Inbraken zijn altijd vervelend. Er is een ander in je huis geweest, alles is overhoop gehaald en je hebt veel schade. Voor de materiële aspecten van een inbraak ben je vaak verzekerd. Er zijn echter wel grenzen aan een verzekeringspolis, er is immer ook nog zoiets als eigen verantwoordelijkheid. Dat onzorgvuldigheid je duur kan komen te staan, ondervond eiser in onderhavige zaak.

De feiten:
Eiser heeft een autoverzekering afgesloten bij Unigarant. Op 19 oktober 2009 is er ingebroken in de woning van eiser. Er zijn diverse voorwerpen gestolen waaronder de autosleutels. De auto, die voor het huis stond, is ook gestolen.

De dader is vermoedelijk binnengekomen via de schuifpui aan de achterzijde. Deze was wel dichtgeschoven, maar niet afgesloten. Het hout van de schuifpui was verrot en daardoor was de schuifpui verzakt. Als gevolg daarvan kon de schuifpui alleen op slot als de pui door 2 personen werd opgetild en dan op slot werd gedaan.

De overwegingen en het oordeel:
De rechter start met de constatering dat het geschil draait om de vraag of Unigarant gehouden is om dekking te verlenen onder de verzekeringsovereenkomst, uitgaande van het aan [eiser] verstrekte polisblad en de wettelijke bepalingen van het verzekeringsrecht. Unigarant stelt dat eiser roekeloos heeft gehandeld in de zin van artikel 7:952 BW door de schuifpui van zijn woning niet op slot te doen, ten gevolge waarvan de autosleutels gestolen zijn en de auto is gestolen.

De term roekeloosheid houdt hetzelfde in als het door de Hoge Raad geformuleerde begrip grove schuld: een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld. Hieronder dienen zowel bewuste als onbewuste roekeloosheid te worden begrepen. Bij onbewuste roekeloosheid is de verzekerde zich niet bewust geweest van de aanmerkelijke kans op schade die het gevolg van zijn handeling kan zijn, maar had hij zich hier wel bewust van behoren te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat eiser op zijn minst onbewust roekeloos heeft gehandeld door de schuifpui niet op slot te doen. Eiser had zich er van bewust moeten zijn dat het niet afsluiten van de pui een aanmerkelijke kans op inbraak met zich meebracht omdat dieven eenvoudig de woning konden betreden en de autosleutels, die zichtbaar op de bar van de keuken van de woning lagen, konden meenemen. Dit is bijzonder onzorgvuldig gezien het feit dat de schuifpui met enige moeite wel degelijk af te sluiten was.

Omdat het niet afsluiten van de schuifpui een belangrijke bijdrage leverde aan het feit dat de auto is gestolen, hoeft Unigarant de schade niet te vergoeden. De vordering wordt dan ook afgewezen.

Conclusie:
Gezien het verzekerde bedrag van de auto (ca. € 36000,-) was het wellicht voor eiser de moeite waard om een proces te starten. Aan de andere kant viel waarschijnlijk van tevoren wel te verwachten dat deze claim afgewezen zou worden omdat de schuifpui niet afgesloten was. Daarmee heeft eiser toch wel zeer onzorgvuldig gehandeld te meer daar de schuifpui met enige moeite gewoon afgesloten kon worden.

Eiser heeft zelf gewoon gedacht dat het zo’n vaart niet zou lopen mede omdat de buurt niet inbraakgevoelig was [ro. 4.3]. Dit verschijnsel wordt ook wel moral hazard/ moreel risico genoemd. Het is eigenlijk een begrip met een economische achtergrond dat verwijst naar veranderingen in het gedrag van partijen indien zij niet direct risico lopen voor hun daden. Dit treedt veel op bij verzekeringen aangezien verzekerden over het algemeen eerder bereid zijn om risico te lopen, dan onverzekerden die eventuele schade voor eigen rekening moeten nemen. Iemand die van tevoren weet dat hij zelf de schade van diefstal van de auto moet dragen zal zijn autosleutels zorgvuldig opbergen en niet in het zicht achter een niet afgesloten pui laten liggen.

