Momenteel staan vanwege de barre economische tijden veel huizen ‘onder water’. Als een huis ‘onder water’ staat, is de hypotheekschuld groter dan de waarde in het economisch verkeer van het huis. Gezien het feit dat de huizenprijzen al gedurende enige tijd behoorlijk dalen, is dit voor veel huiseigenaren een probleem.

Indien een huiseigenaar zijn hypotheek niet langer kan betalen, kan een bank overgaan tot executoriale verkoop van een pand. Een huis brengt gewoonlijk minder op bij executoriale verkoop dan het bij een reguliere verkoop op zou leveren. Indien een huis toch al ‘onder water’ staat kan dit er voor zorgen dat iemand na executoriale verkoop met een aanzienlijk schuld achter zou blijven. Tegen een dergelijke achtergrond deed de rechter recentelijk een interessante uitspraak.

De feiten:
In onderhavige zaak dreigde eiser te blijven zitten met restschuld van ongeveer € 50.000 (gebaseerd op een taxatierapport) door executoriale verkoop van zijn woning, terwijl de totale schuld aan de bank ongeveer € 15.000 bedroeg. Eiser vordert nu de bank te verbieden over te gaan tot openbare verkoop van de onroerende zaak.

Aanvankelijk een betalingsregeling:
Aanvankelijk worden er tijdens de zitting, op aanwijzing van de rechter, opnieuw afspraken gemaakt over het aflossen van de schuld. Partijen hebben afgesproken dat de bank niet tot veiling over zal gaan, indien eiser de schuld aan de Vereniging van Eigenaren volledig voldoet, hij voor de veiling een bedrag van € 2.666,- (1/3 van de geschatte veilingkosten) aan bank voldoet en hij aantoont dat hij maandelijks voldoende ruimte heeft om het restant van de veilingkosten aan de bank af te betalen met een bedrag van € 300,- per maand.

Vervolgens liet de advocaat van de bank weten dat eiser had voldaan aan de eerste twee voorwaarden, maar dat de bank er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de afbetalingsregeling ten aanzien van de door haar gemaakte veilingkosten zal worden nagekomen gezien de financiële situatie van eiser. De voorzieningenrechter doet vervolgens uitspraak.

Executoriale verkoop als hoofdregel:
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de hypotheekhouder bevoegd is om tot executieverkoop over te gaan als de schuldenaar zijn hypothecaire schuld niet betaalt. De hypotheekhouder is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment hij tot executoriale verkoop overgaat. Dit is slechts anders indien de hypotheekhouder misbruik van recht maakt door in de gegeven omstandigheden van het geval tot uitwinning van het onderpand over te gaan.

Misbruik van recht:
De voorzieningenrechter overweegt dat eiser extra inkomsten moet genereren om te kunnen voldoen aan de hierboven genoemde betalingsregeling. Eiser heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat hij thans al extra inkomsten genereert en in staat zal zijn een bedrag van € 300,- per maand af te lossen. Het staat derhalve niet vast dat niet aan de derde voorwaarde zal kunnen worden voldaan.

Daarnaast heeft eiser er een groot belang bij heeft dat de onroerende zaak niet wordt geveild. Als dat wel gebeurt, zal eiser immers met een aanzienlijke restschuld van minimaal € 50.000,- achterblijven. Ook is de omvang van de schuldenlast à € 15.000,- te overzien.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de bank in omstandigheden zoals deze, misbruik van recht maakt door thans tot openbare verkoop van de onroerende zaak over te gaan. De uitspraak vermeld daarover:

De voorzieningenrechter heeft bij dit oordeel betrokken dat in deze tijd, waarin het economisch gezien niet goed gaat met Nederland en veel huizen, zoals ook het onderhavige, “onder water staan”, dat wil zeggen de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van het huis, van een bank meer coulance mag worden verwacht dan in economisch goede tijden. Dit betekent dat een bank tot het uiterste dient te gaan voor zij het middel van een openbare veiling kiest en dat als het in redelijkheid nog mogelijk lijkt dat door middel van een regeling een grote restschuld kan worden voorkomen, daarvoor moet worden gekozen.

De vordering van eiser wordt derhalve toegewezen.

