Voor een rechtshandeling is een op een rechtsgevolg gerichte wil nodig die zich door een verklaring daartoe heeft geopenbaard. Een dergelijke verklaring kan in beginsel vormvrij zijn maar een verklaring die een wederpartij niet of niet tijdig heeft bereikt kan soms geen werking hebben ( art. 3:37 lid 3, tweede zin BW). Dat is veelal lastig waar het gaat om aanmaningen, want wat gebeurt er als de wederpartij zich er op beroept een aanmaning nooit ontvangen te hebben? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag en schept en passant duidelijkheid over de vraag op welk moment een verklaring nu moet worden geacht de geadresseerde te hebben bereikt.

De feiten:
Een stichting is eigenaar van een vastgoedportefeuille waarvan enkele panden zijn verkocht aan Centavos. Bij de koopovereenkomst is een aanvullende overeenkomst gesloten welke inhoudt dat de stichting gedurende twaalf maanden een recht van terugkoop heeft van al het verkochte. Vervolgens verhuurt Centavos een deel van de panden terug aan de stichting. In de huurovereenkomst is bepaald dat mededelingen aan huurder in verband met de uitvoering van de huurovereenkomst kunnen worden verricht aan het adres van het gehuurde.

Weer een anderhalf jaar later is nogmaals een aanvullende overeenkomst gesloten die betrekking heeft op de eerdere koop- en huurovereenkomsten. Daarin wordt onder meer het recht van terugkoop verlengd. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt dat bij het ontstaan van een huurachterstand Centavos met een tussenpoos van twee weken een aanmaning mag sturen en dat, indien Centavos op grond van het vorenstaande in totaal drie maal een aanmaning heeft moeten sturen, het terugkooprecht zal vervallen.

De stichting heeft vervolgens een huurachterstand laten ontstaan waarop Centavo driemaal een aanmaning stuurde naar het postbusadres van de stichting. Dit adres werd al vanaf het begin van het sluiten van de overeenkomsten gebruikt en stond ook op het briefpapier van de stichting gedrukt. Verschillende aangetekende brieven kwamen retour met de aantekening “niet afgehaald” of “postbus opgeheven”. Daarop stuurde Centavo aanmaningen naar de individuele adressen van de verhuurde panden.

De stichting voert aan dat van alle verzonden aanmaningen slechts eentje haar had bereikt. In de procedure bleek dat de postbus buiten haar schuld was geblokkeerd door TNT post. De stichting vorderde een verklaring voor recht dat het recht van terugkoop niet is vervallen, met veroordeling van Centavos om mee te werken aan het effectueren van het terugkooprecht.

Bij rechtbank en hof:
De rechtbank wees de vorderingen af omdat sprake is geweest van drie aanmaningen van Centavos en daarmee is de voorwaarde voor het vervallen van het terugkooprecht vervuld. Het hof oordeelde anders. Er is geen sprake geweest van drie aanmaningen die de stichting hebben bereikt, de vorderingen zijn daarom toewijsbaar. Het hof stelde daarbij dat Centavos gelegenheid heeft gekregen duidelijk te maken wat het formele adres of het uit het Handelsregister blijkende correspondentieadres van verweerster was, doch dat Centavos geen relevante informatie heeft verstrekt.

Oordeel van de Hoge Raad:
De Hoge Raad overweegt allereerst dat ten aanzien van een schriftelijke verklaring als uitgangspunt geldt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Als de ontvangst van een verklaring wordt betwist, dient de verzender in beginsel feiten en/of omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit blijkt dat de verklaring is verzonden naar een adres waarvan de verzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde daar kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen.

Vervolgens vult de Hoge Raad in wanneer een verzender redelijkerwijs mag aannemen dat een geadresseerde daar kan worden bereikt. Hiervan is sprake bij:

  • een woonplaats in de zin van artikel 1:10 BW;
  • zakelijk adres van de geadresseerde indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft;
  • een adres waarvan de verzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze daar ook kon worden bereikt.

Voor deze laatste categorie geeft de Hoge Raad als voorbeeld een postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt.

