De Afdeling Beroep van de Raad van State, kortweg de Afdeling, heeft sinds kort een nieuwe werkwijze ingevoerd. De bedoeling van de nieuwe werkwijze is dat de ellenlange monologen die pleidooien soms zijn naar de achtergrond verdwijnen en dat de nadruk komt te liggen op het beantwoorden van vragen. Daarom mogen slechts nog schriftelijke uiteenzettingen worden overlegd die niet langer dan vijf minuten spreektijd opleveren. Deze nieuwe werkwijze stond centraal in een recente behandeling van een wrakingsverzoek.

De feiten:
De staatsraad heeft bij aanvang van de zitting de verzoeker en anderen te kennen heeft gegeven dat de pleitnotitie naar verwachting niet kon worden voorgedragen binnen vijf minuten. Als gevolg daarvan zou de pleitnotitie niet zou worden aanvaard als onderdeel van het dossier. De pleitnotitie had een omvang van 18 pagina’s. De staatsraad verzocht verzoeker om op pagina 11 te beginnen.

Vervolgens werd een wrakingsverzoek ingediend. Verzoeker stelt dat de handelwijze van de staatsraad hem heeft beperkt in zijn mogelijkheden om adequaat te kunnen reageren op nadere stukken die pas in een laat stadium van de procedure zijn ingebracht. Door deze gang van zaken is volgens hem de partijdigheid van de staatsraad in het geding.

Oordeel en overwegingen van de wrakingskamer:
De Afdeling overweegt allereerst dat de staatsraad op de voet van artikel 8:61, eerste lid, van de Awb de leiding over het onderzoek ter zitting. Beslissingen aangaande het verloop van de zitting en de orde in de zittingszaal staan als zodanig in een wrakingsprocedure niet ter beoordeling. Dit is slechts anders indien dergelijke beslissingen een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid van de staatsraad die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen.

Het enkele feit dat de staatsraad te kennen heeft gegeven dat de pleitnotitie zo lang was dat deze niet kon worden voorgedragen binnen de maximale spreektijd van vijf minuten en als gevolg daarvan de pleitnotitie niet zou worden aanvaard als onderdeel van het dossier, geeft noch blijk van vooringenomenheid noch grond voor gerechtvaardigde vrees dat de staatsraad onpartijdigheid was. Uit de beslissing vloeit evenmin voort dat de staatsraad verzoeker een deel van de verdediging van zijn zaak heeft ontzegd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan partijen – na vraagstelling door de staatsraad – de gelegenheid krijgen om onderdelen van de pleitnotitie onder de aandacht te brengen voor zover daarin aspecten zijn vermeld die nog niet op andere wijze ter zitting aan de orde zijn gekomen. Dit wordt ook vermeld in de uitnodiging voor de zitting die alle partijen ontvangen. Hetgeen verzoeker heeft betoogd, geeft geen indicatie dat de behandeling ter zitting in deze zaak anders is gelopen.

Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Conclusie:
De staatsraad leidt op grond van 8:61 Awb het onderzoek ter terechtzitting. Processuele beslissingen, waaronder handhaving van een spreektijd overeenkomstig richtlijnen, zullen in beginsel niet door de wrakingskamer behandeld worden. Uitzondering op deze regel is als de processuele beslissingen op zichzelf dan wel tezamen blijk geven van vooringenomenheid of partijdigheid. In praktisch opzicht betekent dit dat eenieder die wenst te pleiten voor een staatsraad rekening dient te houden met een spreektijd van vijf minuten. Overigens is dit niet de enige zaak in zijn soort. Nog geen week later werd op gelijke gronden een wrakingsverzoek ingediend en afgewezen. We kunnen daarmee dus stellen dat dit duidelijk een bestendige lijn vormt binnen de rechtspraak van de Afdeling.

Bron:
ABRvS zaaknummer: 201300153/3/R1 (Zaak besproken in dit artikel)
ABRvS zaaknummer:201209255/2/A2

Als je het huis laat schilderen dan wil je graag dat het goed gebeurt. Aan aannemers (in de zin van aanneming van werk) worden behoorlijk zware eisen gesteld om de consument te beschermen. De consument heeft zelf echter ook een verantwoordelijkheid, hij dient bij oplevering van het werk te controleren of de afspraken goed zijn nagekomen. Indien dit niet het geval is dan moet je onmiddellijk actie ondernemen. Achteraf gaan klagen over dingen die al bij oplevering zichtbaar waren, zal geen resultaat boeken.