Een gewaarschuwd mens…:
De voorzieningenrechter geeft eiser nog wel een stevige waarschuwing mee. De voorzieningenrechter heeft eiser ter zitting op het hart gedrukt dat hij zijn financiën op orde moet krijgen, en dat hij daar desnoods hulp voor moet inroepen. Voorts moet eiser zich realiseren dat indien opnieuw een achterstand jegens de bank ontstaat, de bank gerechtigd is het onroerend goed executoriaal te verkopen en dat het maar zeer de vraag is of dat dan voorkomen kan worden. Eiser heeft overigens verklaard dat hij zich inmiddels heeft gewend tot een schuldhulpverleningsinstantie.

Conclusie:
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een bank zich tot het uiterste dient in te spannen om een executoriale verkoop te voorkomen indien het nog redelijkerwijs mogelijk lijkt om een betalingsregeling te treffen. Deze uitspraak kan van belang zijn voor huiseigenaren die zich in een soortgelijke situatie bevinden.

Dat betekent echter niet dat een executoriale verkoop gemakkelijk kan worden afgewend omdat het slecht gaat met de economie. Het is immers niet voor niets dat de voorzieningenrechter eiser daar expliciet voor waarschuwt. In dit geval spelen waarschijnlijk de relatief geringe schuld, de relatief grote te verwachten restschuld en het feit dat eiser kon voldoen aan een aanvankelijk ter zitting voorgestelde betalingsregeling een grote rol.

Bron:
LJN: CA0869, Rechtbank Amsterdam
‘Gedwongen verkoop huis mag niet bij betalingsachterstand’ via z24.nl

Bij het verlenen van een milieuvergunning 8.10 en 8.11 Wm (Wet Milieubeheer) heeft men logischerwijs rekening te houden met het milieu. Bij het afgeven van een milieuvergunning moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het milieu. Tot die gevolgen behoren blijkens artikel 1.1, lid 2 Wm óók de gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting. In deze uitspraak zet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State expliciet een nieuwe lijn in ten aanzien van de aanvullende toets van verkeershinder en parkeerhinder als gevolg van de verkeer van en naar de inrichting.

De feiten:
Er is een milieuvergunning aangevraagd voor een honden- en kattensalon. Enkele omwonenden maken bezwaar op grond van het feit dat er sprake zou zijn van een toename van verkeersbewegingen van bezoekers met verkeersoverlast, parkeerhinder op de openbare weg en gevaar voor de verkeersveiligheid tot gevolg. Er worden tal van andere bezwaren gepropageerd door omwonenden maar aangezien deze niet relevant zijn voor dit stuk, laat ik die buiten beschouwing.

De verkeersveiligheid:
Het argument aangaande verkeersveiligheid wordt door de ABRvS direct al buiten werking gesteld hetgeen in vaste jurisprudentie ook altijd al gebeurde. Het belang van de verkeersveiligheid vindt bescherming in andere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet, en betreft niet het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 Wm. De gevolgen van het in werking zijn van de inrichting voor de verkeersveiligheid konden voor het college dan ook geen aanleiding zijn om de gevraagde vergunning te weigeren of daaraan voorschriften te verbinden. Anders gezegd: het belang van verkeersveiligheid is geen belang in het kader van het milieu.

Verkeersoverlast en parkeerhinder:
Ten aanzien van verkeersoverlast en parkeerhinder zag de Afdeling tot dusver altijd ruimte voor een aanvullende toets in het kader van de Wet Milieubeheer ook al ligt het primaire toetsingkader voor de aanvaardbaarheid daarvan bij de wegenverkeerswetgeving. Van dit standpunt komt de Afdeling nu expliciet terug:

Ook het belang van het voorkomen of beperken van parkeer- en verkeershinder […] vindt bescherming in andere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet. Anders dan in eerdere uitspraken, is de Afdeling thans van oordeel dat ook dit belang niet het belang van de bescherming van het milieu in de zin van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer betreft. Anders dan in die eerdere uitspraken is overwogen, is er wat dit belang betreft geen plaats voor een aanvullende toets in het kader van de Wet milieubeheer ten opzichte van die andere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet.