Er is verzekeraars veel aan gelegen om goed gedrag bij mensen te stimuleren. Een voorbeeld hiervan is no-claim korting die financieel voordeel oplevert op het moment dat iemand schadevrij rijdt. De wetgever erkent allicht ook het risico van dergelijk gedrag en zorgt er feitelijk voor dat je verzekering waardeloos is op het moment dat je je roekeloos gedraagt. Als dit niet zou gebeuren dan zou immers het einde zoek zijn, de kosten tengevolge van onzorgvuldig en nonchalant gedrag zouden immers de pan uitrijzen.

Overigens heeft de gok om toch een proces te starten eiser nu nog meer kosten bezorgd. Als in het ongelijk gestelde partij wordt hij namelijk ook nog veroordeeld in de kosten van het geding en krijgt daarmee een rekening van bijna € 3000,-

Bron:
LJN: CA3214, Rechtbank Den Haag

Tot de meest lastige vragen in de inkomstenbelasting kan de kwalificatie van een feitencomplex binnen het boxenstelsel zijn. In onderhavige zaak gaat het om de doorverkoop van een pand. De te beantwoorden vraag is of dit gezien moet worden als resultaat uit overige werkzaamheden en de winst dus belast moet worden in box 1 of dat het pand in box 3 valt en de winst derhalve “onbelast” is.

De feiten:
Belanghebbende huurde het winkelgedeelte van een pand. Het winkelgedeelte werd gehuurd van de eigenaresse van het pand. Zij woonde destijds in het boven de winkel gelegen appartement/woonhuis. Er is sprake van een juridisch niet gesplitst pand. Belanghebbende had meerdere malen gesproken met eigenaresse over een mogelijke aankoop van het pand, mede omdat hij met zijn gezin graag boven de winkel wilde wonen. Uiteindelijk zijn verkoopster en belanghebbende mondeling een recht van eerste koop van het pand door belanghebbende overeengekomen.

Toen eigenaresse tot verkoop overging kreeg ontving de man op 18 april 2006 een aanbod dat hij twee dagen later mondeling accepteerde. Gedurende die twee dagen voerde belanghebbende gesprekken over de financiering en bezocht hij het pand eerst met een makelaar en vervolgens ook met een bouwkundige/aannemer.

Op 20 april 2006 heeft belanghebbende zonder enig voorbehoud het aanbod van de verkoopster aanvaard. Nadat belanghebbende het pand had aangekocht is hem gebleken dat de bank niet bereid was hem het geld te lenen wat nodig was voor de aankoop en renovatie van het pand. Belanghebbende heeft vervolgens zijn makelaar verzocht te bezien of het mogelijk was het pand door te verkopen.

Dat lukte en op 16 mei is vervolgens een verkoopovereenkomst met een derde gesloten. Het pand werd aan belanghebbende geleverd op en door belanghebbende doorgeleverd op 31 mei. Met de doorverkoop heeft belanghebbende een voordeel van € 250000,- behaald.

Het geschil:
In geding is of deze handelswijze door verdachte gekwalificeerd moet worden als resultaat uit overige werkzaamheden (row).

Het rangordestelsel en relevante regelgeving:
Alvorens we naar de zaak gaan kijken is een kleine introductie tot de rangorderegeling en relevante regelgeving op zijn plaats. Belastingheffing is in Nederland over 3 boxen verdeeld. Om te voorkomen dat bepaalde inkomsten in meerdere boxen worden belast, is er een rangorderegeling. De volgorde om inkomsten te belasten is dwingend in de wet opgenomen. Als een inkomens- of vermogensbestanddeel in meer boxen zou kunnen worden belast, moet deze worden opgenomen in de eerst aangewezen box. De rangorderegeling is neergelegd in artikel 2.14 IB. We moeten achtereenvolgens box 1, 2 en 3 doorlopen waarbij 3 geldt als een ‘restbox’

De vraag is nu of de doorverkoop moet worden gezien als resultaat uit overige werkzaamheden onder artikel 3.90 juncto artikel 3.91, lid 1, onderdeel c IB 2001 tot het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden mede behoort het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken, het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak, of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis.

