Als je een pand gaat verbouwen dan moet er in voorkomende gevallen een vergunning aangevraagd worden. Gebeurt dit niet correct dan loop je het risico dat de gemeente een bouwstop oplegt. In onderhavige zaak werd bij een verbouwing door de gemeente een bouwstop opgelegd. Appellant was van mening dat deze onterecht was omdat het verbouwen onder de definitie van ‘gewoon onderhoud’ valt, waarvoor geen vergunning is vereist. De Afdeling Beroep van de Raad van State beslist wie gelijk heeft en geeft en passant uitleg over de wet op dit punt geïnterpreteerd dient te worden.

De feiten:
In het onderhavige geval werd zonder vergunning een kantoorpand verbouwd tot een woonruimte. Bij besluit van 8 april 2011 heeft het college van B&W van Breda zijn beslissing om op 6 april 2011 de bouwwerkzaamheden aan het pand stil te leggen op schrift gesteld en gelast deze werkzaamheden gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom.

Appellant stelt dat geen omgevingsvergunning is vereist, omdat de werkzaamheden behoorden tot het gewone onderhoud, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Zo dit betoog niet slaagt, stelt zij dat het college met de aan haar gerichte brief van 16 augustus 2005 toestemming heeft verleend voor deze werkzaamheden, zodat zij ook om die reden geen overtreding heeft begaan waartegen handhavend kon worden opgetreden.

Overwegingen en oordeel van Afdeling:

Ten aanzien van ‘gewoon onderhoud’:
De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de werkzaamheden in het pand kunnen worden aangemerkt als gewoon onderhoud. Daarvoor kijkt de Afdeling naar de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 140), waarin wordt vermeld dat met “gewoon onderhoud” als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 1, van Bijlage II wordt gedoeld op werkzaamheden die erop zijn gericht om te behouden wat er is. Doordat de kantoorruimten worden omgebouwd tot woonruimtes is daar geen sprake van.

Dat beide functies binnen de voor het perceel geldende bestemming passen, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de vraag of werkzaamheden gewoon onderhoud zijn, is niet relevant of het gebruik waarop de werkzaamheden zijn gericht ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, maar of de werkzaamheden zijn gericht op behoud van de bestaande functie.

Dit betoog faalt derhalve.

Ten aanzien van de legalisatiemogelijkheid:
De Afdeling opent met de welbekende formulering dat: “Gelet op het belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen.” Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd niet handhavend op te treden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij concreet uitzicht op legalisatie.

Appellant stelt dat de rechtbank miskend heeft dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, in casu uitzicht op legalisatie. Daarnaast volgt een beroep op het vertrouwensbeginsel op grond van de brief uit 2005.

Artikel 5.17 van de Wabo voorziet in een uitdrukkelijke bevoegdheid om de bouw van een bouwwerk te staken dat zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd, in afwachting van mogelijke te treffen handhavingsmaatregelen. Artikel 5.17 Wabo is blijkens de parlementaire geschiedenis ontleend aan art. 100d Woningwet welke in een gelijke mogelijkheid voorzag. Dit betekent dat voor de beoordeling van het argument dezelfde maatstaven aan de dag gelegd kunnen worden als bij artikel 100d Woningwet gebeurde.

De Afdeling heeft reeds eerder overwogen dat bij de toepassing van de in artikel 100d van de Woningwet geregelde bevoegdheid om met de wet strijdige bouwwerkzaamheden stil te leggen niet hoeft te worden onderzocht of de bouw gelegaliseerd kan worden.

De brief van 2005 bevat geen ongeclausuleerde toezegging dat er geen vergunning vereist is. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.

Conclusie:
De Afdeling slaat hiermee twee belangrijke piketpalen. De eerste gaat om de uitleg van de bepaling ‘gewoon onderhoud’. De Toelichting bij het Bor suggereert dat een functieverandering het doorslaggevende criterium is maar de verhouding tot een bestemmingsplan was onduidelijk. Het bestemmingsplan heeft geen enkele zeggenschap voor de vraag of een werkzaamheid onder ‘gewoon onderhoud’ valt.