De openliggende vraag is dan nog of de aanmaningen de stichting hebben bereikt in de zin van art. 3:37 lid 3, eerste zin, BW. De Hoge Raad overweegt dat de door het hof gestelde eis dat de postbus moet zijn aangewezen als adres waarop de stichting bereikbaar is, niet op de wet berust. Dit heeft tot gevolg dat de bestreden arresten niet in stand kunnen blijven en dat de overige klachten geen behandeling behoeven.

Conclusie:
Dit arrest is om meerdere redenen interessant. Het is, bij mijn weten, de eerste keer dat de Hoge Raad zich ondubbelzinnig uitlaat over de toepasselijkheid van de ontvangsttheorie bij art 3:37 BW.
In de literatuur worden voor de beantwoording van de vraag op welk moment een verklaring nu moet worden geacht de geadresseerde te hebben bereikt, drie verschillende theorieën onderscheidden. Het betreft de verzendtheorie, de ontvangsttheorie en de vernemingstheorie. De eerste stelt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt op het moment van verzenden. De tweede stelt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt op moment van ontvangst, ongeacht of de geadresseerde daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud. De derde theorie stelt dat de verklaring de geadresseerde heeft bereikt op het moment van ontvangst en er daadwerkelijk kennis van heeft genomen.

De Hoge Raad kiest nu ondubbelzinnig voor de ontvangsttheorie als uitgangspunt. Het uitgangspunt is dat de verklaring de wederpartij moet hebben bereikt om werking te hebben. De afzender moet daartoe feiten en/of omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen. De afzender moet doen blijken dat:

  1. de verklaring is verzonden
  2. dat het adres een adres is waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt en
  3. dat de verklaring is aangekomen

Het begrip bereiken wordt door de Hoge Raad dus objectief ingevuld. De Hoge Raad geeft een vrij compleet stappenplan van wat precies moet worden bewezen en vult ook meteen het ‘redelijkerwijs’-criterium in (de tweede van de hierboven genoemde punten) zodat dit geen open norm blijf.

In dit concrete geval mocht Centavos redelijkerwijs aannemen dat de stichting bereikbaar was via de postbus. De stonden op het briefpapier gedrukt en werden als sinds het begin gebruikt door de stichting. Dat de post vervolgens niet wordt gelezen en de postbus tijdelijk werd gesloten door TNT post, komt voor rekening van de stichting.

De grootste vraag die blijf openliggen is hoe toepasselijk deze uitspraak is in het kader van e-mail. De Hoge Raad lijkt dit wel te impliceren maar geeft er nog niet echt duidelijkheid over. De kans is echter niet onaanzienlijk dat we daar de in de nabije toekomst alsnog een zaak over zullen krijgen.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 (NJ 2013, 391)

Cravatte, stropdas, das, plastron, hoe je het ook noemt de das is waarschijnlijk het meest opmerkelijke accessoire van de moderne man en er zijn weinig stukken die op een dergelijke lange geschiedenis kunnen bogen. Sommigen stappen de deur niet uit zonder en anderen hekelen het stuk, redenen genoeg om eens een artikel aan dit accessoire der accessoires te wijden.

Historie:
Zoals met vele dingen is het lastig om een absoluut beginpunt in de geschiedenis aan te wijzen waarop ‘de stropdas’ is ontstaan. Romeinse soldaten knoopten al dassen en halsdoeken om als deel van het uniform of om de band met een bepaalde groep te indiceren.

De moderne stropdas stamt uit de dertigjarige oorlog. Kroatische huurlingen in Franse dienst droegen smalle geknoopte shawls om hun nek. Uniformen voor staande legers waren in die tijd praktisch non-existent, dus de shawls dienden als praktisch identificatiemiddel. De destijds jonge Franse koning Louis XIV begon ongeveer in 1646, toen hij zeven was, met het dragen van de zogenaamde cravate. Het woord is waarschijnlijk een verbastering van het Kroatische woord voor Kroaten, Hrvati, en het Franse woord, Croates. Zoals alles wat de koning deed, kreeg het kledingstuk enorme navolging, niet in de laatste plaats omdat het veel praktischer was dan de hoge gesteven kragen die tot dusver werden gebruikt. Het hof had zelfs een cravat-maker in dienst die de koning elke dag een aantal cravattes voorhield, opdat de meest geschikte gekozen kon worden.