Als dit niet aannemelijk wordt gemaakt dan zal het behaalde resultaat in box 3 vallen en is derhalve “onbelast”.

Het begrip normaal, actief vermogensbeheer is net zoals het begrip goed koopmansgebruik een open norm welke ingevuld wordt door de rechtspraak en maatschappelijke normen. De rechtspraak heeft zelf toetsingscriteria gecreëerd waaraan kan worden getoetst of de bewuste activiteit als normaal vermogensbeheer of meer dan dat kan worden beschouwd. De rechter maakt deze afweging bij ieder individueel geval opnieuw. Hierbij is het belang dat aan ieder kenmerk van het beheer een ander gewicht wordt toegekend, afhankelijk van de dan spelende feiten en omstandigheden. De jurisprudentie kijkt grofweg naar de aard en omvang van de activiteiten, het beoogd rendement en risico en ten slotte de wijze van samenstelling en omvang van het vermogen moeten meewegen in het oordeel over normaal vermogensbeheer (H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, Deventer, Kluwer 2007)

Overwegingen en oordeel:
Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende over de grenzen van normaal, actief vermogensbeheer is gegaan, is van belang of hij streefde naar een vermogenswinst die niet iedere belegger ten deel zou vallen, en dit voordeel bij de aankoop van het pand ook redelijkerwijze voorzienbaar was. De Inspecteur heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het perfect worden van de koopovereenkomst het voornemen had om het pand door te verkopen teneinde een voordeel te behalen.

De activiteiten van belanghebbende tussen het aanbod tot koop van het pand en het moment van perfect worden van de koopovereenkomst bestaande uit gesprekken met de bank, makelaar en een aannemer, zijn niet ongebruikelijk voor de aankoop van een voor eigen gebruik bestemd woon-winkelpand. Daaruit is niet de gevolgtrekking te maken dat aannemelijk is dat belanghebbende ten tijde van de aankoop de intentie tot doorverkoop had.

De Inspecteur heeft niet voldaan aan zijn bewijslast, derhalve wordt de navorderingsaanslag vernietigd.

Conclusie:
Deze uitspraak geeft een uitstekende illustratie over hoe de scheidslijn tussen row en box 3 zoals neergelegd in 3.91 lid 1 onderdeel c in de praktijk werkt. De fiscus zal aannemelijk moeten maken dat belanghebbende buiten de grenzen van normaal, actief vermogensbeheer is getreden. Belanghebbende zal aannemelijk moeten maken dat hij dit niet heeft gedaan.

Binnen het kader van de hierboven geschetste lijnen in de jurisprudentie zou ik dit kwalificeren als rechtspraak welke betrekking heeft op het beoogd rendement en risico nu aannemelijk gemaakt moest worden dat belanghebbende al op het moment van aankoop van plan was het pand met winst door te verkopen.

Gezien het feit dat het begrip normaal, actief vermogensbeheer een open norm is en de veelheid aan mogelijke variërende feitencomplexen, zullen hier nog talloze vonnissen en arresten over worden gewezen. Dat betekent ook dat de fiscale rechtspraktijk iedere dag iets nieuws biedt voor degene die daarvan houdt.

Bron:
LJN: CA2188, Gerechtshof Den Haag

De kwestie van het opvolgend werkgeverschap in faillissementssituaties is gecompliceerde materie waarbij de werkgever soms op zijn hoede dient te zijn voor ‘ex-werknemers’ en de werknemer op dient te letten wat voor arbeidsovereenkomst hij eigenlijk heeft. Onderwerp van discussie kan zijn welke arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn, het effect op de hoogte van een ontslagvergoeding na doorstart en of het gaat om een tijdelijke of vaste overeenkomst. Deze laatste vraag is in onderhavige zaak aan de orde.