Ten tweede is de verhouding voor tussen het nieuwe 5.17 Wabo en oude 100d Woningwet nog iets verder verduidelijkt. Uit de parlementaire geschiedenis bleek al dat art. 5.17 Wabo hetzelfde doel dient als art. 100d Woningwet. De Afdeling bevestigt dat hieruit volgt dat voor de toepassing van beide artikelen dezelfde maatstaven gehanteerd kunnen worden.

Bron:
LJN: BZ4953, Raad van State

De kranten staan momenteel bol over het sociaal akkoord hetgeen het resultaat is van de gebruikelijke rondedans tussen overheid, werkgevers en werknemers. Vandaag hebben we een onderwerp wat zonder meer in dit kader past namelijk een opmerkelijke uitspraak over de arbeidsrechtelijke positie van payrollers. Alvorens het vonnis te behandelen, eerst een introductie tot payrolling en waarom dergelijke constructies bestaan.

Het probleem van de werkgever:
Het Nederlands arbeidsrecht is vrij star met een, zeker in internationaal perspectief bezien, hoge mate van bescherming van de werknemer tegen ontslag. Daarbij hebben we ook vrij uitgebreide sociale voorzieningen welke gedeeltelijk worden bekostigd uit werkgeverspremies. De werkgeverspremies zijn een extra kostenpost naast het brutoloon.

Het verschil tussen de totale loonkosten en het nettoloon wordt aangeduid als de wig. De omvang van de wig wordt doorgaans bepaald door de omvang van de collectievelastendruk van een land. De marginale wig is het verschil tussen een mutatie van de loonkosten voor de werkgever en de corresponderende mutatie in het nettoloon van de werknemer als percentage van de eerstgenoemde. Anders gezegd: de marginale wig geeft aan welk deel van de laatst verdiende euro niet in de vorm van extra nettoloon bij de werknemer terecht komt, maar naar de schatkist gaat. Nederland heeft een relatief hoge marginale wig wat betekent dat een werknemer voor een werkgever relatief duur is vanwege alle bijkomende kosten.

De combinatie van het feit dat een werknemer relatief duur is en lastig te ontslaan zorgt er voor dat werkgever over het algemeen huiverig zijn om mensen aan te nemen. Ze vormen immers een grote vaste kostenpost en teveel vaste kosten zijn fnuikend voor elke onderneming. Bij relatief kleine ondernemingen zijn werknemers dan ook een substantiële post op de resultatenrekening.

Het gevolg is dat werkgevers gaan zoeken naar methodes om toch een werknemer te kunnen hebben zonder dat je vastzit aan torenhoge kosten. Daar zijn al een aantal uitvindingen voor gedaan zoals het nul-urencontract maar ook payrolling is daar een oplossing voor.

Payrolling:
Payrolling is een vorm van het ter beschikking stellen van werknemers aan opdrachtgevers waarbij opdrachtgevers zelf verantwoordelijk zijn/blijven voor de werving, selectie en begeleiding van werknemers. De verantwoordelijkheid voor het werkgeverschap wordt uit handen gegeven aan een salariëringsbedrijf. Een belangrijke voordeel voor werkgevers is dat werknemers die via een payrolling firma in dienst zijn, niet vallen onder de CAO van de desbetreffende bedrijfstak. De onderhavige casus gaat over de vraag hoe de arbeidsrelatie van werknemer – werkgever gekwalificeerd moet worden.

De feiten:
De medewerker was in dienst van payrollingfirma Stichting Dienstverlening Welzijn Enschede (‘SDWE’) en was feitelijk werkzaam voor de gemeente Enschede. Door een inkrimping bij de gemeente was er bij SDWE geen werk meer voor de medewerker zodat SDWE ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Allereerst gaat het om de vraag hoe de arbeidsovereenkomst precies gekwalificeerd moet worden. Nu SDWE niet als bedrijfsactiviteit beoogt gericht vraag en aanbod bij elkaar te brengen, maar enkel voor de gemeente werknemers formeel in dienst neemt om hen exclusief bij de Gemeente te detacheren, is van het vervullen van een allocatiefunctie en het uitzenden als bedoeld in artikel 7: 690 BW geen sprake. De uitzendovereenkomst wordt wel gekwalificeerd als een bijzondere arbeidsovereenkomst ten opzichte van de arbeidsovereenkomst als geregeld in artikel 7: 610 BW.

