, niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen.

Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door enkel genoemde vaststellingen te gebruiken om het bewijsvermoeden dat voldaan is aan de eisen van art. 1:160 BW te onderbouwen. Het hof heeft slechts gekeken naar het feitelijk samen wonen en niet getoetst of ook sprake was van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en die ander.

Er volgt verwijzing naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling

Conclusie:
De man zal niet blij zijn maar een dergelijke uitslag viel wel te verwachten. De term ‘samenwonen als ware zij gehuwd’ als bedoeld in artikel 1:160 BW omvat meer dan het feitelijk samenwonen. Er moet een affectieve relatie van duurzame aard zijn tussen samenwoners die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Hiermee wordt aangesloten bij de verplichtingen die tussen echtelieden bestaan ingevolge 1:81 BW; Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.

Deze uitleg door de Hoge Raad behoort ook tot de vaste jurisprudentie. Zij verwijst in dat verband onder meer naar HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603, NJ 2001/586 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961, NJ 2005/381.

Wat in de hele gang van zaken wel merkwaardig is, is dat de vrouw bij het hof kennelijk niet heeft gesproken over de relatie in de zin dat er geen affectieve relatie is met wederzijdse zorgplicht en dat dit door de man evenmin gesteld is. Beide partijen hadden zich een nodeloos lange procesgang kunnen besparen door aspect wel mee te nemen.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1246

Trouwe lezers van legallife weten dat ik dol ben op klassiekers, retro en alles wat daarmee te maken heeft ongeacht of het nu gaat om jurisprudentie of stijl. Daarom gaan we het vandaag eens hebben over een absolute klassieker op kledinggebied: denim ofwel spijkerstof.

Wat is denim:
Denim is een bijzonder sterk, gekeperd, katoenen weefsel. Een keperweefsel, ook wel twill genoemd, is gemakkelijk herkenbaar aan de diagonale lijnen die over de stof lijken te lopen. Voor de meeste weefsels is een tweeschatsweefgetouw genoeg maar voor een keperweefsel zijn minimaal 3 schachten nodig en afhankelijk van het gewenste keperweefsel kan het aantal schachten zelfs tot 24 oplopen.

Een weefsel bestaat altijd uit een schering en een inslag. De schering bestaat uit de ‘verticaal’ opgespannen draden, de inslag is de draad die er telkens tussendoor wordt gehaald. Voor iedere inslag wordt het bindpunt zijwaarts in één richting verplaatst. Hierdoor schuiven de bindpunten op in een schuine lijn wat keperweefsel het herkenbare aanzicht geeft. De diagonale lijnen in het weefsel lopen door van de rechterbenedenhoek tot aan de linkerbovenhoek of omgekeerd. Allicht is de de schuine lijn aan de rechterzijde van een keperweefsel tegengesteld aan de schuine richting aan de averechtse kant.

De kleur:
Als we aan denim denken dan denken we allemaal aan blauwe jeans. De kleur indigo is vrijwel vereenzelvigd met het keperweefsel. Aanvankelijk werd indigo gemaakt van planten, met name de Indigofera tinctoria. Dit was een kostbaar proces wat vrij lang duurde. Het kunnen betalen van blauwe kleding was dan ook een statussymbool. Tegenwoordig kunnen we de kleurstof ook synthetische produceren dankzij het pionierswerk van Adolf von Baeyer vanaf 1865. Uiteindelijk was het BASF dat een commercieel aantrekkelijk proces vond in 1897.

Bij denim is altijd de inslag indigo geverfd terwijl de schering gewoon wit is. Hierdoor ziet een spijkerbroek er aan de binnenzijde altijd witter uit dan aan de buitenzijde.

Het ouderwetse verven vindt plaats middels zogeheten dompelbad-verfmachines. Een streng katoengaren wordt door een bad met indigo geleid en vervolgens omhoog naar het dak van de fabriek zodat het indigo kan oxideren en zijn kenmerkende kleur krijgt. Dompelbad verfmachines zijn tegenwoordig zeldzaam en worden nauwelijks meer gebruikt. Aanvankelijk was het katoenen garen ook veel minder strak gesponnen dan heden waardoor het veel meer verf opnam.