Faillissement en arbeidsovereenkomsten:
Normaliter gaan bij de overname van een onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege over op de verkrijger van die ondernemer ingevolge artikel 7:663 BW. Dit is echter anders indien de onderneming failliet wordt verklaard en de onderneming tot de boedel behoort. Artikel 7:666 BW stelt dat in een dergelijk geval artikel 7:663 BW niet van toepassing is.

Een faillissement gaat geregeld gepaard met een doorstart van de onderneming waarbij vaak een substantieel deel van de onderneming, waaronder werknemers, wordt overgenomen. Een werknemer krijgt dan een nieuw arbeidscontract aangeboden. Voor de vraag of dit een overeenkomst van bepaalde dan wel onbepaalde tijd is, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van opvolgend werkgeverschap. Daarvoor is op basis van arresten HR 11 mei 2012 LJ: BV9603 en HR 25 mei 2012, LJN:BV9601 nodig dat kennis van de oude werkgever aan de nieuwe werkgever kan worden toegerekend.

De feiten:
Werkneemster was in dienst van Confesso B.V. welke failliet ging. Na het faillissement vond een doorstart plaats na een overname van bedrijfsactiviteiten door TMI B.V. Na het faillissement heeft een werkneemster een jaarcontract gekregen. Dat wordt niet verlengd. Eiseres betoogt dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft omdat er sprake is opvolgend werkgeverschap en vordert doorbetaling van haar loon vermeerderd met de gebruikelijke posten.

Onderbouwing eis:
Eiseres stelt dat de financiële situatie van Confesso een overname noodzakelijk maakte. TMI wilde Confesso graag overnemen, omdat zij niet beschikte over een eigen ambulancedienst. De loonkosten bij Confesso waren hoog, zodat een faillissement van Confesso BV is aangevraagd om de werknemersbescherming bij overgang van ondernemingen te omzeilen.

Voor de doorstart is overleg geweest tussen de directies van de ondernemingen waarin de overname van de planners van het ambulancepersoneel besproken. Hierdoor verkreeg TMI BV vóór de overname wetenschap van de competenties en vaardigheden van eiseres. Voorts had TMI BV vanaf 12 maart 2012 feitelijk de beschikking over het personeelsdossier van eiseres.

Na de overname maar vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst zijn met eiseres een tweetal sollicitatiegesprekken gevoerd. Ook zijn de werkzaamheden die voor TMI in de vestiging van Confesso uitgevoerd en zijn de werkzaamheden voor TMI nagenoeg hetzelfde als voor Confesso. Ook de salariëring en werktijden zijn bij indiensttreding niet gewijzigd.

Onderbouwing verweer:
TMI en Confesso waren concurrenten. Voorafgaand aan het faillissement van Confesso is er op directieniveau geen contact tussen beide vennootschappen geweest. Ook heeft TMI voorafgaand aan het faillissement met Confesso geen onderhandelingen over een doorstart gevoerd. Eind februari 2012 raakt in de markt bekend dat voor Confesso faillissement is aangevraagd waarop TMI met de curator van Confesso contact heeft gezocht en vervolgens onderhandeld over een doorstart.

Na de gesprekken heeft TMI direct aan alle planners van de ambulanceafdeling, waaronder [eiseres], een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar aangeboden. Dit aanbod is gedaan vanwege hun functie van planners in de door TMI BV gewilde dienst van ambulancevervoer. Op het moment van het doen van het aanbod kende de directie van TMI de planners niet en had zij geen inzicht het functioneren van de planners. Dit wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van de toenmalig HR manager van Confesso.

Eiseres heeft op 12 maart 2012 de nieuwe arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar aanvaard waarna slechts nog een kennismakingsgesprek en een arbeidsvoorwaardengesprek plaatsgevonden. Er zijn nooit sollicitatiegesprekken met eiseres gevoerd. TMI heeft pas vanaf 26 maart 2012 inzicht gekregen in het personeelsdossier van eiseres. Voordien had zij geen inzage noch het recht daartoe.