Feitelijk heeft de arbeidsrelatie tussen SDWE en werknemer enkel en alleen bestaan uit het plaatsen van werknemer op de loonlijst van SDWE, zijnde een andere rechtspersoon dan de ‘echte’ werkgever, in dit geval de Gemeente. De gemeente was immers feitelijk uitvoerder van de arbeidsrelatie. Nu niet voldaan is aan de vereisten van artikel 7:610 BW, is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen geen sprake. SDWE dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek.

De kantonrechter merkt nog op dat niet is gebleken dat de constructie is gekozen om andere redenen dan de ontslagbescherming van werknemer te ontlopen. Het feit dat de geldstromen via SDWE lopen doet hier niet aan af. Door dergelijke constructies dient heen te worden gekeken.

Conclusie:
Als deze uitspraak van de kantonrechter een vaste lijn in de jurisprudentie gaat worden, gaan veel werkgevers die denken dat ze feitelijk geen personeel hebben omdat ze payrolling gebruiken, gaan veel werkgevers van een koude kermis thuiskomen.

Partijen kunnen nog in beroep gaan en het is “maar” een uitspraak van de kantonrechter dus het kan nog lang duren voordat er duidelijkheid is als er hoger beroep aangetekend wordt. Het is zonder meer een zaak waarbij dat zomaar zou kunnen gebeuren gezien de vrij grote belangen die er spelen voor werkgevers (alsook werknemers).

Als de medewerker daadwerkelijk ontslagen moet worden dan zal in het onderhavige geval de gemeente waarschijnlijk het ontslag aan moeten zeggen. De kantonrechter kan geen verdere beslissing nemen daaromtrent omdat de gemeente Enschede niet betrokken is als procespartij.

Bron:
LJN: BZ5108, Rechtbank Almelo
LJN: BZ6630, Rechtbank Almelo

Na een toch vrij kille start van de de lente lijkt het er op dat we nu eindelijk lekkerder weer gaan krijgen. Beter weer betekent ook dat de snowboots weer de kast in mogen en we ons gaan mogen focussen op alle genoeglijke fashion die een nieuw seizoen met zich meebrengt. Tijd voor de jaarlijkse algemene breakdown van alle trends die je deze lente en zomer in het straatbeeld tegen gaat komen.

Metallics:
Gekleurde metallics zijn voor lente zomer 2013 geliefd. Van zilver en goud wordt de fonkelende garderobe uitgebreid met blinkend geel, roze, blauw en groen. Zo ziet Christopher Bailey ziet dames én heren het komende seizoen in trenchcoats met de kleurtjes van traditionele chocoladewikkels. Om de look helemaal af te maken draagt men er een zonnebril bij met spiegelende glazen.

Voor wie het wat subtieler aan wil doen is het goed mogelijk om deze look te beperken tot de accessoires. Kies bijvoorbeeld voor een metallic ceintuur of een tas. Kijk wel een beetje uit met wat je met elkaar combineert, zeker op het vlak van kleuren. Metallics zijn heel aanwezig en het is de bedoeling om op te vallen, niet om een aanslag op iemands ogen te zijn.

jonathan-saunders-spring-summer-2013-lfw1 Metallic Rok van Jonathan Saunders

Flora en fauna:
Als het mooier weer wordt dan gaan de bloemen weer bloeien. Bloemenprints en faunaprints zijn hot dit jaar op de catwalk en een gemakkelijk item om aan te trekken waar vrijwel iedereen mee weg kan komen. Je hoeft daarbij overigens gelukkig niet te denken aan het standaard-oma-bloemetjesjurk dessin. Op kleding van vrouwen zijn vogels opvallend vaak aanwezig in de print.

marykatrantzouspringsummer2013lfw12 Deze jurk van Mary Katrantzou is typerend voor veel van de faunaprints die in winkel te vinden zullen zijn.