Conclusie:
Betekent deze koerswijziging nu dat aan artikel 1.1, lid 2 Wm, ook verkeersgevolgen zijn milieugevolgen, geen betekenis meer toekomt? Nee, deze nieuwe lijn van de Afdeling ziet slechts op de aanvullende toets die voorheen wel plaatsvond in het kader van de Wet Milieubeheer. Er kunnen nog steeds verkeersgevolgen zijn die wel degelijk als milieugevolgen worden gezien waaronder trillingen van zwaar vrachtverkeer en geluidsoverlast.

Verkeersoverlast en -hinder worden nu net als verkeersveiligheid behandeld namelijk in het kader van wegenverkeerswetgeving. Deze koerswijziging van de Afdeling leidt mijns inziens tot een zuiverder en uniformer uitleg van de toetsingscriteria. Het immers een enigszins gekunstelde en kunstmatige splitsing om verkeersveiligheid wel onder het kader van de wegenverkeerswetgeving te laten vallen en verkeershinder niet, hoewel er ook aan verkeershinder (in de zin van aantal auto’s wat passeert) ook verdedigd kan worden dat er leefomgevingsaspecten aan zitten.

Er wordt nu meer een splitsing gemaakt naar het doel van de wet. Voor zover verkeersgevolgen het milieu aantasten, vallen zij nog steeds onder de reikwijdte van de Wet Milieubeheer, voor zover zij dit niet doen vallen zij onder wegenverkeerswetgeving.

Voor wie graag een ander artikel over dit onderwerp wil lezen, raad ik het artikel van Jan Coen Binnerts van Pot Jonker advocaten aan. Dat artikel bevat voorts nog verwijzingen naar oudere jurisprudentie voor wie graag over de oude lijn wil lezen die de Afdeling hanteerde. Het is vindbaar onder de bronnenlijst.

Bron:
LJN: BZ7577, Raad van State
Verkeershinder ten gevolge van bedrijf niet langer een milieugevolg door Jan Coen Binnerts van Pot Jonker advocaten)via potjonker.nl

Wraking begint een populairder rechtsmiddel te worden. Soms gebeurt dat om goede redenen redenen en kan er daadwerkelijk twijfel bestaan over de onpartijdigheid van een rechter in een zaak. Soms gebeurt wraking vanwege slechte redenen bijvoorbeeld omdat een verdacht een procedure wil traineren. Een wrakingsverzoek dient wel tijdig gedaan te worden, meer specifiek voor het eind van de procedure. In dat kader was er recentelijk een leuke uitspraak over de ontvankelijkheid van een wrakingsverzoek.

De feiten:
Nadat het onderzoek ter zitting inzake het verzoek tot faillietverklaring van Saas Concepts B.V. was gesloten en de rechter bezig was met het motiveren van de uitspraak, heeft de gemachtigde van Saas in zijn hoedanigheid van middellijk aandeelhouder een verzoek tot wraking gedaan. De zitting is vervolgens geschorst tot op het wrakingsverzoek uitspraak was gedaan.

Het wrakingsverzoek:
Verzoekster stelt dat gedurende de mondelinge behandeling van het verzoek tot faillietverklaring zij niet serieus is genomen door de rechter. Deze ging volledig voorbij aan tal van bewijsstukken waarop verzoekster een beroep deed. De rechter wilde deze bewijsstukken niet inzien waardoor verzoekster niet de mogelijkheid heeft gekregen om deze bewijsstukken in te dienen. In dit verband heeft de rechter tijdens het motiveren van de uitspraak ook de term “ongeloofwaardig” gebruikt.

Ontvankelijkheid:
Zowel de rechter als de advocaat van de verzoekers tot faillissement hebben aangevoerd dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan. Het onderzoek ter zitting was al gesloten. De wrakingskamer beziet dit echter anders en verwerpt dit verweer. Een wrakingsverzoek moet zijn ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd.

Dat is in dit geval gebeurd. Het onderzoek ter terechtzitting was weliswaar afgesloten maar het faillissement van Saas Concepts B.V. was nog niet uitgesproken. Verzoekster is derhalve ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.

Beoordeling van het wrakingsverzoek:
De wrakingskamer stelt voorop dat wraking slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een vezoek moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd. Uit de artikelen 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief kan worden afgeleid dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is.