Beoordeling van het geschil:
De kantonrechter stelt voorop dat uit de eerder genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger te zijn van de vorige werkgever in de regel zal zijn voldaan indien:

  1. enerzijds de nieuwe arbeidsovereenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige arbeidsovereenkomst, en
  2. anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.

Partijen zijn het er over eens dat aan het eerste vereiste is voldaan nu de nieuwe arbeidsovereenkomst met TMI dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheid eist als de vorige arbeidsovereenkomst met Confesso.

Voor het tweede criterium komt het er vooral op aan eiseres stelt en bij betwisting bewijst dat TMI bij het totstandkomen van de arbeidsovereenkomst inzicht had in de hoedanigheden en geschiktheid van eiseres of dat TMI in enig opzicht heeft getracht misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen haarzelf en Confesso.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van TMI is onvoldoende aannemelijk geworden dat er tussen TMI en Confesso zodanige banden (hebben) bestaan dat de kennis en het inzicht van Confesso aan TMI moet worden toegerekend. Er is derhalve geen sprake van opvolgend werkgeverschap. De vordering wordt derhalve afgewezen.

Conclusie:
Wellicht is de strijd nog niet gestreden. In een bodemprocedure is plaats voor een diepgravender feitenonderzoek wat wellicht andere resultaten zal opleveren. Als de in dit vonnis besproken bewijsmiddelen representatief zijn voor de situatie dan is een andere uitkomst onwaarschijnlijk nu TMI haar verhaal kan staven met onder meer een verklaring van de toenmalig HR Manager van Confesso alsmede een email van de toenmalig directeur van Confesso aan klanten dat er werd gesproken met Highcare (een andere mogelijk geïnteresseerde) over een mogelijke overname.

Deze zaak geeft overigens ook aan waarom het prettig is voor een overnemende partij als er een faillissement aan te pas komt, in een dergelijk geval kan er namelijk gestart worden met een schone lei omdat de gebruikelijke bepalingen omtrent de overnames, waaronder de overgang van arbeidsovereenkomsten, niet gelden. Op deze hoofdregel gelden overigens nog wel veel uitzonderingen waarvan opgevend werkgeverschap er eentje is. Andere uitzonderingen zijn onder meer de toepasselijkheid van dezelfde arbeidsvoorwaarden en het meetellen van opgebouwde dienstjaren vóór het faillissement bij het bepalen van de hoogte van een ontslagvergoeding. Er kan dus zeker niet worden gesproken van het zonder meer starten met een schone lei.

Dit soort vorderingen komt regelmatig langs bij de kantonrechter en dit zal ook zeker niet de laatste keer zijn. Deze uitspraak moet dan ook zeker niet als uniek of van groot belang voor rechtsontwikkeling worden gezien. Wel geeft deze uitspraak een aardige illustratie van wat men tegen kan komen in de arbeidsrechtpraktijk.

Bron:
LJN: CA1389,Sector kanton Rechtbank Amsterdam

Als je een huis wilt dan onderscheiden velen twee keuzes: je kunt kopen of huren. Er is echter nog een andere optie. Anno 2013 zijn er nog steeds veel huizen in Nederland die niet op eigen grond staan maar waar de grond in erfpacht is uitgegeven. Het grote probleem met erfpacht is dat er regelmatig een zogeheten canon moet worden betaald. Over deze canon, meer specifiek de verhoging ervan, heeft de rechtbank in Amsterdam een belangrijke uitspraak gedaan.

Erfpacht:
Voordat we verdergaan met de rechtszaak, besteed ik eerst een korte paragraaf aan het verschijnsel erfpacht. Dit is namelijk een bijzonder recht wat nergens anders ter wereld in deze vorm voorkomt (wel zijn er gelijkende varianten vindbaar in bijvoorbeeld Belgie).