Selvage:
Bij premium denim wordt wel eens gesproken over selvage of selvedge denim. Het gaat dan om een samentrekking van het woord self-edge wat letterlijk de zelfkant van de stof betekent. De zelfkanten zijn de afgewerkte einden aan weerskanten van het weefsel. Aanvankelijk gaven denimwevers iedere afnemer een eigen kleur in weefsel van de zelfkant zodat het denim gemakkelijk geïdentificeerd kon worden en niet door elkaar werd gehaald. Tegenwoordig is het garen in de zelfkant vaak rood of groen.

Het kenmerk van selvage denim is dat het wordt geweven op traditionele schietspoelmachines in plaats van grotere projectielweefmachines. Bij schietspoelmachines wordt de inslag aan één stuk door heen en weer door de schering gehaald. Bij projectielweefmachines is er geen doorlopende inslag en worden verschillende draden gebruikt voor de inslag. Hierdoor heeft selvage denim een afgewerkte, rechte zijde terwijl ‘gewoon’ denim een gerafelde zijde heeft.

De traditionele breedte van een selvage weefsel is 30 inch (76 cm) in tegenstelling tot een 2,5 tot 3 meter voor projectielweefsels. Om jeans te maken van selvage weefsel is vaak een 3 meter nodig en selvage denim ontstond dan eigenlijk ook omdat kleermakers de stof helemaal tot aan het laatste randje gebruikten om vooral maar niets verloren te laten gaan. Als je de rand van jeans omslaat die met selvage denim zijn gemaakt dan zie je ook nog steeds waar de zelfzijdes aan elkaar zijn gestikt.

De projectielweefmachines zijn verreweg in de meerderheid omdat ze veel meer stof kunnen produceren in kortere tijd en de vraag naar denim hoog is. Projectielweefmachines werden ontstonden aanvankelijk ook omdat met schietspoelweefmachines niet langer aan de toenemende vraag te voldoen was.

Omdat het nog steeds meer tijd kost om selvage te weven en er een grotere lengte weefsel nodig is om kleding te maken, is het nog steeds duurder dan regulier denim. Van origine werd het Amerikaans denim als de beste kwaliteit gezien maar tegenwoordig kijken liefhebbers vaak naar Japan. Zoals vermeld werden door toenemende vraag naar denim projectielmachines ingevoerd en werden de schietspoelmachines vaak uitgefaseerd. Ook werd steeds meer denim gekleurd met synthetische verfstoffen.

In de jaren ’80 zag een groepje Japanse bedrijven een markt voor ambachtelijk geproduceerd denim. Ze kochten de oude Amerikaanse schietspoelmachines op en gingen denim produceren voor kleine, lokale bedrijven. Toen de hype rondom ‘premium denim’ begon, werd daar handig op ingespeeld door ouderwets selvage denim te gaan produceren dat werd geverfd met echte indigo in eveneens ouderwetse dompelbad-verfmachines. Overigens resteren in de V.S. nog steeds bedrijven die selvage denim produceren op ouderwetse wijze.

Selvage denim dat op ouderwetse manieren is geproduceerd voelt anders dan denim dat met de moderne projectielmachines is geproduceerd mede omdat er gebruik wordt gemaakt van authentieke katoenen garen. Dit breekt makkelijker dan de moderne strakgesponnen katoenen garen maar levert wel een dikker en steviger weefsel op. Bij enkele merken wordt een draad wel 30 keer door een bad geleid wat een prachtige diepblauwe kleur oplevert. Het verschil met moderne productietechnieken is duidelijk zichtbaar.

De vraag is echter of de kwaliteit van selvage zoveel beter is dat het de meerprijs ten opzichte van regulier denim waard is. Dat is iets wat ieder voor zich zal moeten bepalen.

De geschiedenis:
Wie aan denim denkt, denkt gewoonlijk direct aan jeans, Levi’s en westerns maar de geschiedenis van denim gaat veel verder terug. In hoofdlijnen is het vermoeden dat de naam denim is afkomstig van een stof die werd geproduceerd door de familie André in Nîmes voor veehoeders in de Camargue. Deze stof werd serge de Nîmes genoemd wat al snel werd ingekort tot denim. Uit onderzoek van Pascale Gorguet-Ballesteros, verbonden aan het Musée de la Mode et du Costume in Parijs, blijkt dat zowel in het V.K. als in Frankrijk al ruim voor de zeventiende eeuw stof bekend was die serge de Nîmes werd genoemd. Er zijn voorbeelden bekend van serge de Nîmes gemaakt van wol en zijde maar voor zover bekend is denim altijd van katoen gemaakt.