Voor zover het wrakingsverzoek zich richt tegen de weigering om geen kennis te nemen van het stuk van het UWV, is dit verzoek ongegrond. Vast is komen te staan dat verzoekster het betreffende stuk pas heeft aangeboden -feitelijk ermee heeft ‘gewapperd’- nadat het onderzoek ter zitting was gesloten. Dat is te laat.

Ten aanzien van de term ‘ongeloofwaardig’ staat inderdaad vast dat deze gebruikt is tijdens het motiveren van de uitspraak. Volgens verzoekster is zij daarmee in feite voor leugenaar uitgemaakt. Een aspect van motivatie van het vonnis is het waarderen van de stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken. Om aan te geven waarom zijn oordeel in het voordeel of nadeel van een partij uitvalt, is het op zichzelf toegestaan dat een rechter zich in dat verband een term als “ongeloofwaardig” of woorden van gelijke strekking te gebruiken.

Verzoekster stelt ook nog dat er sprake was van ‘een onprettige sfeer’ tijdens de behandeling van het verzoek tot faillissementsverklaring alsmede dat verzoekster zich ‘niet serieus genomen’ voelt. Zonder nadere feitelijke onderbouwing kan dit niet leiden tot een oordeel dat er objectief bezien sprake kan zijn van een gebrek aan onpartijdigheid.

Ten slotte overweegt de wrakingskamer dat de omstandigheid dat de rechter wellicht een fout heeft gemaakt bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak zich niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer. Een dergelijke omstandigheid kan slechts in hoger beroep aan de orde worden gesteld.

Het wrakingsverzoek wordt derhalve afgewezen.

Conclusie:
Mijns inziens is het belangrijkste element van deze uitspraak van de wrakingskamers de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek. Een wrakingsverzoek dient plaats te vinden voordat de procedure is geëindigd. Normaliter zal een wrakingsverzoek al plaatsvinden bij het onderzoek ter terechtzitting. In dit geval gebeurde het pas tijdens het motiveren van het vonnis, de einduitspraak op het verzoek tot faillissementsverklaring was echter nog niet gedaan. Dat betekent dat het wrakingsverzoek nog tijdig gedaan was.

De behandeling van het wrakingsverzoek is in dit kader minder belangrijk, er staan weinig opzienbarende dingen in en zoals gebruikelijk begint de wrakingskamers met de standaardformules aangaande het feit dat een rechter uit hoofde van zijn ambt vermoed wordt onafhankelijk te zijn behoudens gewichtige contra-indicaties etc. De behandeling van het wrakingsverzoek geeft echter wel aan hoe het er soms op een zitting aan toe kan gaan en hoe een dergelijke chaos juridisch geherkwalificeerd wordt alsmede wat de gevolgen zijn.

Een zitting kan soms redelijk chaotisch verlopen. Kennelijk is verzoekster op een gegeven moment opgestaan en heeft vervolgens wild in het rond gezwaaid met een papiertje wat afspraken met het UWV zou moeten bevatten welke als bewijs voor een stelling in het hoofdgeding kunnen dienen. De juridische herkwalificatie hiervan is het aanbieden van bewijsmateriaal. De rechter was, helaas voro verzoekster, toen al bezig de uitspraak te motiveren. De kans om dan nog bewijsmateriaal in te brengen is verkeken omdat het onderzoekt ter terechtzitting dan al gesloten is.

Dat verzoekster zich vervolgens kennelijk niet gehoord heeft gevoeld is niet onbegrijpelijk, er staan misschien ook behoorlijke financiële belangen op het spel nu een middellijk aandelenbezit in één klap dreigt praktisch waardeloos te worden door faillissement. Misschien is het in casu zelfs niet onbegrijpelijk dat verzoekster de sprong maakte naar vooringenomenheid van de rechter nu de term ‘ongeloofwaardig’ werd gehanteerd.

Bij het motiveren moet er echter wel een waardeoordeel worden gegeven over de stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte stukken. Om aan te geven waarom zijn oordeel in het voordeel of nadeel van een partij uitvalt, is het op zichzelf toegestaan dat een rechter zich bedient van een term als “ongeloofwaardig”.