Erfpacht doet denken aan pacht zoals de naam al doet vermoeden. Artikel 5:85 lid 1 BW definieert erfpacht als een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken.

Pacht is een overeenkomst waarbij agrarische gronden, al dan niet met de op die grond staande ‘hoeve’, viswater of een veer of andere openbare dienst door de eigenaar (verpachter) in gebruik wordt gegeven aan de pachter. De opbrengst van het verpachte goed of de verpachte dienst komt de pachter toe. Erfpacht is een zakelijk recht waarbij de pacht niet eindigt als de verpachter sterft. Daarnaast heeft de erfpachter een zeer sterke rechtspositie ten aanzien van het gepachte. De erfpachter is in economisch opzicht de facto gelijk aan de eigenaar. Dit volgt zelfs expliciet uit artikel 5:89 lid 1 BW waar staat dat voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, de erfpachter hetzelfde genot van de zaak heeft als een eigenaar.

De erfpacht kan ingevolge artikel 5:86 BW voor bepaalde of voor onbepaalde duur worden geregeld in de akte van vestiging. In de praktijk wordt grond in erfpacht gegeven voor vrij lang periodes van 49 of 99 jaar of zelfs eeuwigdurend.

Een dergelijke hoeveelheid rechten voor de pachter is echter niet gratis. Er kan, en wordt altijd, in de akte van vestiging aan de erfpachter de verplichting worden opgelegd aan de eigenaar op al dan niet regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom – de canon – te betalen.

Deze canon heeft vaak jarenlang vastgestaan waarna deze opnieuw geindexeerd wordt. Zonder uitzondering betekent dat een enorm sprong van de erfpachtcanon naar hedendaagse prijzen.

De feiten:
In Amsterdam staan verreweg de meeste woningen op grond van de gemeente die in erfpacht is uitgegeven. Voor het gebruik van die woningen betalen de bewoners jaarlijks de canon. Bij het vaststellen van de canon werd destijds bepaald dat de gemeente deze na een termijn van 75 jaar kon herzien op basis van een onafhankelijk deskundig oordeel. De 75 jaren zijn inmiddels om en de gemeent wil de erfpacht herzien op basis van de huidige marktwaarde.

Dat plan stuitte op protest van de Stichting Erfpachters Belang (SEBA) en een aantal particuliere bewoners. Dat is weinig verwonderlijk want de canon zou enorm omhoog gaan als de gemeente haar zin krijgt.

Oordeel:
Seba stelt ten eerste dat de in artikel 6 van de Algemene Bepalingen (ABen) neergelegde herzieningsbepaling van de canon nietig is op grond van artikel 3:40 lid 2 BW, omdat die in strijd met artikel 5:85 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet in de akte van uitgifte van de onderhavige erfpachtrechten is opgenomen.

De rechtbank verwerpt het beroep van Seba op artikel 5:85 lid 2 BW omdat dit artikel ten tijde van de vestiging van de onderhavige erfpachtrechten niet bestond (en ook geen vergelijkbare bepaling) en dus niet van toepassing is. Op grond van artikel 69 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Ow) worden de vóór inwerkingtreding van het nieuwe BW verkregen rechten geëerbiedigd. Van nietigheid was onder het oude recht geen sprake en ook bestond er onder het oude recht (artikel 3:671 sub a BW) geen verplichting om de canon op te nemen in de vestigingsakte, zoals thans is bepaald in artikel 5:85 lid 2 BW, laat staan een bepaling ter zake van de canonherziening (thans artikel 6 van de AB-en). De canon werd weliswaar onder het oude recht in de vestigingsakte opgenomen, maar dat was omdat de canon onder het oude recht een essentiale van het erfpachtrecht was. Dit maakt het voorgaande echter niet anders. Onder het oude recht bestond in ieder geval geen verplichting om de bepaling inzake de canonherziening in de akte van vestiging op te nemen. De gemeente is derhalve bevoegd om over te gaan tot herziening van de canon nu dit in de AB-en is geregeld.