De naam jeans komt vermoedelijk van de Franse naam voor Genua (Gênes). Genua was ook een bekende producent van onder meer corduroy weefsels gemaakt van wol met katoen of linnen. Jean was van origine waarschijnlijk een soort zeildoek dat werd gebruikt om goederen te beschermen als ze op de kade stonden. Het is niet geheel duidelijk of het serge de Nîmes mogelijkerwijs een poging was om het Italiaanse corduroy na te maken. Op enig punt is men daar ook begonnen met het produceren kleding, met name broeken, van dergelijke stoffen. De Genovese stof was populair en werd in het Verenigd Koninkrijk reeds in de zestiende eeuw in grote getale geïmporteerd.

Voor zover bekend zijn er dus drie soorten stoffen die allen verband houden met de naam denim en allen keperweefsels zijn. We hebben het Britse serge de Nîmes, het Franse serge de Nîmes en het Genovese jean. Het is bekend dat jean tegen het einde van de zestiende eeuw ook werd geproduceerd in het Britse textielcentrum Lancashire. Rond het einde van de achttiende eeuw werd deze stof uitsluitend nog gemaakt van katoen.

Rond diezelfde tijd werd in de V.S. hard gewerkt aan het opstarten van de productie van stoffen om minder afhankelijk te zijn van buitenlandse import. Ook daar bleef het onderscheid tussen jean en denim nog bestaan. Dankzij een bezoek van George Washington aan een weverij in Massachusetts in 1789 weten we dat daar zowel denim als jean werd geproduceerd. Het Weavers Draft Book and Clothiers Assistant boek uit 1792 bevat technische schetsen voor de productie van verschillende keperweefsels.

Levi Strauss begon pas in 1873 met zijn bekende spijkerbroeken, er was toen al snel een 80 jaar verstreken. Daar zullen we wat meer aandacht aan besteden bij het artikel over spijkerbroeken. Het is echter niet geheel duidelijk wanneer het verschil tussen jean en denim als stof verdwenen is.

Tot besluit:
Je hebt zojuist meer dan 1300 woorden over een stof achter de rug en dan is dit nog slechts een korte introductie over denim. Je weet nu wat denim is, hoe het geproduceerd wordt en waarom selvage denim duurder is. Volgende weken gaan we kijken naar de iconische blue jeans waarbij we ook op Levi Strauss nog op de geschiedenis van Levi Strauss zullen ingaan. De week daarop zijn de minstens net zo populaire trucker jackets aan de beurt.

Vandaag duiken we andermaal in het internationale belastingverkeer met de zaak over de teruggaaf van dividendbelasting aan een Fins open-end beleggingsfonds. In nieuwsbrieven nrs. 10 en 11 van dit jaar is er al kort aandacht aan besteed. Ik besloot toen met de opmerking dat de Hoge Raad er waarschijnlijk aan te pas zou komen vanwege de grote financiële belangen voor de Staat. Dat bleek een correcte observatie te zijn. Nog geen drie dagen later werd in de Tweede Kamer gesproken over de mogelijkheid dat de uitspraak van het Hof kan leiden tot een aanzienlijk gat in de overheidsfinanciën. De staatssecretaris antwoordde dat er inderdaad een gat in de overheidsfinanciën kan ontstaan. De staatssecretaris was het evenmin eens met de vergelijking van het Finse beleggingsfonds en Nederlandse rechtspersonen die eveneens niet zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting.

De cassatie is er gekomen en op 15 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan.

Open-end fondsen:
Voor degenen die niet zo bekend zijn met de financiële wereld is het handig om eerst even uit te leggen wat een open-end fonds precies is en wat ze te maken hebben met vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Wie dit niet interessant vind kan deze paragraaf overslaan en verdergaan bij het kopje: De feiten.