De wrakingskamer merkt tenslotte nog op dat voor zover er mogelijkerwijs fouten zijn gemaakt in de behandeling van het hoofdgeding, hoger beroep moet worden ingesteld. Dat is ook logisch aangezien het niet aan de wrakingskamer is om een herbeoordeling te geven van de feiten in het hoofdgeding. Zou dat immers wel gebeuren dan zou het hele idee van hoger beroep, zijnde de feiten opnieuw bekijken en beoordelen, meteen waardeloos zijn. Een wrakingsverzoek wordt dan een soort hoger beroep + het beoordelen van eventuele partijdigheid van een gelijkwaardige of lagere rechter.

Het gebeurt overigens bij mijn weten maar heel zelden dat een wrakingsverzoek pas wordt ingediend bij het motiveren van de uitspraak. Zoals eerder opgemerkt gebeurt dit gewoonlijk al bij het onderzoek ter terechtzitting. Bij een faillissementsverzoek is het kennelijk mogelijk om dit te doen maar de vraag is of dat naar analogie kan worden toegepast op alle situaties. Kan dit bijvoorbeeld alleen bij verzoekschriftprocedures of kan dit ook bij dagvaardingsprocedures? Het oordeel van de wrakingskamer geeft dus ook nog wat stof tot nadenken hetgeen altijd leuk is voor de inquisitieve geest.

Bron:
LJN: BZ8189, Rechtbank Arnhem

Het lijkt er op dat er nu eindelijk een definitief antwoord gaat komen op de vraag of een assurantieportefeuille verpandbaar is. De rechtbank te Rotterdam gaat hierover een prejudiciële vraag stellen aan de Hoge Raad.

De vraag:
De rechtsvraag is of het mogelijk is om een pandrecht op een assurantieportefeuille te vestigen, ofwel de (voor)vraag of een assurantieportefeuille een vermogensrecht is in de zin van art. 3:6 BW. Het antwoord op deze vraag is nodig om op de eis in het hoofdgeding te beslissen en dit antwoord is rechtstreeks van belang voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen. Tevens wil de rechtbank voorkomen dat er een veelheid aan (tegenstrijdige) rechtspraak van lagere rechter ontwikkelt. Er is overigens al een zaak van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2012 (rangregelingprocedure) waarin is geoordeeld dat een assurantieportefeuille als vermogensrecht is aan te merken.

De assurantieportefeuille nader beschouwd:
Een assurantieportefeuille is een lastig begrip. Eigenlijk bestaat een portefeuille uit een drietal rechtsverhoudingen. Allereerst is er de overeenkomst tussen een intermediair en de verzekeraar. Dit is de bron van het beheersrecht van de portefeuille en omvat onder meer dingen als rechtstreekse premie-incasso en de uitbetaling van verzekeringspenningen. Daarnaast is er een rechtsverhouding tussen de tussenpersoon en de verzekerde. Ten derde is er een overeenkomst tussen de verzekerde en de verzekeraar. Dit geheel van rechtsverhoudingen kan tezamen worden aangemerkt als een portefeuille.

Literatuur en rechtspraak over verpandbaarheid:
De literatuur is verdeeld over de vraag of een assurantieportefeuille als verpandbaar moet worden aangemerkt. Een argument contra vinden we in mr. G.H.G.M van Berkel, ‘Verpanding van verzekeringsportefeuilles anders belicht’, TvI 2011, 29. De wet en de jurisprudentie bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een portefeuille overdraagbaar is. Nu een wettelijke regeling die de wijze van levering vastlegt ontbreekt, kan een portefeuille niet kan worden verpand. Volgens van Berkel is de restbepaling van art. 3:95 BW niet op portefeuilles van toepassing.

Een argument pro vinden we in mr. FJ.L. Kaptein, ‘Het portefeuillerecht als vermogensrecht van de assurantietussenpersoon: overdracht, en executie door de pandhouder’, TvI 2011, 22. & mr. F.J.L. Kaptein, ‘Naschrift op: Verpanding van verzekeringsportefeuilles anders belicht’, TvI 2011, 30. De Hoge Raad en de Wet Financieel Toezicht geven aan dat een portefeuille overdraagbaar is. Een specifieke leveringsbepaling is, anders dan de tegenpleiters stellen, niet vereist. Voor dit doel is de restbepaling van artikel 3:95 BW opgenomen.