Ten tweede meent Seba dat als de hoogte van de canon op enig moment zonder verdere voorschriften door derden kan worden vastgesteld, dit onvoldoende bepaalbaarheid van de titel oplevert krachtens artikel 3:84 lid 2 BW jo. artikel 3:98 BW. Ook zou artikel 6 AB-en in strijd zijn met het formele beginsel van rechtszekerheid omdat de gemeente de invulling ervan aan derden overlaat waarbij de gebruikte deskundigenrapporten, waarop de gemeente de huidige herziening baseert, uitgaan van verkeerde uitgangspunten en rekenmethoden.

De rechter verwerpt ook deze argumenten. Artikel 3:84 lid 2 en artikel 3:98 BW bepalen dat bij de titel het goed dat wordt overgedragen dan wel waarop het beperkte recht wordt gevestigd, voldoende bepaald is omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit de rechtsverhouding die aan de overdracht dan wel de vestiging van een beperkt recht ten grondslag ligt, in het onderhavige geval de erfpachtovereenkomst tussen de Gemeente en de eerste erfpachter waarbij het goed het erfpachtrecht is en de canon is de tegenprestatie. Nu in de verschillende akten van vestiging de respectieve percelen met voldoende bepaaldheid zijn omschreven, is voldaan aan het vereiste van voldoende bepaalbaarheid.

Ten aanzien van de deskundigen en de rapporten stelt de rechter de rechter vast dat noch de Gemeente noch de eisers kunnen vaststellen welke methodes door deskundigen worden gebruikt om de canon vast te stellen en dat zij hierin geheel vrij zijn en deze vrijheid ook gebruiken. Wel hadden deskundigen beter inzichtelijk moeten maken hoe zij tot hun oordeel gekomen zijn.

De gemeente mag derhalve de canon opnieuw bepalen.

Conclusie:
Het is gezien de bedragen die gemoeid zijn met het verhogen van de canon logisch dat er een proces wordt gestart tegen de gemeente. De gemeente heeft het traject van de herwaardering echter goed voorbereid waardoor eisen gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur goed gepareerd kunnen de worden. De eisen gebaseerd op de systematiek van het Burgerlijk Wetboek ketsen ook af, het wettelijk systeem is goed opgebouwd. Dat is ook niet verwonderlijk gezien het grote belang dat er bestaat bij de handhaving van zakelijke rechten.

De volledige uitspraak is bijzonder de moeite waard om te lezen. Er zitten aspecten in zowel van bestuursrecht als van civiel recht waarbij de gehanteerde argumenten raken aan de fundamenten van het recht. Het zou mede om die reden ook interessant zijn als deze zaak in hoger beroep komt.

Bron:
LJN: CA2167, Rechtbank Amsterdam
Amsterdam mag erfpacht aanpassen via rechtspraak.nl

Tom Tailor is een merk wat in Nederland al vrij lang redelijk bekend is. De populariteit is recentelijk nog wat verder toegenomen door de shop-in-shops van V&D. Tom Tailor staat bekend om goede kleding voor een niet onredelijke prijs en hippe casual designs. Hoogste tijd derhalve om in de reeks merkprofielen eens wat aandacht aan dit mooie merk te besteden.

Geschiedenis:
Tom Tailor heeft een rijke geschiedenis en vierde in 2012 de vijftigste verjaardag. Het verhaal begint toen Uwe Schröder slechts 20 jaar oud was. Een kennis had net een bedrijf overgekocht wat later de Tom Tailor Group zou worden en vroeg of Uwe zin had om te helpen het bedrijf op te bouwen en uit te breiden. Destijds was Uwe werkzaam in de exportwereld en had al vele reizen achter de rug in onder meer Zuid-Amerika en Afrika. Het bleek de ideale gelegenheid om wat met de passie voor mode te gaan doen.