Zoals eerder vermeld is een fonds gewoonlijk een kapitaalvennootschap welke dient als knooppunt van het vermogen van beleggers. De totale som geld is het fondsvermogen en daarmee wordt belegd. Beleggers kopen aandelen in het fonds en beleggen daarmee indirect in de onderliggende bedrijven. Het fonds heeft inkomsten (bijvoorbeeld dividend) en kosten (bijvoorbeeld beheerskosten) en er zijn waardeschommelingen in de aangekochte aandelen. Positieve en negatieve resultaten worden vervolgens doorgegeven aan de belegger als koersschommelingen van het fonds en bij goede prestaties ook als dividend.

Een open end beleggingsfonds is een beleggingsfonds waarbij het aantal aandelen gedurende de looptijd van het fonds niet vast staat, dit in tegenstelling tot een closed-end beleggingfonds wat niet zomaar nieuwe aandelen uit kan geven. Technischer gesteld gaat het om een fonds waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de belegger ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Er is dus een doorlopende verplichting tot inkoop en uitgifte van deelnemingsrechten (vaak aandelen maar het kunnen ook andere deelnemingsrechten zijn). Deze verplichting kent een vast stramien.

De waarde van het deelnemingsrecht voor inkoop of uitgifte periodiek komt tot stand tegen de intrinsieke waarde van het fonds. Dit komt omdat er bij een open-end fonds precies zoveel aan waarde aan deelnemingsrechten wordt buigegeven als er nieuw geld in het fonds stroomt. De intrinsieke waarde is de theoretische waarde van een deelnemingsrecht welke bestaat uit het verschil tussen de de bezittingen en de vorderingen op korte en lange termijn. Het beoogde gevolg is externe invloed op de prijsvorming van de vraag en aanbod op dat moment te minimaliseren.

Zoals gezegd geldt voor fondsen vaak dat het kapitaalvennootschappen zijn en als zodanig zijn zij gewoonlijk in het land van vestiging onderworpen aan vennootschapsbelasting. Wel is er vaak een gunstig regime voor fondsen omdat een land er economisch belang bij heeft dat er tegen gunstige voorwaarden belegd kan worden. Alles wat niet aan de fiscus hoeft te worden betaald komt de waarde van het fonds ten goede, belastingen zijn immers een kostenpost voor het fonds. Over dividenden die het fonds ontvangt wordt vaak dividendbelasting ingehouden. Als hoofdregel is het mogelijk om dividendbelasting af te trekken van verschuldigde vennootschapsbelasting.

De feiten:
Belanghebbende is een in Finland gevestigd “open-end” beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Er is in Nederland dividendbelasting geheven over uitgekeerde dividenden. In Finland heeft belanghebbende deze dividendbelasting niet kunnen verrekenen omdat hij aldaar is vrijgesteld van belastingheffing naar de winst. Als het fonds in Nederland zou zijn gevestigd, zou het aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

Onder omstandigheden kunnen Nederlandse rechtspersonen die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting wel een deel van de ingehouden dividendbelasting terugvragen van de Belastingdienst op grond van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965. Dit is om economische dubbele belasting over de winst van een in Nederland gevestigde vennootschap te voorkomen, voor zover deze winst bij wijze van dividend wordt uitgekeerd aan in Nederland gevestigde lichamen die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Lichamen die gevestigd zijn in andere lidstaten van de EU kunnen ook de dividendbelasting terugvragen als zij in hun eigen land niet onder een winstbelasting vallen en bij vestiging in Nederland ook zouden zijn vrijgesteld.

Het fonds verzocht de Nederlandse fiscus om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. De fiscus weigerde dit en het fonds ging in beroep. De vraag is of de ingehouden dividendbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 56 EG, thans artikel 63 VWEU.

Bij het hof:
Het hof oordeelde dat de omstandigheden van het Finse fonds te vergelijken waren met de situaties waarvoor de teruggaafregeling is bedoeld. De fiscus moest teruggaaf verlenen, anders zou sprake zijn van strijd met artikel 56 EG.

Oordeel in cassatie:
De Hoge Raad stelt dat eerst moet worden beoordeeld of de situatie belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde vennootschap die onder het bereik van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 valt. Uit vaste jurisprudentie van het HvJEU volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een lidstaat bij belastingheffing vennootschappen uit een andere lidstaat discrimineert, in de regel niet van belang is hoe die baten door die andere lidstaat fiscaal worden behandeld. Een lidstaat heeft geen verplichting om bij belastingheffing (automatisch) een door een andere lidstaat aan een daar gevestigde vennootschap verleende fiscale faciliteit over te nemen.