De cravat verspreidde zich snel over Europa. Na de Franse, de Belgen en de Nederlanders volgenden ook de Britten. Met name het Verenigd Koninkrijk was cruciaal voor de doorontwikkeling van de cravat. Daar veranderde men de patronen en de manier van knopen. Tot in de 19e eeuw was de das wit, maar de Engelsen introduceerden ook gekleurde cravattes om zo beter bij de individuele stijlbehoeftes aan te sluiten. De interesse in cravattes nam toe. Uit deze tijd stammen ook de eerste bekende publicaties over hoe de cravatte te knopen zoals de Neckclothitania. Dit is een boek met instructies en illustraties over 14 verschillende wijzen om de cravatte te knopen.

Met de komst van de industriële revolutie veranderde ook de aard van de das. Men wilde een das die gemakkelijk om te doen was, comfortabel en een hele dag netjes bleef zitten. Dassen gingen meer gelijken op de moderne vorm, ze werden langer, dunner en konden gemakkelijker vastgeknoopt worden waardoor ze beter bleven zitten.

De stropdas zoals we die heden kennen stamt uit 1926. In New York was de stropdasmaker Jesse Langsdorf gevestigd. Hij sneed de stof in drie delen schuin op het weefsel welke in elkaar worden gezet tot een stropdas. Hierdoor blijft de elasticiteit van de stof beter behouden en blijft de stropdas er gedurende langere tijd goed uitzien. Ook werd industriële vervaardiging van een stropdas makkelijker door deze werkwijze. Sindsdien is er weinig meer veranderd aan de stropdas.

Wel of geen das:
De toenemende casual trend is tot noch toe niet in staat in staat geweest om de stropdas de figuurlijke das om te doen. Echter met de teloorgang van financiële instellingen en een toenemende allergie jegens eenieder die zich consultant noemt, komt het dragen van de stropdas onder druk te staan. Velen doen de stropdas ook af zodra ze thuiskomen wat toch een indicatie is dat deze spreekwoordelijke ‘dood door ophanging’ niet heel comfortabel is. Oscar Wilde zei nog: “A well-knotted cravat is the first serious step in a man’s life” terwijl prins Claus recentelijker nog zei: “Stropdasdragers aller landen verenigt u en gooi het knellende ding weg”. Moeten we nu wel of geen stropdas dragen is de vraag die dan ook steeds vaker gesteld wordt.

Laten we pogen een antwoord op deze vraag te formuleren en te beginnen met het stellen van een paar voordelen en nadelen.
Voordelen:

  • Kleren maken de man, een passende stropdas kan een outfit compleet maken
  • Het verbergt een kippennek.
  • Kleding, waaronder stropdassen, kunnen worden gebruikt om een band met een bepaalde groep aan te duiden zoals bijvoorbeeld studentenverenigingen of bedrijven.
  • Het dragen van een stropdas kan een teken van respect naar de wederpartij zijn.
  • Warmer in herfst en winter zodat je gemakkelijker eventjes snel de deur uit kunt stappen om een boodschap te doen.

Nadelen:

  • Al snel te warm en knellend in de zomer.
  • Belemmert bewegingsvrijheid en zit gemakkelijk in de weg bij activiteiten als eten.
  • Kan absoluut in bepaalde situaties en bij bepaalde groepen.
  • Doet je al snel ouder lijken dan je in werkelijkheid bent.

De juridische professie is over het algemeen vrij weinig vooruitstrevend op modevlak. Casual trends zullen hier niet snel toeslaan mede ook omdat klanten over het algemeen zullen verwachten dat een jurist een pak draagt. Bij wat ouderwetser kantoren betekent dat ook dat er meer waarde zal worden gehecht aan het dragen van een stropdas. Bij de wat ‘relaxter’ kantoren zal een das lang niet altijd nodig zijn. Daarmee is de eerste invloedsfactor vastgesteld: hoe behoudend is je werkomgeving? Bij twijfel kun je het beste altijd kiezen voor een stropdas.