De feiten:
Een schilder heeft op grond van aanneming van werk het huis van de heer X geschilderd. Nadat de werkzaamheden waren voltooid hebben partijen gezamenlijk het werk geïnspecteerd. X heeft daarbij opmerkingen gemaakt over regenschade De schilder heeft toegezegd die schade te herstellen wanneer het weer en zijn overige werkzaamheden dat toelieten. X heeft vervolgens een rekening ontvangen welke hij niet heeft voldaan. X blijkt na nadere inspectie van het schilderwerk toch nog wat klachten te hebben en weigert te betalen. Juridisch correct gesteld beroept hij zich op zijn opschortingsrecht. De schilder vordert vervolgens betaling van de rekening.

Eerste aanleg:
De kantonrechter oordeelde dat X alleen gerechtigd was om niet over te gaan tot betaling van de gehele nota indien hij schade had geleden die vergoed moest worden of de overeenkomst op goede gronden deels ontbonden was. De schilder kon zijn verplichting om herstelwerkzaamheden uit te voeren opschorten toen X besloot niet te betalen.

Overwegingen en oordeel van het hof:
X stelt op zich terecht dat de kantonrechter de mogelijkheden voor opschorting teveel heeft ingeperkt. Artikel bepaalt dat 6:262 BW in geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming opschorting slechts is toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. Het niet (tijdig) uitvoeren van het reparatiewerk is echter geen zodanige tekortkoming dat het (geheel) niet betalen van de rekening gerechtvaardigd is.

Het hof merkt de slotconclusie uit de conclusie van antwoord aan als een beroep op partiële ontbinding en schadevergoeding wegens wanprestatie (toerekenbare tekortkoming). De tekortkoming heeft in de ogen van X dusdanige proporties aangenomen dat hij het schilderwerk geheel over wil laten doen door een andere partij. De schilder brengt hier terecht tegen in dat blijkens artikel 7:758 lid 3 BW de aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Er zijn naar het oordeel van het hof geen gebreken geconstateerd die niet onmiddellijk zichtbaar waren bij oplevering.

Het verweer van de schilder treft doel. De vordering van X wordt afgewezen.

Conclusie:
Dit vonnis is een goed leesbare introductie voor verbintenissenrecht en de gelaagde opbouw van het BW. Allereerst hebben we hier te maken met Boek 6 wat handelt over verbintenissen, ik passeer hierbij overigens gemakshalve het feit dat Boek 3 ook relevant is. Bij het eerste verweer zien we de werking van 6:252, de zogenaamde exceptio non adimpleti contractus (ENAC). Het tere punt is in dit geval de dat tekortkoming van de schilder geen integrale opschorting van de betaling rechtvaardigt. Anders gezegd, de opschorting dient proportioneel te zijn ten opzichte van de tekortkoming. Daarbij dient men overigens in het oog te houden dat het connexiteitsvereiste van artikel 6:52 lid 1 BW ook gewoon geldt. Een crediteur kan alleen dié verplichtingen aan zijn zijde opschorten die in direct verband staan met de verplichtingen van de debiteur.

Het tweede standpunt is gebaseerd op wanprestatie. Daar zijn twee dingen voor nodig: ten eerste moet de opdrachtnemer toerekenbaar tekort zij geschoten in de nakoming van de overeenkomst, ten tweede moet hij in verzuim zijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zou het heel wel kunnen zijn dat de schilder toerekenbaar tekort was geschoten. Er is echter in de bijzondere overeenkomsten aangaande de aanneming van werk een specifieke bepaling opgenomen. Dit speciale artikel heeft (in beginsel) voorrang boven de generale artikelen van Boek 6. Artikel 7:758 lid 3 BW bepaalt dat de aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Nu X bij oplevering over de later geconstateerde gebreken niets heeft gezegd, heeft hij zijn rechten verspeeld.