De enkele omstandigheid dat het fonds in Finland is vrijgesteld van winstbelasting maakt nog niet dat het vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtspersoon die niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting. Indien het fonds in Nederland gevestigd zou zijn, zou het wel zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting. Het behoort daardoor niet tot de groep waarvoor de tegemoetkoming van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 bedoeld is. Hierin ligt geen discriminatie besloten.

De bepaling heeft als doel om zowel geen vennootschapsbelasting als ook geen dividendbelasting te doen drukken op dividenden voor bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Het doel van die bepaling strekt zich niet uit tot andere rechtspersonen.

Conclusie:
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie hoeven we in de regel niet te kijken naar hoe andere staten hun belastingheffing hebben geregeld noch hoeven we gelijke fiscale faciliteiten te bieden. Dat het fonds in Finland is vrijgesteld betekent niet dat je het één op één kunt vergelijken met een rechtspersoon die in Nederland is vrijgesteld. De regeling van artikel 10 lid 1 DB is bedoeld om er voor te zorgen dat als je in Nederland naar de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting, je niet over ontvangen dividenden alsnog dividendbelasting moet betalen. Als je bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting dan heb je immers niets om de dividendbelasting mee te verrekenen.

Het Finse fonds zou in Nederland gewoon onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting dus het heeft pech. De dividendbelasting blijft gewoon in de Nederlandse knip en de Tweede Kamer en staatssecretaris hebben vooralsnog weer één probleem minder. Het fonds kan hooguit nog in beroep gaan bij het HvJEU.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1128
Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9630

Op 13 november heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Amsterdam het goedkeuringsbesluit van het CBP over de Gedragscode Zorgverzekeraars vernietigd.

Een zorgverzekeraar zal nu eenmaal persoonsgegevens moeten kunnen verwerken om zijn primaire taak goed uit te kunnen voeren. Met de verkregen persoonsgegevens dient echter bijzonder zorgvuldig te worden omgesprongen mede omdat het om medische gegevens gaat. Het is op grond van artikel 16 Wbp in beginsel verboden om persoonsgegevens aangaande iemands gezondheid te verwerken. Het is echter mogelijk om onder artikel 23 een ontheffing te krijgen van het CBP voor zover verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en er passende waarborgen worden getroffen om de persoonlijke levenssfeer te beschermen.

Het CBP heeft een goedkeurend besluit afgegeven ten aanzien van de Gedragscode Zorgverzekeraars waarmee zij de mogelijkheid kregen om (medische) persoonsgegevens te verwerken zoals vermeld staat in deze code. Stichting KDVP was het met dit goedkeuringsbesluit niet eens en spande een zaak aan. De doelstelling van stichting KDVP is het behoud van privacy en vertrouwelijkheid binnen de GGZ door het beheer van privacygevoelige informatie geheel te laten bij cliënt en hulpverlener.

Strijd met het EVRM:
De rechtbank oordeelt dat de Gedragscode in strijd is met privacybeginselen, neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Er zijn geen eenduidig omschreven doelstellingen in de Gedragscode Zorgverzekeraars voor de verwerking van de medische persoonsgegevens opgenomen. De verwerking van medische gegevens vormt een inbreuk op de privacy van patiënten en het beroepsgeheim van zorgverleners. Er is voor de doelstellingen niet (voldoende) getoetst op proportionaliteit en subsidiariteit zoals het EVRM vereist. Tevens is er ten onrechte geen onderzoek gedaan naar alternatieve methodes voor gegevensverwerking die geen inbreuk vormen op privacy en het beroepsgeheim.

Function creep:
Een ander struikelpunt is de mogelijkheid van de functioncreep. De persoonsgegevens zijn beschikbaar voor meerdere bedrijfsprocessen en de mogelijkheid voor het gebruik van medische gegevens voor marketingactiviteiten onder de noemer zorgbemiddeling zelfs mogelijk zou zijn. Er is weliswaar een doelbindingsbeginsel opgenomen in de gedragscode maar het uitzonderingsartikel is volgens de rechtbank onvoldoende gespecificeerd. Het is hierdoor niet duidelijk onder welke omstandigheden door wie en op welke gronden het doelbindingsbeginsel opzij kan worden gezet. Er is dus een risico op oneigenlijk gebruik van verkregen persoonsgegevens.