Pastels en colorblocking:
Vorig jaar liepen de felle fluokleuren nog als een rode draad door het hele modebeeld, nu is dat niet langer het geval hoewel ze nog wel prominent aanwezig zijn. Pasteltinten komen we dit jaar ook veelvuldig tegen zowel in effen gekleurde items als colour blocked items. Soms gaat dit gepaard met een vleugje moderne bohemien zoals het door tal van Franse en Italiaanse designers werd geduid. Dergelijke kleding laat zich vaak goed combineren met een hoed met grote rand in natuurlijke tinten.

freespiritsflowerchildren35 Dessins zoals deze jurk van Versace zullen we veel gaan zien dit jaar

Chique monochroom:
Ook zwart en wit, samen de monochrome kleuren, zijn vrijwel altijd op één of andere manier aanwezig. Ook dit seizoen vormt geen uitzondering. Wat dit seizoen opvallend is dat ze worden gecombineerd tot allerlei patronen en dessins welke teruggrijpen op de jaren ’60. Dit jaar beperkt deze trend zich met name tot vrouwen nadat het voor de winter 2012-2013 voor veel mannen op de catwalk te zien was. Er is echter niets op tegen dat je als man gewoon monochrome kleding aantrekt.

Op de catwalk bij Acne werd behoorlijk wat zwart en wit met elkaar gecombineerd.
itsassimpleas8

Art prints:
We kunnen niet allemaal Vincent van Gogh zijn wanneer het op kunstzinnige talenten aankomt maar we kunnen wel art prints dragen. Eens in de zoveel tijd komt een dergelijke trend altijd weer naar voren hetgeen bepaald niet vreemd is gezien het feit dat mode en kunst elkaar altijd weer weten te vinden. Met name prints met penseelstreken doen het ongelooflijk goed op catwalk en zullen waarschijnlijk ook hun weg naar de winkel vinden.

cedric-charlier-paint-prints Een penseelstrook print van Cedric Charlier

Androgynie:
Vaak wordt gezegd dat we leven in een wereld waar de grenzen vervagen maar in de mode kan men er ook wat van. Androgyne looks waren een thema op de catwalk waarbij ogenschijnlijk willekeurige voorwerpen uit een mannenmodelijn en vrouwenmodelijn met elkaar worden gemixt. Dit is wellicht een geslaagd experiment voor wie zeer fashion forward is maar voor het dagelijks leven toch iets om voorzichtig mee te zijn.

sportyboyishdressing Een impressie van androgyne looks van de show van Alexander Wang

Tot besluit:
Dit artikel geeft slechts een vrij brede indruk van wat er op de catwalks te vinden was voor dit seizoen, het is geenszins uitputtend. Andere trends op de catwalk waren dit jaar onder meer jaren ’60 prints, Pinafore jurken en ook het sportieve invloeden blijven aanwezig. Looks die voor de man van de winter populair waren zoals de monochrome look zijn nu met name bij vrouwen te vinden. Metallics zijn een borduren voort op de felle kleuren van vorig jaar en de art prints zijn dit jaar wat mij betreft de meest opvallende nieuwkomers op de catwalk.

Wanneer iemand komt te overlijden, zullen de erfgenamen voor een aantal soms lastige keuzes worden gesteld. De laatste wensen van de overledene zullen moeten worden uitgevoerd, waaronder een eventueel aanwezige uiterste wilsbeschikking. Afhandeling van de nalatenschap is daar een belangrijk deel van. In dit kader deed de kantonrechter van Roermond recentelijk een opmerkelijke uitspraak.