Ten tweede is van belang de boodschap die je wilt uitdragen. Het dragen van een stropdas zal altijd een gekleder indruk maken dan het weglaten van een stropdas. Je kunt ook zeer goed een stropdas weglaten als een beetje nonchalanter wilt overkomen. Daarbij moet je ook rekening houden met de klanten die je ontvangt. In bijvoorbeeld Azië is het dragen van een stropdas echt een must. Ook is het aanbevolen om een stropdas te dragen indien je mensen ontvangt die een hoge functie bekleden binnen grote bedrijven, er is een aanzienlijke kans dat die een leeftijd van tussen de 50 en 60 zullen hebben en meer waarde hechten aan het dragen van een stropdas. Overweeg dus goed of je doelgroep bepaalde verwachtingen zal hebben omtrent het al dan niet dragen van een stropdas. Zeker in internationale relaties wordt de impact nog al eens onderschat.

Ten derde zijn er modieuze overwegingen. De meeste trends neigen nu eenmaal naar casual, daar is an sich niets mis mee en voor stropdashaters is het zelfs een zegening. De afgelopen seizoenen was al duidelijk zichtbaar dat de stropdas zelf minder formeel begon te worden met de opkomst van onder meer gebreide en gehaakte stropdassen. Momenteel is het modieus om de stropdas geheel en al weg te laten en een flinterdunne trui te dragen onder je colbert. De stropdas verdwijnt simpelweg steeds vaker van het toneel. Dat houdt in dat je gaandeweg steeds meer vrijheid zult kunnen permitteren rondom het al dan niet dragen van een stropdas, zeker in de toekomst als de casual trend doorzet.

Het dragen van een stropdas:
Het dragen van een stropdas wordt regelmatig omschreven als oncomfortabel. Het hoeft echter vaak niet zo dramatisch te zijn als vaak wordt omschreven, er zijn tal van methodes die je kunt gebruiken om het dragen van een stropdas aangenamer te maken. Het dragen van een stropdas begint simpelweg bij het dragen slechts wanneer het echt nodig is. Zeker op ‘s zomerse dagen is het prettig om te trachten het dragen van stropdassen zoveel mogelijk te ontwijken. Het is zonder meer een open deur maar toch iets waar vaak overheen gekeken wordt.

Je kunt ook wat spelen met je stropdasknoop en de kraag van je overhemd. Een kraag die wat breder weggesneden is en een niet al te dikke knoop laten meer ademruimte. Ook een overhemd met een button-down kraag is voor sommigen een uitkomst omdat de stropdasknoop dan niet omhoog kan kruipen. Kies daarnaast voor een niet al te grote knoop, een dubbele windsor ziet er fantastisch uit maar moet altijd nauw aansluiten. Een knoop als een Christensen kun je ook wat losser dragen zonder dat het er meteen onverzorgd uitziet.

Een andere handige truc is om te kiezen voor gevoerde stropdassen. Deze zijn dikker dan ongevoerde stropdassen en kun je vaak wat losser knopen terwijl ze nog steeds goed vallen doordat ze wat meer gewicht hebben. Zijden stropdassen vallen vaak ook uitstekend als je ze wat losser knoopt en blijven uitstekend zitten in tegenstelling tot veel polyester stropdassen waarvan de knoop nog wel eens vorm wil verliezen als je ze niet strak genoeg knoopt.

Op warme dagen kun je zolang het betamelijk is ook het bovenste knoopje van je overhemd losmaken en de knoop wat losser doen. Zo heb je in ieder geval niet de gehele dag last van de hitte.

Er is dus ruimschoots voldoende te doen om het comfort van het dragen van een stropdas te bevorderen. De onhandigheid van de stropdas is echter vaak lastiger te elimineren. Ik durf te wedden dat er weinig stropdasdragers zijn die niet per ongeluk een keer hun stropdas in de soep hebben laten hangen of per ongeluk tussen boek geklapt. De meest praktische oplossing hiervoor is een eenvoudige dasspeld die er voor zorgt dat de das beter tegen je borstkas aan blijft zitten. Draag een dasspeld ergens tussen de tweede en vierde knoop van boven. Lager dan dat ziet er over het algemeen enigszins merkwaardig uit.

Tot slot:
Laat ik nu trachten een waardeoordeel te vellen over de stropdas. Ik denk dat de stropdas zeker nog toekomst heeft, zeker in professionele kringen. Je ziet er met een stropdas immers totaal anders uit dan zonder stropdas. Dat betekent echter nog niet dat je altijd een stropdas hoeft te dragen als je op je werk bent. De belangrijkste afwegingen voor het al dan niet dragen van een stropdas zullen je werkomgeving en de klanten die ontvangt zijn.