Strijd met eerdere rechterlijke uitspraken:
De rechtbank overweegt ten slotte dat het CBP voorbij gaat aan eerdere uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) met betrekking tot de betekenis van privacy, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim bij de behandeling van psychische klachten. Deze uitspraak had betrokken moeten worden bij een verbijzondering van bepalingen voor geestelijke gezondheidszorg in de Gedragscode.

De uitspraak van het CBB gaat er over dat bij de behandeling van psychische klachten moet bezwaar kunnen worden gemaakt tegen de verplichte uitwisseling van diagnose-informatie tussen zorgverlener en zorgverzekeraar. Overigens is een dergelijke verplichting als uitgangspunt voor elektronische verwerking van het dataverkeer tussen zorgverzekeraar en zorgverlener niet per saldo onrechtmatig mits er uitzonderingsmogelijkheden zijn ingebouwd. Het gaat namelijk wel om informatie die wordt verkregen onder het medisch beroepsgeheim en op dergelijke wijze onder ogen komt van mensen die niet zijn gebonden door het medisch beroepsgeheim noch onder het medisch tuchtrecht vallen. Bij psychische gezondheidszorg gaat het om informatie die de kern van het privé-leven raakt en daarom zeer privacygevoelig is.

De rechtbank stelt vast dat de Gedragscode onvoldoende waarborgen bevat aangaande de verwerking van dergelijke persoonsgegevens. Daarmee bestaat er een kans dat de geheimhoudingsplicht ten aanzien van gezondheidsgegevens niet wordt nageleefd wanneer er een overstap plaatsvindt naar een digitaal systeem. De rechtbank acht daarbij van belang dat digitale verwerking van persoonsgegevens de mogelijkheid met zich meebrengt dat derden tot die gegevens toegang krijgen en de gegevens worden gebruikt voor bijvoorbeeld marketingdoeleinden. Hiermee is de doelbinding onvoldoende verzekerd.

Oordeel van de rechtbank:
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt het CBP om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over door vereniging Zorgverzekeraars Nederland te maken aanpassingen aan de Gedragscode.

Conclusie:
Er is volgens het vonnis van de rechtbank behoorlijk wat mis met de Gedragscode. Door de verwerking van medische persoonsgegevens aan te wenden voor verschillende bedrijfsprocessen is er geen sprake van helder en limitatief omschreven doelstellingen van gegevensverwerking zoals het EVRM vereist. Dit werkt functioncreep en het oneigenlijk gebruik van persoonsgegevens in de hand. Ook is het CBP voorbij gegaan aan een uitspraak van het CBB omdat er onvoldoende waarborgen zijn getroffen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens welke betrekking hebben op geestelijke gezondheidszorg.

De vereniging Zorgverzekeraars Nederland moet dus terug naar de tekentafel en het CBP zal een nieuw oordeel moeten gaan vellen. Dit alles zal binnen zes weken plaats moeten vinden. Het verhaal is dus lang nog niet afgelopen. De stichting KVDP heeft echter patiënten in het algemeen en die van geestelijke gezondheidszorg in het bijzonder een dienst bewezen.

Rechtbank Amsterdam vernietigt het CBP goedkeuringsbesluit van de Gedragscode Zorgverzekeraars wegens strijdig zijn met privacybeginselen en negeren van een eerdere rechterlijke uitspraak via KVDP.nl
Rb. Amsterdam 13/11/2013, zaaknr. AMS 12/984 via KVDP.nl

Wie weet nog vorig jaar de kleine rel rondom de anonieme tipgever die honderden zwartspaarders aangaf bij de Belastingdienst in ruil voor een beloning? De rechtbank Den Haag bepaalde in een kort geding dat de fiscus de identiteit van de tipgever geheim mocht houden.