Voor iedereen die werk aan zijn huis laat verrichten is de meest belangrijke les dat je altijd het werk goed moet inspecteren bij oplevering en helemaal niets moet tekenen voor akkoord voordat alles in orde is. Als je naderhand pas kijkt naar dergelijke zaken dan kan het zijn dat je al je rechten verspeeld hebt.

Bron:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2013:6187

Een van de basale aannames van conventionele economie en beleggen is dat mensen rationeel zijn. Het doel is het verhogen van de eigen welvaart. Daarbij spelen zaken als emoties en andere externe factoren geen rol als het gaat om het maken van economische keuzes.

In veel gevallen is deze veronderstelling echter geen correcte afspiegeling van de werkelijkheid. Feit is immers dat mensen zich frequent irrationeel opstellen. Denk bijvoorbeeld maar eens aan hoe vaak loten worden verkocht terwijl de kans om te winnen, en dus een goed rendement te halen op je investering, bijzonder klein is. Het is volstrekt irrationeel om geld te spenderen aan loten en toch worden ze regelmatig verkocht.

In de afgelopen decennia hebben zowel wetenschappelijk onderzoek als de praktijk meerdere malen aangetoond dat beleggers niet altijd volledig rationeel handelen en dat dit wel degelijk invloed heeft op koersen en ontwikkelingen in financiële markten. Dit verschijnsel leidde tot de opmars van het fenomeen behavioural finance.

Om de relevantie van behavioural finance beter in context te plaatsen, zullen we eerst kijken naar een hoeksteen van het concept van de rationele belegger. Dit gebeurt aan de hand van de efficiënte-markthypothese (EMH). Deze theorie is ontwikkeld door professor Eugene Fama eind jaren zestig en in mei 1970 gepubliceerd in het Journal of Finance met als titel “Efficient Capital Markets: A Review of Theory and Empirical Work”. De EMH theorie is één van de meest invloedrijke theorieën uit de financiële wereld en de beleggingsleer.

Het uitgangspunt van deze theorie is dat het onmogelijk is om structureel betere resultaten te behalen dan de markt omdat bestaande aandelenkoersen altijd alle relevante informatie incorporeren en weerspiegelen. Als er nieuwe informatie bekend wordt, zullen alle actoren in de markt hun verwachtingen aanpassen. Aandelen zullen altijd verhandeld worden tegen hun reële waarde op de beurzen, waardoor het onmogelijk is voor investeerders om ofwel de ondergewaardeerde aandelen aan te kopen of overgewaardeerde aandelen te verkopen. Als zodanig is het onmogelijk om de markt in zijn geheel “te verslaan” door middel van deskundige aandelenselectie of andere methodes. De enige manier waarop een mogelijk hoger rendement kan halen is door de aankoop van meer risicovolle beleggingen.

Er is veel discussie over hoe correct de EMH theorie is. Onder veel wetenschappers en professionele beleggers bestaat wel enige vorm van consensus dat de theorie in ieder gedeeltelijk juist is. Over de mate waarin de theorie correct is, bestaat ook onder aanhangers van de EMH theorie veel debat. Er worden grofweg drie varianten van de EMH theorie onderscheiden.

Ten eerste is er de zwakke variant. Deze stelt dat de prijzen over de verhandelde activa (bv. aandelen of onroerend goed) reeds alle vroegere openbaar beschikbare informatie weer te geven. Toekomstige prijzen kunnen niet worden voorspeld door het analyseren van de prijzen uit het verleden. Extra rendement op de lange termijn kan niet worden verdiend door het gebruik van beleggingsstrategieën op basis van historische aandelenkoersen of andere historische gegevens. Technische analyse zal derhalve een belegger niet in staat stellen om boven de markt te presteren hoewel sommige vormen van fundamentele analyse deze mogelijkheid nog wel bieden omdat niet alle factoren op de markt alle beschikbare informatie op dezelfde wijze zullen verwerken in hun analyses. Het is overigens niet vereist dat de prijzen om en nabij een evenwicht blijven, maar alleen dat de marktpartijen niet in staat zijn om systematisch te profiteren van inefficiënties. Op elk moment is de geldende prijs voor een actief de best mogelijke, en dus juiste, prijs.