Het vonnis van de rechtbank Roermond volgt de lijn van Kaptein. Artikel 3:83 bepaalt dat een voorwerp van recht als vermogensrecht kan worden aangemerkt onder meer als eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn. Een aanwijzing voor mogelijke overdraagbaarheid kan worden gevonden in art. 4:103 lid 4 Wft. Dat stelt dat de verzekeraar op schriftelijk verzoek van een bemiddelaar zijn medewerking verleent aan de gehele of gedeeltelijke “overdracht van de portefeuille” van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.

Voor de erkenning van de portefeuille als een vermogensrecht is van belang dat het voorwerp een zekere vastigheid heeft; het moet duidelijk zijn wat onder het betreffende voorwerp van vermogensrecht begrepen wordt en de inhoud ervan moet een zekere stabiliteit hebben. Dat ligt bij de portefeuille echter lastig, zoals hierboven als aangegeven bestaat een portefeuille namelijk eigenlijk uit een verzameling van rechtsverhoudingen.

In de literatuur is er onder meer door Van Berkel op gewezen dat een tussenpersoon in de terminologie van de wet evenzovele portefeuilles heeft als dat hij verzekeringen bij verschillende verzekeraars heeft lopen, terwijl in het spraakgebruik doorgaans alle verzekeringen worden begrepen die een tussenpersoon in portefeuille heeft. De rechter-commissaris beschouwt dit echter meer als een kwestie van kwantiteit dan dat het de inhoud van het begrip portefeuille aantast en onduidelijk maakt.

De zienswijze van de rechter-commissaris wordt overigens gesteund door de MvA bij de Wabb waarbij over een verzekeringsportefeuille werd gesteld dat: ” Elke tussenpersoon …. Het op deze wijze gevormde geheel van relaties en meer concreet de bestaande overeenkomsten wordt in het spraakgebruik met het woord portefeuille aangeduid” (Kamerstukken I 1951/52, 870, nr. 11A, pag. 3 & C.J. de Jong, Portefeuillerecht, een privaatrechtelijke paragraaf in de Wft, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2009-1, pag. 11.e.v.)

Deze overweging van de wetgever wordt ook genoemd door de HR (HR 15/11/68, NJ 1969,25) waar werd geoordeeld dat de portefeuille van een tussenpersoon bestaat uit het geheel van diens relaties met de door hem als zijn cliënten beschouwde verzekeringnemers. In een later arrest neemt de HR het oordeel van het Gerechtshof Arnhem over (HR 2/6/76 NJ 1977, 384), dat er op neerkomt dat de rechten en plichten voortvloeien uit de door de intermediair met verzekeringnemers gesloten contracten tot de verzekeringsportefeuille van een intermediair behoren. In de literatuur vinden we soortgelijke overwegingen dat het portefeuillerecht van een tussenpersoon bestaat uit jegens anderen geldend te maken rechten (R.M Vriesendorp-van Seumeren, De positie van de ATP tot verzekeringnemer en de verzekeraar (diss. Amsterdam)Zwolle, W.E.J. Tjeen Willink, 1989, p. 45. & C.J de Jong, Groene Serie Privaatrecht, Toezicht Financiële Markten, commentaar art. 4:102).

Een ander probleem wat de rechter-commissaris ziet is de mogelijkheid van de verzekeraar om gebruik te maken van de in art. 4:104 lid 2 Wft gegeven bevoegdheid om de premie incasso zelf ter hand te nemen. In het kader van beoordeling van de portefeuille als vermogensrecht is de vraag of deze bevoegdheid aan (de vorm en inhoud van) dat recht niet zodanige afbreuk doet dat het niet meer in het stelsel van de wet past. De rechter-commissaris is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord moet worden nu art. 4:104 Wft aan de verzekeraar een bevoegdheid verleent die hem een soort zekerheid geeft op nakoming van de verplichtingen van de bemiddelaar. Het feit dat de waarde van de portefeuille door gebruikmaking van die zekerheid in waarde kan afnemen, tast het portefeuillebegrip op zichzelf niet aan.