De overeenkomst:
Het ministerie van Financiën heeft een geschoonde versie van de overeenkomst openbaar gemaakt. Hieruit blijkt dat de tipgever vrijwillig heeft gemeld te beschikken over informatie over zwartspaarders. Deze informatie is niet afkomstig van de Staat zelf en de tipgever heeft evenmin voor de staat gewerk bijvoorbeeld bij de Belastingdienst. Er is een vergoeding overeengekomen die afhankelijk is van de belastingopbrengst die de fiscus zal halen bij het aanpakken van de zwartspaarders.

Ook is in de overeenkomst bepaald dat tipgever niet zal worden ontzien op het vlak van belastingheffing, hij krijgt geen korting op zijn aangifte en er is geen verrekening met belastingschulden mogelijk. Daarnaast is de tipgever gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan het tippen van de Belastingdienst. Het fiscale beleid is echter nog altijd gericht op geheimhouding van tipgevers.

De rechtbank:
Aanvankelijk oordeelde de geheimhoudingskamer van de rechtbank in Arnhem nog dat de tipgever bekend moest worden gemaakt. De zwartspaarders moesten de betrouwbaarheid van de tipgever kunnen toetsen. Dat is van belang omdat voor mensen die weigeren mee te werken aan onderzoek door de Belastingdienst, een omgekeerde bewijslast geldt: zij moeten aantonen dat zij niets verkeerd hebben gedaan. De rechtbank Den Haag bepaalde vervolgens dat de uitspraak van de rechtbank in Arnhem niet betekent dat de Belastingdienst ‘absoluut gehouden’ is om de identiteit te onthullen. Dit oordeel werd vervolgens weer bevestigd door de voorzieningenrechter in Arnhem.

Staatssecretaris Weekers van Financiën werd ondertussen niet warm of koud van de hele handel en heeft altijd gezegd dat hij de identiteit van de tipgever pas zou prijsgeven als de Hoge Raad hem daartoe zou dwingen.

In cassatie:
In cassatie is betoogd dat de fiscus op grond van het in art. 6 EVRM besloten liggende equality of arms-beginsel gehouden is aan eisers ongeschoonde stukken over te leggen. Het gaat hier om een civiele vordering die tot doel heeft stukken omtrent de tipgever geopenbaard te krijgen om ze te kunnen gebruiken in de fiscale zaak.

In beroep moet de fiscus alle van belang zijnde stukken indienen op grond van art. 8:42 Awb. Het is echter mogelijk op grond van gewichtige redenen het overleggen van stukken te weigeren. Aan de rechter kan worden meegedeeld dat slechts hij kennis mag nemen van de stukken (art. 8:29 Awb).

De rechter beslist of de weigering van de fiscus gerechtvaardigd is. Bij een negatief besluit blijft de verplichting om stukken te overleggen in stand. Als de fiscus dan nog steeds weigert de stukken te overleggen, trekt de rechter op grond van art. 8:31 Awb gevolgtrekkingen die hem geraden voorkomen.

De Hoge Raad overweegt dat in een fiscale procedure waarborgen zijn ingebouwd (waaronder art. 8:42 alsmede 8:29 en 8:31 Awb) die rekening houden met het belang dat eisers willen beschermen. Het gaat daarbij om hun verdedigingsbelang. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat eisers op de hoogte worden gesteld van de naam van de tipgever en van de tipgeversovereenkomst. Hun belang is slechts dat zij zich in de fiscale procedure naar behoren kunnen verdedigen tegen de opgelegde aanslagen en boeten.

De fiscus is daarom vrij om openbaring van de ongeschoonde stukken te weigeren.

Conclusie:
De Hoge Raad stelt in deze civiele zaak dat het belang van eisers is dat zij zich kunnen verdedigen tegen de opgelegde aanslagen en boeten. De belastingrechter is in beginsel vrij om kennis te nemen van de stukken en ze geheim te houden als hij dat nodig acht. Als de fiscus dan nog steeds weigert, is de belastingrechter vrij om daar conclusies aan te verbinden. Hiermee is het verdedigingsbelang van de eisers voldoende gewaarborgd in de fiscale procedure.

Vooralsnog staat het de fiscus dus vrij om de gegevens van tipgevers geheim te houden. De kans dat eisers dus leren aan wie ze hun boetes te danken hebben, is vrij klein.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1042
Tipgeversovereenkomst deel 1 en 2