Ten tweede is er de semi-sterke variant. Deze stelt dat de prijzen over de verhandelde activa reeds alle vroegere openbaar beschikbare informatie weer te geven en dat prijzen direct veranderen op het moment dat nieuwe publieke informatie beschikbaar komt. Deze variant impliceert dat de aanpassing van aandelenkoersen op openbaar beschikbare nieuwe informatie zeer snel en op een onbevooroordeelde en willekeurige manier geschiedt, zodanig dat er geen extra rendement kan worden verdiend door te handelen op basis van die informatie. Dit impliceert dat noch technische noch fundamentele analyse een mogelijkheid bieden om structureel boven de markt te presteren.

Ten slotte is er de sterke variant. Deze stelt dat de prijzen op de markt zelfs voorkennis incorporeren en reflecteren. De achterliggende gedachte is dat actoren onmiddellijk zullen handelen op basis van voorkennis waardoor de prijs daalt of stijgt en weer in overeenstemming is met de “juiste” prijs. Allicht kan deze sterke variant niet bestaan in een wereld waar wetten handel met voorkennis verbieden tenzij deze wetten structureel worden genegeerd. Overigens dient te worden opgemerkt dat zelfs in een dergelijke maatschappij er beleggers kunnen zijn die structureel hoger dan de markt zullen presteren. Er is immers bij een normale verdeling van de rendementen -zoals efficiëntietheorie dicteert- altijd een klein aantal personen dat zich in de (positieve) staat van de verdeling bevindt. Dit verschijnsel is an sich geen tegenbewijs voor de mogelijkheid van het bestaan van een sterke variant van de EMH.

Nu weer even terug naar behavioural finance. Bovenstaande theorie biedt geen verklaring voor het bestaan van irrationaliteit, omdat zij ervan uitgaat dat de marktprijs van een effect de invloed van alle relevante informatie weerspiegelt. Hier komt behavioural finance om de hoek kijken. Behavioral finance bestudeert namelijk hoe mentale tekortkomingen, emoties en ander menselijk gedrag financiële beslissingen en financiële markten beïnvloedt.

Daniel Kahneman and Amos Tversky, beide psychologen, kunnen worden beschouwd als de vaders van behavioural finance. Sinds de jaren ’60 hebben zij meer dan 200 artikelen gepubliceerd over dit onderwerp. Behavioural finance stelt dat mensen en financiële markten soms irrationeel handelen en dat dit een langere periode kan aanhouden. Sinds de jaren ’90 is de belangstelling voor behavioural finance steeds verder toegenomen. Dit blijkt onder meer uit de toekenning van de Nobelprijs voor economie in 2002 aan Daniel Kahneman. Kahneman en Tversky hebben veel onderzoek gedaan naar de cognitieve vooroordelen en heuristieken die ervoor zorgen dat beleggers onverwacht irrationeel gedrag vertonen.

Behavioral finance onderscheidt diverse anomalieën in gedrag in een poging om een verklaring voor irrationaliteit te geven. Denk daarbij aan zaken als selectief geheugen waarbij ‘verkeerde’ beslissingen vergeten worden en verliesaversie waarbij beleggers onwillig zijn om een verlies te nemen hoewel dit objectief bezien wel een correcte beslissing zou zijn.

Wie heeft er in dit debat gelijk? Eigenlijk is het antwoord momenteel onmogelijk te geven. Hoewel het belang van behavioural finance niet moet worden onderschat, krijgt het ook stevige kritiek. Het is niet verwonderlijk dat eerder genoemde professor Fama één van de meer vooraanstaande critici is behavioural finance. Hij stelt dat, zelfs al zijn er enkele afwijkingen die niet verklaard kan worden door de moderne financiële theorie, de EHM niet volledig moet worden verlaten ten gunste van behavioral finance.

Hij merkt op dat veel van de afwijkingen in de conventionele theorieën kunnen worden beschouwd als kortetermijn toevalligheden die op de lange termijn worden gecorrigeerd. In een paper uit 1998, getiteld “Market Efficiency, Long-Term Returns And Behavioral Finance”, stelt Fama dat veel van de bevindingen in behavioral finance met elkaar in tegenspraak lijken te zijn. De conclusie is dat behavioral finance als totaal beschouwd mogelijkerwijs een verzameling is van anomalieën die verklaard kan worden door de marktwerking.

