Er is uitspraak gedaan in de zaak die de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) had aangespannen tegen de onteigening door de overheid. Het vonnis is vrij lang maar de hoogtepunten zal ik er uit lichten. Zo komt er bijvoorbeeld een beroep op onder artikel 6 EVRM voorbij maar dit zal dus niet behandeld worden. Gezien de ongelooflijk grote diversiteit aan rechtsargumenten verdient het echter wel de aanbeveling om een vonnis als dit een keertje helemaal door te lezen.

De onteigening:
De onteigening was veelomvattend. Onteigend werden:

  1. lle aandelen
  2. alle Core Tier 1 capital securities in het kapitaal van SNS REAAL en
  3. alle achtergestelde schuld van zowel SNS REAAL als SNS Bank waaronder effecten en onderhandse leningen.

Alle aandelen en achtergestelde obligaties worden dus eigendom van de staat en alle investeerders vissen dus achter het net. Het gevolg van de onteigening is dat de Staat de facto enig aandeelhouder wordt en daarmee alle zeggenschap in de onderneming verkrijgt. Daarmee kan de Staat onder meer dingen doen als een nieuw bestuur aanstellen wat inmiddels ook ten dele is gebeurd.

De financiële gevolgen van de onteigening zijn 3,7 miljard aan kosten. Ook komt er 1,1 miljard euro aan overbruggingskrediet en 5 miljard euro aan garanties. Deze kosten leiden in 2013 tot een verslechtering van het EMU-saldo met 0,6 procent en de EMU-schuld neemt toe met 1,6 procent.

Over de financiële stabiliteit:
Een heikel punt in de hele affaire is de vraag of SNS Bank een integraal onderdeel vormt van het financiële stelsel. Met andere woorden: is SNS een systeembank? Volgens de minister is er sprake van een systeembank, indien het faillissement van de instelling onaanvaardbaar grote en onwenselijke gevolgen zou hebben voor de financiële stabiliteit, de Nederlandse economie en de Nederlandse belastingbetaler. Gelet op op de omstandigheden waarin SNS verkeerde, en dan met name de tak Property Finance, heeft de minister terecht geoordeeld dat SNS Bank een systeemrelevante instelling is. Dat SNS Bank op punten als het beheerde bedrag aan spaargeld en de omvang van de buitenlandse activiteiten, niet vergelijkbaar is met de drie grootste Nederlandse banken (ING, Rabobank en ABN AMRO), maakt dit niet anders. Voor zover betogen zich daartegen richten, falen zij.[punt 16]

Daarnaast zou als de minister had ingegrepen, DNB een noodregeling hebben moeten aanvragen wat waarschijnlijk het faillissement van de bank tot gevolg had gehad (zie in dit kader ook het DSB-debacle). SNS Bank kon niet zelfstandig het kapitaaltekort kon oplossen dat met name door verliezen op de vastgoedportefeuille van SNS Bank was ontstaan. Voorts had DNB geëist dat voor 31 januari een structurele oplossing voor het kapitaaltekort zou zijn bereikt. Op die datum was geen goede oplossing voor handen. Zonder ingrijpen van de minister zou SNS zeer waarschijnlijk failliet zijn gegaan. Dat zou eveneens hebben geleid tot het faillissement van ASN Bank en RegioBank. Dat zou een zeer zware wissel hebben getrokken op het depositogarantiestelsel en daarmee ernstige gevolgen voor de andere banken en de Nederlandse Staat. Al met al is de minister er dus terecht van uitgegaan dat de financiële stabiliteit van het stelsel bedreigd werd. [punt 17 t/m 19]

Rechtmatigheid van de onteigeningen:
Een aanzienlijk aantal appellanten betoogt dat de minister anders gebruik had moeten maken van de bevoegdheid tot onteigening. De minister is voor onteigening uitgegaan van de volgende principes:
(1) het onteigeningsbesluit moet de bedreiging voor de stabiliteit van het financiële stelsel adequaat wegnemen, (2) het onteigeningsbesluit moet een zo gering mogelijk beslag op de algemene middelen leggen en (3) de lasten van de onteigening moeten zoveel mogelijk worden gedragen door degenen die aan SNS Bank of SNS Reaal risicodragend vermogen hebben verschaft. De Raad van State geeft aan dat het eerste punt de reden is dat er onteigeningsbevoegdheid bestaat en acht de andere twee punten niet onredelijk. Daarbij wordt expliciet opgemerkt dat de minister de vrijheid heeft om rekening te houden met de (financiële) belangen van de Staat. Er is geen rechtsregel die de Staat de verplichting geeft om reeds voor de onteigening door beleggers geleden verliezen ten laste van de algemene middelen te compenseren.