Drie keuzes:
Erfgenamen hebben drie keuzes ((4:190 lid 1 BW) ten aanzien van een nalatenschap. Zij kunnen deze of:

  1. zuiver aanvaarden of
  2. beneficiair aanvaarden of
  3. verwerpen

De standaardsituatie is zuivere aanvaarding waarbij de saisine-regel onverminderd in werking treedt. De erfgenaam/erfgenamen treden vermogensrechtelijk in de plaats van de overledene. Anders gezegd: er treedt rechtsopvolging op onder algemene titel. Sec gezegd betekent dit dat een erfgenaam alle baten maar ook alle lasten uit de nalatenschap krijgt. Dat betekent dat een erfgenaam bij zuivere aanvaarding met zijn privévermogen aansprakelijk kan worden voor schulden die door de erflater zijn gemaakt.

Bij beneficiaire aanvaarding verkrijgt een erfgenaam alleen de goederen van de nalatenschap die zijn overgebleven na voldoening van de schulden van de erflater. De erfgenaam hoeft slechts schulden van de erflater te voldoen voor zover het geërfde vermogen daarvoor toereikend is. Dit maakt beneficiaire aanvaarding uitermate geschikt om nalatenschappen te aanvaarden waarvan de “inhoud” onbekend is. Met dit mechaniek kan een een erfgenaam voorkomen dat hij met zijn privévermogen aansprakelijk wordt voor schulden van de erflater.

Tot slot wordt bij verwerping een erfgenaam met terugwerkende kracht geacht nooit een erfgenaam te zijn geweest.

Het probleem:
Een erfgenaam kan uitdrukkelijk aangeven dat hij de erfenis zuiver aanvaard. Hij kan zich ook als zodanig gedragen, bijvoorbeeld door eigendommen van de erflater mee te nemen of zonder voorbehoud schulden te voldoen (artikel 4:192, eerste lid, BW). Hierin schuilt het gevaar, veel erfgenamen zijn niet of onvoldoende op de hoogte van geldende regelgeving en gedragen zich als zuiver aanvaardend erfgenaam waardoor zij zuiver aanvaarden, hoewel dit soms helemaal hun bedoeling niet is.

Het vervelende is dat in beginsel e keuze die een erfgenaam voor zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping maakt, onomkeerbaar is (art. 4:190 lid 4 BW). Tal van mensen wordt op deze manier aansprakelijk voor schulden uit de nalatenschap zonder dat zij het beseffen. Nu is dat geen heel erg solide excuus aangezien iedereen geacht wordt de wet te kennen, maar het is wel degelijk een probleem.

In een beperkt aantal gevallen is het toch nog mogelijk om via art. 4:194 BW na zuivere aanvaarding alsnog beneficiair te aanvaarden. Hiervoor is dan wel een machtiging van de kantonrechter nodig.

De feiten:
Na het overlijden van erflaatster hebben enkele erven [hierna: Y] de nalatenschap zuiver aanvaard. Enkele andere erven [hierna: X] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Laatstgenoemde erven waren weliswaar op de hoogte van de uiterste wil van de erflater, maar niet hadden voorzien dat de nalatenschap van moeder zo gering was dat niet alle vorderingen voldaan konden worden. Saillant detail daarbij is dat X met eigen vermogen het erfdeel van Y aan zou moeten vullen.

De erven X trachten hun gelijk te halen via twee argumenten: ten eerste is er een beroep gedaan op artikel 4:194 BW en ten tweede wordt betoogd dat een dergelijke situatie onredelijk is.

De overwegingen en uitspraak van de kantonrechter:
Op basis van de tekst van artikel 4:194 BW wordt het eerste argument afgewezen. De tekst luidt immers: “Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil[…]” In casu waren de erven X al bekend met de uiterste wil voordat de nalatenschap zuiver werd aanvaard. Het eerste argument gaat derhalve niet op.

Ter zitting hebben de erven X herhaald dat het de uitdrukkelijke wens van erflaatster was dat alle kinderen gelijk bedeeld zouden worden. De verdeling zoals die optreedt tengevolge van zuivere aanvaarding zou niet overeenstemmen met de uiterste wil en zou bovendien onredelijk zijn. Dit is niet met zoveel woorden weersproken door erven Y.