Het lijkt vooralsnog nuttig om te stellen dat beide theorieën hun merites hebben. Misschien is het inderdaad zo dat EHM op de lange termijn dominant is maar dan nog is het nuttig om te weten wat voor anomalieën we kunnen verwachten op kortere termijnen. Wellicht publiceert een briljante geest ooit eens een paper die beide stromen verenigt. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat we nog niet alle geheimen van de financiële markten kennen.

De financiële sector houdt de gemoederen de afgelopen jaren lekker bezig. Er is een financiële crisis, we hebben een aantal staatsbanken en de economie loopt niet geheel zoals we prettig vinden. Tegen deze achtergrond heeft de Commissie Structuur Nederlandse banken (Commissie Wijffels) onderzoek verricht naar de bankensector en tal van aanbevelingen gedaan. Deze bankenvisie van het kabinet is daar een reactie op. In de visie reageert het kabinet op recente aanbevelingen van de Commissie Wijffels en doet het een reeks beleidsvoorstellen. In de hoofdlijnen van het beleid neemt het kabinet de aanbevelingen van de Commissie mee. In een vijftal paragrafen wordt de toekomst van de bankensector van Nederland geschetst. Hieronder volgt een beknopte bespreking van de grootste veranderingen welke in de pijplijn zitten. Overigens gelden tal van wijzigingen niet slechts voor banken maar ook voor andere financiële instellingen zoals verzekeraars en investment firms.

Solide bankensector:
Hoewel het kernkapitaal sinds 2008 is toegenomen, is deze toename in procenten van het risicogewogen balanstotaal vooralsnog beperkt. De kapitaaleisen van banken zullen verder omhoog gaan waardoor er een grotere financiële buffer wordt aangelegd. Dit gebeurt onder meer door implementatie van de CRD IV Richtlijn (Richtlijn nr. 2013/36/EU) en CRR Verordening (Verordening (EU) nr. 575/2013). CRD is een richtlijn welke onder meer ziet op kapitaalbuffers voor systeemrelevante instellingen. CRR is een verordening welke ziet op het prudentieel toezicht op banken.

Daarnaast zal ook de balans van de bank nog verder worden aangepakt middels vereisten aan de leverage ratio en het opschonen van de bankbalansen. De leverage ratio is de verhouding tussen het eigen vermogen en het totaal vermogen. In Nederland zullen we in aanvulling op de Basel III eisen hogere risicogewogen kapitaaleisen worden geïntroduceerd voor systeemrelevante instellingen. Hierdoor zullen de grootste systeemrelevante instellingen in Nederland per 2018 een risicogewogen kapitaaleis kennen van 10-12,5% aan kernkapitaal. In samenhang daarmee acht het kabinet het wenselijk ook een hogere leverage ratio van minimaal 4% na te streven. Daarnaast bepaalt de CRR dat de Europese Commissie op basis van de evaluatie van de leverage ratio door de European Banking Authority (EBA) in 2016 met een voorstel komt voor de leverage ratio. Er zijn nog enkele onduidelijkheden hieromtrent welke in de toekomst nader zullen moeten worden uitgewerkt.

Prioriteit komt momenteel bij het opschonen van de bankbalansen. Er moet in heel Europa een grondige analyse plaatsvinden van de bankbalansen. Indien blijkt dat grote verliezen moeten worden genomen, volgt verplichte herkapitalisatie zo snel mogelijk. Herkapitalisatie dient daarbij via private geldstromen plaats te vinden.

Effectief toezicht:
Toezichthouders (in Nederland De Nederlandsche Bank en Autoriteit Financiële Markten) moeten sneller kunnen ingrijpen. Het is van belang dat er maatregelen worden genomen die de beschikbaarheid van kritieke functies (zoals het betalingsverkeer, beheer van spaargelden en kredietverlening) waarborgen en risico’s voor de belastingbetaler en de stabiliteit van het financiële systeem beperken. In samenwerking met DNB moeten banken daarom werken aan het opstellen van herstel- en afwikkelplannen. Deze beschrijven welke maatregelen banken, DNB en de minister van Financiën kunnen nemen wanneer een instelling in zwaar weer komt te verkeren. Deze plannen zijn de zogeheten ‘living wills’.