Het dragen van een stropdas hoeft ook niet per se een oncomfortabele ervaring te zijn. Je kunt veel problemen al oplossen door te kiezen voor een niet al te strakke knoop en de das niet al te strak aan te trekken. Een dasspeld kan er voor zorgen dat een das niet overal tussen komt te zitten.

Op persoonlijk vlak heb ik geen echte voorkeur of afkeer van het dragen van een stropdas. Het hangt er maar net vanaf wat past bij een outfit en wat de klant verwacht. Zeker ‘s zomers vind ik stropdassen absolute ondingen omdat ze alle luchtcirculatie afsluiten. Zelfs met de beste, meest luchtige, katoenen overhemden valt daar niet tegenop te boksen.

We hebben echter allen gekozen voor een bestaan binnen de juridische professie en daar hoort nu eenmaal het af en toe dragen van een stropdas bij.

Maandag 4 november is legallife.nl verminderd bereikbaar in verband met onderhoud. Vanwege de omvang van de werkzaamheden zullen er dan geen artikelen worden gepubliceerd. Tot de verbeteringen behoort onder meer krachtiger zoekmachine die zoekresultaten rangschikt op basis van hoe goed ze matchen met de zoekopdracht in plaats van alleen maar gesorteerd op datum. Ook wordt het e-mail formulier sneller.

Excuses voor het ongemak.

Iedere jurist krijgt de fiscale definitie van het begrip onderneming er al in het eerste jaar stevig ingeheid. Een onderneming is een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee door deelname aan het economisch verkeer wordt beoogd winst te behalen. Zodra aan één van deze drie vereisten niet langer wordt voldaan is er niet langer sprake van een onderneming in fiscale zin. Nu is er wel enige speelruimte, het is immers niet zo dat voor de fiscus niet langer een onderneming hebt als je onderneming een jaartje verlies draait. Gedurende een langere tijd structureel verlies draaien kan echter wel verlies van de ondernemingsstatus opleveren aldus het hof.

De feiten:
Belanghebbende in deze zaak is een keramiekmaker. Sinds hij zijn onderneming startte in 1998 heeft hij alleen maar verliezen geleden. Bij belanghebbende is in 2003 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangifte IB/PVV 2001. Belanghebbende geeft onder meer aan dat het moeilijk is binnen de keramiekwereld snel hoge winsten te genereren. Het heeft tijd nodig om naam te maken. Er is volgens hem zeker nog een redelijke verwachting dat er winst behaald zal worden. Op dat punt in tijd kon volgens de Inspecteur nog niet worden geconcludeerd dat winst uit onderneming niet langer een bron van inkomsten is. De Inspecteur waarschuwde wel dat bij een verliessituatie er op termijn geen bron meer is.

In 2007 is opnieuw een onderzoek ingesteld naar de onderneming van belanghebbende. Mede naar aanleiding van dit onderzoek en het voorgaande onderzoek oordeelde de Inspecteur dat hij de bron zal verwerpen ingaande 1 januari 2008 omdat de belangrijkste pijler voor de bron ontbreekt. Namelijk het voordeel dat beoogd wordt redelijkerwijs in de toekomst niet meer te verwachten is.

Belanghebbende heeft op 13 juni 2010 aangifte IB/PVV 2008 gedaan en claimt een ondernemingsverlies. De Inspecteur weigert dit. Belanghebbende is in beroep gegaan en de zaak dient nu voor het hof.

Oordeel en overwegingen van het hof:
Het hof begint met de vaststelling dat het geschil draait om de vraag of er sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Om aan de criteria van het voeren van een onderneming te voldoen moet immers niet slechts worden beoogd voordeel te behalen maar dit voordeel moet ook redelijkerwijs te verwachten zijn. Een voordeel kan slechts (negatief) inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt.

De activiteiten van belanghebbende hebben nooit tot een positief resultaat hebben geleid omdat de kosten met betrekking tot de activiteiten altijd hoger zijn geweest. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken dat in 2008 wel redelijkerwijs kon worden verwacht dat de keramische activiteiten in de toekomst positieve opbrengsten zouden opleveren. Het Hof is derhalve van oordeel dat de keramische activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen.

Het hof verklaart het beroep van de man ongegrond.