De kantonrechter is van oordeel dat door het vooroverlijden van echtgenoot van erflater alsmede het overlijden van erflaatster een onverdeelde gemeenschap is ontstaan zoals bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW, welke toekomt aan de erfgenamen. Uit lid 3 van ditzelfde artikel vloeit voort dat op de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten (in dit geval de erven) artikel 6:2 BW van toepassing is. Dit artikel verklaart dat de rechtsbetrekking tussen deelgenoten wordt beheerst door redelijkheid en billijkheid.

Redelijkheid en billijkheid kunnen inbreuk kunnen maken op hetgeen uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit. De kantonrecht is van oordeel dat het in het dit geval redelijk en billijk is om aan de erven X machtiging te verlenen om de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden. Op deze wijze worden de kinderen allen gelijkelijk bedeeld zodat de feitelijke situatie in overeenstemming kan worden gebracht met de uiterste wil van erflaatster.

Conclusie:
Dit is een vrij opmerkelijke uitspraak van de kantonrechter aangezien het wettelijke stelsel hiermee bijzonder hard onderuit wordt gehaald. Het zou zonder meer zeer interessant zijn om te zien of de gebruikte redenering de toets der kritiek van een hoger beroep zou kunnen doorstaan.

Een direct beroep op artikel 4:194 BW kan niet slagen omdat erven X al zuiver aanvaard terwijl zij bekend waren met de uiterste wil van erflaatster. De wettekst is bijzonder duidelijk over het feit dat in dat geval artikel 4:194 BW geen toepassing kan vinden. Uit hoofde van de wet kunnen de erven X dus eigenlijk niet langer beneficiair aanvaarden. De oplossing wordt gevonden in een omweg via een gemeenschap welke verdeeld moet worden en onder het bereik valt van redelijkheid en billijkheid.

Redelijkheid en billijkheid is in juridisch opzicht een paardenmiddel omdat het zelfs de wet buiten werking kan stellen. De kantonrechter merkt dan ook zeer terecht op dat met het middel terughoudend moet worden opgetreden. Het is echter in dit geval gerechtvaardigd omdat met gebruik hiervan alsnog kan worden voldaan de uiterste wil van erflaatster.

Mijns inziens wordt hier dus een testament gebruikt om het wettelijke stelsel buiten werking te stellen. Deze redenering kan alleen opgaan omdat de erven het kennelijk met elkaar eens zijn over de inhoud van de uiterste wil. Opmerkelijk daarbij is wel dat erven Y de stellingen van erven X kennelijk “niet met zoveel woorden” tegengesproken hebben. De vraag is dan met hoeveel woorden de stellingen eventueel wel zijn tegengesproken. Dat is echter iets wat we nooit zullen weten.

Een redenering als hier gehanteerd wordt, zal nooit op kunnen gaan als het niet de bedoeling is geweest van erflater om alle erven gelijk te bedelen.

Tot slot moet nog gemeld worden dat de staatssecretaris bezig is met het ontwerpen van een plan om erfgenamen beter te beschermen tegen onverwachte schulden uit een nalatenschap. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het systeem zoals beschreven in artikel 4:194 BW. Zie hiervoor ook het eerdere artikel op legallife.nl

Bron:
LJN: BZ0690,Sector kanton Rechtbank Roermond

Het strafrecht is omgeven door strenge regels aangaande procesvoering en om het proces van waarheidsvinding zo effectief mogelijk te maken. Verscheidene forensische disciplines van wetenschap worden steeds beter in het vinden van hard bewijs dat bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Ondanks de wetenschappelijke vooruitgang blijft de getuigenverklaring nog altijd een prominente plaats innemen in het strafrecht.

De enkele verklaring:
Een belangrijke regel in dit verband is artikel 342 Sv wat bepaalt dat een verdachte niet kan worden veroordeeld op slechts één enkele verklaring. De ratio hiervoor is simpel, zonder deze regel is het mogelijk dat iemand in de gevangenis beland simpelweg omdat een ander beweert dat iets gebeurd is. Tegenbewijs aanleveren tegen een dergelijke stelling is lastig, het is immers vaak vrijwel onmogelijk te bewijzen dat je iets niet gedaan hebt.