Gezien de internationale focus en schaal van sommige banken in verhouding tot de Nederlandse economie, wil het kabinet naar een oplossing op Europees niveau. Het kabinet zet zich actief in voor een Europese bankenunie, die in ieder geval moet bestaan uit Europees bankentoezicht, geharmoniseerde prudentiële toezichtregels (single rulebook) en een Europees resolutiemechanisme, met als sluitstuk een Europees depositogarantiestelsel. Het kabinet erkent echter dat ook aan een Europese bankenunie risico’s kleven.

Om de risico’s voor de belastingbetaler bij een faillissement te beperken, zal het zogeheten ‘bail-in’principe leidend worden. Dit betekent dat de rekening wordt neergelegd bij crediteuren en aandeelhouders na afboeking van het eigen vermogen. Hoe dit ongeveer werkt, hebben we bij SNS reeds kunnen zien.

Open bankensector:
Het kabinet wil concurrentie in de bankensector bevorderen. Hiertoe moeten onder meer toetredingsbarrières worden geslecht. Het kabinet hoopt daarnaast dat een bankenunie de toetreding van buitenlandse banken op de Nederlandse markt vergemakkelijkt. Ook ondersteunt het kabinet alternatieve financieringsvormen zoals crowdfunding. Ten slotte is het kabinet van mening dat ABN Amro en SNS moeten worden verkocht zodra de marktomstandigheden dit toelaten.

Integere bankensector:
Via een verzameling maatregelen wil het kabinet de integriteit van bestuurders en werknemers in de financiële bevorderen en buiten kijf stellen. De screening wordt uitgebreid van bestuurders naar werknemers welke binnen de financiële instelling verantwoordelijk zijn voor risicovolle transacties.

Ook wordt de reikwijdte van de zogenaamde bankierseed uitgebreid. Ook medewerkers met klantcontact en medewerkers die het risicoprofiel van de financiële onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden, moeten in het vervolg de eed of belofte afleggen. In het verlengde hiervan zou ook tuchtrecht voor bankiers moeten worden opgetuigd. Het kabinet ziet dit bij uitstek als een taak voor de sector zelf.

Ook moet het beloningsbeleid verder worden versoberd zodat risicovol gedrag niet aangemoedigd wordt en de loonkosten van banken naar beneden gaan. Bestaande regelgeving wordt daartoe geharmoniseerd. Nieuw is de beoogde introductie van het in het in regeerakkoord opgenomen bonusplafond van 20% voor personen werkzaam in de financiële sector.

Klant centraal:
Consumenten moeten een goede, objectieve afweging kunnen maken bij het aanschaffen van een financieel product. Daarom moeten financiële producten begrijpelijk zijn. Het kabinet onderzoekt onder meer of de introductie van standaardproducten daaraan zou kunnen bijdragen waarbij het wel de observatie plaatst dat dit op gespannen voet staat met het leveren van maatwerk voor een klant.

Conclusie:
In een dertigtal pagina’s worden vrij veel plannen van het kabinet voor de financiële sector besproken. Sommige plannen zijn nuttig, bij andere aspecten vallen wel een aantal kanttekeningen te plaatsen. Het herijken van de balansen en het verhogen van de leverage ratio zorgt er voor dat banken een groter buffervermogen hebben om klappen op te vangen. Het opschonen van de bankbalansen is an sich een nuttig streven. De vraag is daarbij wel wie bepaalt wat en wanneer als een verlies moet worden aangemerkt. Dit is echter meer iets van praktische aard.