Ook is er nog het goodwill-aspect van een portefeuille, dit is immers een groot deel van de waarde van een portefeuille. Er is eenstemmigheid dat goodwill op zichzelf geen vermogensrecht is. Dit houdt echter niet in dat elk vermogensobject waarvan goodwill een zeker onderdeel uitmaakt, dit ook niet kan zijn. De rechter-commissaris vindt het argument derhalve niet van dusdanige aard dat dit betekent dan een assurantie-portefeuille niet als vermogensrecht kan worden aangemerkt. De goodwill houdt in een assurantieportefeuille nauwer verband met de verzekeringsovereenkomsten die tot die portefeuille behoren dan dat in een onderneming die goodwill verbonden kan worden aan onderdelen van de assurantieonderneming.

Bovendien heeft de wetgever in de Wft de positie van de bemiddelaar willen versterken. Erkenning van een portefeuille als vermogensrecht ligt dan ook in deze lijn. Hierdoor zal een bemiddelaar met een portefeuille als onderpand namelijk meer krediet kunnen verkrijgen. Tenslotte zijn er diverse uitspraken van de Hoge Raad waarin de overdraagbaarheid van de assurantieportefeuille als een gegeven wordt beschouwd, althans daaraan geen restricties worden verbonden die daaraan doen twijfelen.

Een en ander doet de rechter-commissaris oordelen dat de portefeuille dient te worden aangemerkt als een vermogensrecht c.q. dat de portefeuille als verpandbaar moet worden gezien.

Conclusie:
Hetgeen hierboven allemaal staat vermeld is slechts een kleine introductie in de materie over de verpandbaarheid van assurantieportefeuilles. Er zijn uitstekende argumenten zowel voor als tegen op basis van parlementaire geschiedenis, literatuur, rechtspraak en interpretatie van andere wetten. Zolang de Hoge Raad hier nog geen uitspraak over heeft gedaan zal de onduidelijkheid blijven voortbestaan. Het is mijns inziens dan ook een goede zet geweest van rechtbank Rotterdam om een prejudiciële vraag hierover te stellen aan de Hoge Raad.

Dit op zichzelf al massale feitenstelsel maakt overigens deel uit van de bredere problematiek rondom de vrij strikte redactie van artikel 3:83 BW waarbij met name het derde lid het af en toe moet ontgelden. De rechtsontwikkeling zou worden opgehouden als voor de erkenning van nieuwe rechtsfiguren als zelfstandige vermogensrechten steeds als vereiste wordt gesteld dat de wet ze als zodanig erkent, en dan ook nog indirect door te bepalen dat ze overdraagbaar zijn. Aan de andere kant gaat het hier wel over een fundamentele vorm van rechtszekerheid, namelijk de kern van het goederenrecht. Niemand is er bij gebaat als er daar halfzachte toetsingscriteria aan de dag worden gelegd welke in hoge mate casuïstisch van aard zijn. Het zal maar onduidelijk worden wie eigenaar is van een goed of wie rechthebbende is van een vordering. Die discussie gaat echter te ver buiten de reikwijdte van dit artikel om daar meer aandacht aan te besteden.

Vooralsnog mogen we hopen dat de Hoge Raad deze prejudiciële vraag zal gaan beantwoorden en derhalve weer wat rust schept in het juridische leven.

Bron:
LJN: BZ8347, Rechtbank Rotterdam
LJN: BX5087,Voorzieningenrechter Rechtbank Roermond
Overige literatuur is in het artikel zelf vermeld bij de relevante passage.

Afgelopen week is vrijwel geruisloos Verantwoordingsdag 2013 gepasseerd. De derde woensdag in mei wordt altijd verantwoording afgelegd over de financiële prestaties van Nederland van het voorgaande jaar. De derde dinsdag in september, Prinsjesdag, krijgt doorgaans meer aandacht. Dat is niet onlogisch aangezien iedereen altijd vol belangstelling kijkt naar wat de overheidsplannen voor het komende jaar voor hun financiële huishouding gaan betekenen. Verantwoordingsdag is echter niet minder belangrijk, dan wordt duidelijk hoeveel van de plannen gerealiseerd zijn en hoeveel dit meer of minder gekost heeft. Kortom, het geeft een indicatie van hoe goed of slecht de staat met zijn huishoudboekje is omgegaan. Laten we dus eens kijken hoe Nederland heft heeft gedaan in 2012. Overigens bevatten onderstaande cijfers wat afrondingsverschillen.