Conclusie:
Belanghebbende heeft het gepresteerd om met zijn onderneming jaar in jaar uit telkenmale verlies te draaien omdat zijn kosten beduidend hoger waren dan zijn opbrengsten. Gedurende die tijd is belanghebbende er door de Inspecteur keer op keer op gewezen dat er bij een verliessituatie op termijn niet langer sprake is van een bron. Het hof overweegt op basis van de vaste jurisprudentie dat er slechts sprake kan zijn van inkomen als er sprake is van een bron. Nu de bron er niet meer is, is er ook geen inkomen meer. Er had dus voortschrijdend getoetst moeten worden door belanghebbende of er nog sprake is van objectief te verwachten voordeel en dus nog van een bron.

Bron:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: ECLI:NL:GHARL:2013:7743

Op legallife is al vaker geschreven over fiscaal strafrecht en de ietwat merkwaardige eigenschap dat het door zowel bestuursrecht als ‘echt’ strafrecht heen wandelt. Deel van de problematiek is de uitwisseling van informatie verkregen uit een strafrechtelijk onderzoek van het O.M. richting fiscus of omgekeerd. Er zijn richtlijnen die regelen wat wel en wat niet uitgewisseld mag worden. Tegen deze achtergrond is de volgende zaak interessant.

De feiten:
Belanghebbende is dga van een B.V. en samen met een advocaat medeverdachte in een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD. De FIOD had een telefoon/fax tap laten plaatsen op de lijnen van deze advocaat. Onder de gegevens die FIOD in handen kreeg, bevond zicht een overeenkomst van dading. Deze werd doorgespeeld aan de Inspecteur. De Officier van Justitie heeft toestemming verleend om de betreffende gegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden ten aanzien van eiser.

Op basis van de overeenkomst stelde de Inspecteur dat de dga een voordeel van € 175000,- had genoten uit aanmerkelijk belang. Dit geld had de B.V. van de dga grotendeels overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening. De dga ging in beroep omdat hij van mening was dat de gegevens op onrechtmatige wijze waren verkregen. Het gaat er hier om dat de afgetapte lijn van een advocaat was en de overeenkomst van dading dus mogelijkerwijs onder de geheimhoudersstukken valt.

Oordeel en overweging van de rechtbank:
De rechtbank kijkt naar een overweging van het Hof in de strafzaak. Hieruit blijkt dat de medeverdachte advocaat niet in zijn belangen is geschaad. De overeenkomst kon derhalve niet zijn verkregen uit geheimhoudersgesprekken. Het verschoningsrecht van de advocaat is dus niet geschonden. Ook anderszins is niet gebleken dat de overeenkomst van dading op strafrechtelijk onrechtmatige wijze is verkregen. Derhalve mag de overeenkomst worden gebruikt door de fiscus en is het beroep van belanghebbende ongegrond.

Conclusie:
Het vonnis is vrij lang en niet heel overzichtelijk. Het zal dan ook niet voor iedereen even gemakkelijk te lezen zijn. Het feitencomplex is hierboven zeer beknopt samengevat. De meest relevante rechtsoverwegingen welke handelen over de rechtmatigheid van het bewijs zijn te vinden in 4.13. t/m. 4.15.

Kortgezegd komt het er op neer dat de overeenkomst van dading niet uit geheimhoudersgesprekken afkomstig is. Dit wordt afgeleid uit een overweging van het Gerechtshof in de strafzaak. Het hof overweegt dat de medeverdachte advocaat niet in zijn belangen is geschaad en de rechtbank ziet begrijpelijkerwijs geen reden om daarvan af te wijken. De overeenkomst is dus op rechtmatige wijze verkregen. Hoewel het vonnis er nauwelijks expliciet aandacht aan besteedt, kunnen we er van uitgaan dat de doorgifte van de overeenkomst van dading aan de Inspecteur op correcte wijze is geschied. We weten uit het vonnis slechts dat de Officier van Justitie toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de overeenkomst ten behoeve van belastingheffing van belanghebbende [r.o. 4.12.]

Al met al geeft dit vonnis een aardige blik over hoe de strafrechtketen en de bestuursrechtelijke rechtsketen samenwerken in het kader van fiscaal strafrecht en belastingheffing.

Bron:
Rechtbank Gelderland ECLI:NL:RBGEL:2013:3000