De gewenste Europese bankenunie is iets waar wel heel zorgvuldig naar moet worden gekeken. Door de komst van de euro is het al niet langer mogelijk om een eigen monetair beleid te voeren. De Europese Unie is bepaald geen optimum currency area en we kunnen dan ook moeilijk flexibel reageren op invloed van buitenaf. Een Europese bankenunie betekent dat je ook de controle over de eigen financiële sector permanent opgeeft. De introductie van de euro heeft veel meer gevolgen gehad dan zelfs de grootste sceptici destijds voorzien hebben. Er is geen enkele garantie dat met een bankenunie niet hetzelfde gebeurt. Het zou daarom goed zijn om af te vragen of het kabinet wel een Europese bankenunie moet willen nastreven.

Het ontstaan van ‘living wills’ en het bail-in principe bij faillissement is eigenlijk al oud nieuws, het laatste hebben we zelfs al in actie gezien bij de nationalisatie van SNS Reaal. Het streven naar een open financiële sector is mooi maar Nederland de vraag is of Nederland momenteel gezien de stand van zaken (relatief kleine markt, hoge hypotheekschulden etc.) interessant genoeg is voor buitenlandse banken. Eén Europese bankenunie zou echter wel zonder meer de toegang tot de markt vergemakkelijken.

Tuchtrecht is een intrigerende nieuwe ontwikkeling. De huidige beroepsgroepen als artsen, notarissen en advocaten zijn vrij duidelijk gedefinieerd en het is daarom gemakkelijk vast te stellen of iemand onder het tuchtrecht valt of niet. Bij een financiële instelling zal daar nu nog naar moeten worden gekeken wie er onder het tuchtrecht komen te vallen. Het zal daarbij met name gaan om bestuurders, bankiers die het risicoprofiel van de instelling kunnen beïnvloeden en enkele supportafdelingen zoals in-house juristen. Het zal immers weinig toegevoegde waarde hebben om de schoonmakers van de financiële instelling ook onder een dergelijk tuchtrechtelijk regime te plaatsen, die hebben immers geen plaats in de beslissingsketen. Ook zal er moeten worden nagedacht over toepasselijke straffen. Hoewel het kabinet te kennen geeft dat zij dit als een taak voor de sector zelf ziet, zal ze het zonder meer van dichtbij en nauwlettend volgen. Ik ben zonder meer benieuwd hoe dit proces zal gaan lopen.

Ten aanzien van het bonusbeleid wordt een cap van 20% ingesteld. Nederland zal hier wel zonder meer mee moeten oppassen dat we ons als land niet uit de markt prijzen. Niet alleen slechte bestuurders krijgen hoge beloningen, hetzelfde geldt voor de goede bestuurders. Wanneer men op een dergelijk niveau werkzaam is, zijn landsgrenzen over het algemeen geen barrière. Het kan dan aantrekkelijker zijn om in een ander land te gaan werken. Bovendien zal talent wat in Nederland zich ontwikkelt ook snel naar het buitenland vertrekken. Dat betekent echter niet dat het bonusgedrag niet aan banden zou moeten worden gelegd. Aandacht voor de doelmatigheid van maatregelen is simpelweg altijd nodig om te voorkomen dat je het doel voorbij schiet of het doel helemaal niet gaat halen.

Een groot deel van deze plannen zal de komende jaren pas gestalte gaan krijgen. De ervaring leert dat het erg lastig is in te schatten hoe de wereld er tegen die tijd voor staat. Het zal interessant zijn om te zien hoe we over een paar jaar tegen de materie aankijken en hoeveel er van deze plannen daadwerkelijk is gerealiseerd.

Bron:
Kabinetsvisie Nederlandse bankensector

App: Google Search
Prijs: Gratis
Ontwikkelaar: Google
Taal: Nederlands/Engels
Versie iOS: 3.01
Ontwikkeld voor: iPhone, iPad, vrijwel alle Android Devices
Korte omschrijving: Zoek snel en eenvoudig met de Google Zoeken-app. Ontvang met Google Now precies de juiste informatie op precies het juiste moment

De Google Search-app doet veel meer dan alleen zoeken. Naast directe toegang tot de Google zoekmachine middels toetsenbord of gesproken invoer krijg je ook de beschikking over Google Now. Dit is een soortement van digitale persoonlijke assistent die je op het juiste moment van de juiste informatie voorziet.