Een verklaring van een getuige zal dan ook altijd moeten worden ondersteund met ander bewijs. Dit kunnen andere onafhankelijke getuigenverklaringen zijn van getuigen die los van elkaar hetzelfde verklaren maar het kan ook forensisch bewijs zijn of andere bewijsmiddelen zoals bescheiden die bij huiszoeking zijn verkregen. Bij elkaar wordt dit steunbewijs genoemd naar het feit dat het een verklaring ondersteunt. Zonder steunbewijs kan een enkele verklaring niet voldoende op betrouwbaarheid en juistheid worden onderzocht.

Gewoonlijk wordt bij strafzaken gebruik gemaakt van een diversiteit aan bewijsmiddelen maar bij onderhavige zaak is er sprake van het gebruik van een enkele verklaring in combinatie met onvoldoende steunbewijs.

De feiten:
Verdachte is ten laste gelegd dat hij seksuele handelingen heeft verricht met iemand die de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt. De verdediging bepleit vrijspraak bij gebrek aan overtuigend en wettig bewijs.

Overwegingen en oordeel van de rechtbank:
De rechtbank start met de vaststelling dat de ten laste gelegde feiten allemaal zijn terug te voeren op de verklaring die het slachtoffer tegenover de politie deed. De verdachte ontkent dergelijke verwijten. Daarmee rijst de vraag of het dossier voldoende bewijs bevat om een veroordeling mogelijk te maken. Artikel 342 Sv bepaalt immers dat de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, niet mag baseren op de verklaring van één enkele getuige.

De OvJ stelt dat het opvallende gedrag van het slachtoffer voldoende steun biedt aan zijn verklaring, zodat in haar visie sprake is van meer bewijsmiddelen dan die ene getuigenverklaring (zij het uiteindelijk als geheel onvoldoende overtuigend).

Het valt echter niet uit te sluiten dat het gedrag van het slachtoffer andere oorzaken heeft. Het dossier biedt dan ook voldoende materie voor alternatieve verklaringen voor het gedrag de nodige aanknopingspunten. Van een rechtstreeks, onomstotelijk verband tussen het gedrag en de vermeende handelingen is geen sprake. Feiten en omstandigheden die de getuigenverklaring kunnen ondersteunen, maar reële alternatieven nog steeds niet weerleggen, kunnen daarom niet als steunbewijs worden aangemerkt.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat er nog de nodige vraagtekens zijn over de verklaring die door het slachtoffer is afgelegd. Het slachtoffer had eerder vergelijkbare beschuldigingen tegen verdachte geuit, maar kwam daarop terug in een gesprek met zijn moeder. Ook nemen de aard, ernst en frequentie van het gestelde misbruik aanzienlijk toe naarmate vaker met het slachtoffer wordt gesproken en zijn een aantal van de dingen die hij zegt verifieerbaar onjuist zijn of (om fysieke redenen) zeer onwaarschijnlijk. Het is kan derhalve niet worden uitgesloten dat de verklaring van het slachtoffer niet overeenkomt met de werkelijkheid.

De verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Conclusie:
Uiteindelijk zijn alle aantijgingen terug te voeren op een verklaring van het slachtoffer waarvoor aanwijzingen bestaan dat deze aanzienlijke onjuistheden bevat. Er is onvoldoende steunbewijs om de verklaring te dragen. Het slachtoffer vertoont vreemde gedragingen in het bijzijn van anderen maar het dossier biedt de nodige aanknopingspunten voor alternatieve oorzaken van gedragingen van het slachtoffer. Feiten en omstandigheden die de getuigenverklaring zouden kunnen ondersteunen, maar reële alternatieven niet weerleggen, kunnen niet als steunbewijs worden aangemerkt. De verklaring van het slachtoffer kan derhalve niet voldoende op betrouwbaarheid en juistheid worden getoetst.

Het gevolg van het afwezig zijn van voldoende wettig en overtuigend bewijs moge duidelijk zijn, vrijspraak zal volgen.

Bron:
LJN: BZ2113, Rechtbank Leeuwarden