Het begin was de import van badstof uit India, samengepakt in grote balen, die vervolgens werden doorverkocht aan Budnikowsky in Hamburg. De transitie naar mode begon met ondergoed – deels uit interesse en deels omdat veel van kennissen al werkzaam waren in deze branche. Er was toen grote vraag naar kleding. Daarna begon de inkoop van de eerste overhemden in Hongkong en geleidelijk aan werd Tom Tailor een van de grootste importeurs van overhemden in Hamburg.

Van het één kwam het ander en uiteindelijk werd besloten zelf kleding te gaan produceren. Het bedrijf liep goed en groeide uit met verschillende retailers in Duitsland. Tegenwoordig is Tom Tailor een groot internationaal beursgenoteerd bedrijf met meer dan 6100 werknemers en 1300 retailers en e-tailers in 21 landen.

Collectie:
De collectie van Tom Tailor kan worden onderverdeeld in drie verschillende kerncollecties. De kerncollectie is Tom Tailor welke bestaat uit smart-casual kleding voor een publiek met een leeftijd van tussen de 20 en 40 jaar. De Tom Tailor denim collectie is gericht op een jonger publiek met een leeftijd van tussen de 15 en 25 jaar. De nadruk ligt op casual en trendy en de collectie wordt derhalve maar liefst 12 keer per jaar ververst en aangevuld. De jongste telg van de collecties is Tom Tailor Polo Team wat in de markt is gezet als premium collectie met een mix van sportief design, speelse details en de high-end stoffen.

Deze laatste collectie bestaat pas sinds 2012 en zal zich nog moeten bewijzen in een markt waar concurrentie gevoeld wordt van onder andere Fred Perry, LaCoste en aanverwanten. De nadruk ligt ook veel meer dan bij andere Tom Tailor collectie op sport en dan met name, zoals de naam doet vermoeden, op polo. De collectie is veelomvattend heeft ook een hoge prijsdifferentiatie met zowel dure als goedkopere items.

De Tom Tailor denim collectie volgt iedere trend op de voet en is echt gericht op een jong en hip publiek. Items uit deze collectie zijn zonder uitzondering casual van aard. Prijzen van deze collectie zijn over het algemeen heel vriendelijk voor smallere beurzen.

De Tom Tailor collectie is de kerncollectie van Tom Tailor en omvat zowel casual als smart-casual items. Deze collectie is ook overduidelijk gericht op een volwassener publiek dan de Tom Tailor denim collectie met een ruimere keuze aan items als overhemden en blazers. Ook deze collectie is over het algemeen bijzonder vriendelijk geprijsd.

Tom Tailor is een van origine Duits merk en dat komt ook sterk terug in de kleding. De kwaliteit is zonder uitzondering goed waarbij naden stevig zijn en kleuren lang goed blijven. De Duitse wortels zijn ook terug te zijn in de pasvorm. Deze is geschikt voor mensen met een typisch Hollands model. Kun je nooit jeans vinden omdat deze gemaakt lijkt te zijn voor krielkippen? Bij Tom Tailor vind je vrijwel gegarandeerd iets wat wel past. Dat betekent overigens niet dat Tom Tailor gezien moet worden als merk bij uitstek voor mensen met een “maatje meer”. De snit van de kleding is gewoonweg anders net zoals Savile Row en Milaan van elkaar verschillen qua snit. De uitmuntende kwaliteit gecombineerd met de vaak vriendelijke prijsstelling maken Tom Tailor in ieder geval een merk om eens naar te kijken.

Verkrijgbaarheid in Nederland:
Tom Tailor is uitstekend verkrijgbaar in Nederland. De shop-in-shops van V&D hebben vaak een selectie van de populairste artikelen. Tom Tailor heeft ook een Nederlandstalige webshop met snelle bezorging en er kan met iDeal betaald worden. Daarnaast zijn er ook tal van winkels van Tom Tailor zelf in Nederland, deze zijn via de site van Tom Tailor te vinden.

Site:
Tom Tailor Nederland