Kerncijfers, tekorten en schulden:
Een blik op het jaarverslag leert dat er fors minder geld is binnengekomen dan bij de Miljoenennota voor 2012 was begroot, het gaat om een bedrag van 11,6 miljard. Dit komt voor 9 miljard op het conto van directe belastingen zoals loonbelasting neer, indirecte belastingen zijn overigens een goede tweede met 3,6 miljard minder opbrengsten dan verwacht. De totale inkomsten uit belastingen en premies kwamen in 2012 uit op 220,5 miljard.

De overheid (Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen) gaf € 24 miljard meer uit dan er binnenkwam, anders gezegd is dat een 67 miljoen per dag. Wel bedragen de uitgaven maar liefst € 2,8 miljard minder dan aanvankelijk was begroot. Veel posten vertonen meevallers wat onderaan de streep behoorlijk aantikt. Wel ging onder meer zorg weer over de begroting heen met een 1,1 miljard. Ook SZW en OCW vertonen tegenvallers van 0,3 miljard. In totaal gaf het Rijk in 2012 € 242,7 miljard uit aan onder meer zorg, sociale zekerheid, onderwijs en veiligheid.

Het begrotingstekort (EMU-saldo) over 2012 bedraagt 4,1% van het bruto binnenlands product (bbp). Dit beloopt 24,4 miljard in totaal waarvan 22,2 miljard van het Rijk (3,7%) en 2,2 miljard van de lagere overheden (0,4%). Voor het derde jaar is sprake van een verbetering van het EMU-saldo, al is deze verbetering minder sterk dan oorspronkelijk beoogd. De overheidsschuld (EMU-schuld) nam in 2012 met € 34 miljard toe en kwam uit op € 428 miljard (71,2% bbp). Daarmee beloopt de schuld per Nederlander een 26000 tegenover 24000 verleden jaar.

Economie en Europa:
Met name de tegenvallende inkomsten houden direct verband met de terugloop van de economie. Het ging behoorlijk veel minder dan waar bij het opstellen van de begroting nog rekening mee werd gehouden. Bij aanvang van het jaar 2012 lag er een raming die uitging van 0,75% economische groei, maar dit werd uiteindelijk een krimp van 1%. De recessie is ook zichtbaar bij de hogere werkloosheidscijfers. De stijging bedroeg in 2012 een 115.000 werklozen, resulterend in een totaal van 571.000 (7,2% van de beroepsbevolking).

Ook de Europese schuldencrisis speelde wederom een belangrijke rol. Deze blijft voor veel onrust zorgen. Er moesten nieuwe leningen worden uitgegeven voor Griekenland en Spanje (om de Spaanse banken te herkapitaliseren). Een positieve noot was de aankondiging van de Europese Centrale Bank om obligaties van zwakke landen op te gaan kopen, dit gaf de financiële markten een opleving.

Financieel beheer:
De bedrijfsvoering van het Rijk is goed op orde. De rechtmatigheidsdrempel ligt op 99,8% waarbij een paar kleine blipjes op de radar werden veroorzaakt door met aanbestedingsproblematiek. Er worden verdere maatregelen genomen om het inkoopbeleid verder op orde te krijgen dus wie weet zien we over een jaar 100% als rechtmatigheidsdrempel staan.

Conclusie:
Al met al heeft Nederland het niet slecht gedaan in 2012 gezien de omstandigheden. Er is een behoorlijke economische recessie geweest en de Eurocrisis blijft ook maar doorwoekeren. Hoewel we in het licht van de omstandigheden als land dus niet slecht gedaan hebben, is er welbeschouwd nog steeds weinig reden om te juichen. Het begrotingstekort is nog altijd ruimschoots boven de 3% en de staatsschuld is verder opgelopen naar 71,2% Dat betekent dat we nog altijd bezig zijn om de Zuid-Europese landen achterna te gaan.

Het is echter maar zeer de vraag of er een politiek klimaat ontstaat wat zich leent voor stevige bezuinigingen, dat is uiteindelijk toch de methode om een relatief hoog begrotingstekort en uiteindelijk een hoge staatsschuld te voorkomen.

Bron:
Financieel Jaarverslag van het Rijk (webversie)
Financieel Jaarverslag van het Rijk 2012 (PDF)
Verantwoordingsstukken