Interface:
De interface is gebouwd op de beginselen van Google’s zogeheten Holo design language. Bovenaan staat de Google zoekbalk tegen een achtergrond welke met de tijd van de dag mee verandert. Daaronder staan de kaarten waarin de informatie van Google Now wordt gepresenteerd.

Google-Now-introscherm

De interface is opgebouwd om de informatie die je van Google krijgt in één oogopslag te presenteren. De kaarten van Google Now laden snel en presenteren de informatie overzichtelijk. Kaarten met informatie die je op dat moment niet nodig hebt, kun je met een veegbeweging naar rechts verwijderen. Ze zullen pas weer verschijnen op het moment dat er nieuwe informatie beschikbaar komt. Google heeft goed nagedacht over de constructie van de app. Als je bijvoorbeeld helemaal naar beneden bent gescrold en je wilt wat opzoeken, dan hoef je slechts een klein stukje omhoog te scrollen en de zoekbalk verschijnt direct. Zo hoef je niet een heel eind terug te scrollen naar boven als je naar aanleiding van informatie op een kaart wat op wilt zoeken. Het is tevens opvallend hoe soepel de interface reageert. Zelfs bij snel scrollen vertraagt het proces niet.

Het gebruik:
De app start op alle geteste platforms snel op. Zelfs op een iPod touch van de vierde generatie is er nauwelijks vertraging merkbaar. Ook in het (cache-)geheugen neemt de app weinig ruimte in. De app is niet eenmaal gecrasht of vastgelopen, zowel op Android als op iOS, ondanks meerdere bewuste pogingen om dit toch voor elkaar te krijgen. Met de stabiliteit heeft Google dus goed werk geregeld.

Het zoeken werkt exact zoals je zou verwachten. Vrijwel iedereen zal Google kennen en het zoeken met de app werkt op exact dezelfde manier. Je kunt zoekopdrachten invoeren zowel middels toetsenbord als spraak.

Aparte vermelding verdient Google Now. Het is de digitale assistent van Google die je gehele leven organiseert. Er is veel software verkrijgbaar voor verschillende platforms die vergelijkbare functionaliteit kent. Zo heeft Apple al sinds de introductie van iPhone 4S SIRI en heeft Samsung S Voice gelanceerd met de introductie van de Galaxy S3. Dergelijke toepassingen zijn echter beperkt tot hun specifieke handsets/platforms terwijl dat bij Google Now niet het geval is. Daarnaast voorziet Google Now je ook actief van informatie, iets wat de andere twee toepassingen niet doen.

Dit werkt behoorlijk goed. Google zal op basis van je agenda bepalen dat je een X minuten reistijd nodig hebt met een X vervoermiddel en je waarschuwen als het tijd wordt om te vertrekken. Je kunt daarbij specificeren of je met auto reist of met OV. Je krijgt ook dingen als weerberichten, koersen, uitslagen van sport etc. Wat Google Now bij tijd en wijle erg nuttig maakt is de contextgevoeligheid. Zo krijg je bij een station te zien hoe laat welke treinen vertrekken, je krijgt aanbevelingen voor restaurants en kroegen in de buurt en de mogelijkheid om direct een route naar het desbetreffende etablissement te plannen.

Google Now is echter nog wel erg geconcentreerd op de V.S. Zo zijn Voice Commands nog niet beschikbaar in het Nederlands en functioneren ze om de één of andere reden niet als je de taalinstellingen van je toestel op Nederlands staan. Ook zijn Nederlandse beurskoersen en sportuitslagen vrijwel non-existent. Google is echter wel behoorlijk bezig om aan de weg te timmeren.

Conclusie:
Google Search is een goede app met enkele nuttige functionaliteiten. Het is jammer dat Google Now nog erg gefocust is op de V.S. maar de informatie die beschikbaar is, is correct. Het is te hopen dat Google snel ook alle functies in Nederland beschikbaar maakt. Tot die tijd is het instellen van dingen als een timer middels mondelinge commando’s slecht mogelijk als je alle taalinstellingen op Engels zet.

De app zit goed in elkaar en is stabiel en intuïtief te bedienen. De resultaten zijn goed zoals we verwachten van de Google zoekmachine. Het is dan ook zeker aanbevolen om deze app eens te proberen.