Ook het betoog dat slechts activa onteigend kunnen worden en dat passiva naar hun aard niet onteigend kunnen worden, gaat niet op. De minister mocht alle effecten, waaronder aandelen, achtergestelde obligaties en participatiecertificaten, en de achtergestelde onderhandse leningen van SNS Bank en SNS REAAL onteigenen.[punt 20 & 21]

Obligaties:
Ook het onderscheid tussen houders van obligaties en houders van achtergestelde is toegestaan. De rechtvaardiging verschilt enigszins per aangedragen element. De minister had met het onteigenen van de aandelen kunnen volstaan om de zeggenschap te krijgen maar dat had geen noemenswaardige verbetering van de kapitaalpositie opgeleverd.

Er is ook geen sprake van ongelijke behandeling van de twee soorten obligatiehouders. De minister heeft er voor gekozen om aan te sluiten bij de positie die de houders van die effecten bij een faillissement zouden innemen in de faillissementsladder. Nu zij op de faillisementsladder geen gelijke positie bekleden, betreft het geen gelijke gevallen en faalt het betoog over de gestelde ongelijke behandeling.

Er is ook gesteld dat ten onrechte de achtergestelde obligaties van SNS REAAL zijn onteigend, terwijl die vennootschap niet in problemen verkeert die vergelijkbaar zijn met de problemen van SNS Bank. De minister heeft dat echter noodzakelijk achten met het oog op het toereikend afwenden van de bedreiging van de stabiliteit van het financiële stelsel, gelet op de sterke onderlinge financiële verwevenheid van beide vennootschappen. [punt 22 t/m 27]

Participatiecertificaten:
Vrijwel alle appellanten die houder waren van een participatiecertificaat stelden dat zij dachten dat certificaten een spaarproduct vormden en bij de aanschaf er niet over zijn geïnformeerd dat het een achtergestelde obligatie is.

Dat zij stellen onvolledig geïnformeerd te zijn doet niet af aan het feit dat de certificaten achtergestelde obligatieleningen met onbepaalde looptijd zijn. Zoals hierboven vermeld is de keus om achtergestelde obligaties te onteigenen niet onredelijk. Er hoeft daarbij geen onderscheid gemaakt te worden tussen verschillende partijen.[punt 28]

Achtergestelde onderhandse leningen:
De houders van de onderhandse leningen stellen dat de minister ten onrechte deze schulden heeft onteigend. Te dien einde hebben zij aangevoerd dat onder vermogensbestanddelen uitsluitend activa vallen. Zoals hierboven vermeld is dat niet het geval. FNV heeft specifiek aangevoerd dat de achterstelling in de overeenkomst tussen SNS Reaal en FNV slechts opgenomen is omdat SNS REAAL anders solvabiliteitsproblemen zou krijgen. Ook bevat de achterstelling niet de daarbij behorende kenmerken en heeft de lening, in tegenstelling tot de obligaties, niet de kenmerken van risicodragend kapitaal. Ten slotte stelt FNV onevenredig geraakt te worden omdat zij op 24 februari de laatste betalingstermijn zouden hebben ontvangen.

Het betoog van FNV faalt omdat de minister mocht uitgaan van de bewoordingen in de overeenkomst. Binnen een bepaalde categorie hoefde geen onderscheid gemaakt te worden. Dus de onteigening van de onderhandse lening tussen SNS REAAL en de FNV is toegestaan.

Ook het feit dat onteigening is geschied ten gunste van een speciaal daar toe opgericht vehikel (SAOS) is niet onrechtmatig. Door vermogensbestanddelen ten name van deze stichting te onteigenen, wordt de eigendom van die vermogensbestanddelen afgescheiden van het vermogen van de Staat. Daardoor wordt de staat niet aansprakelijk voor eventuele schulden. Dat SAOS geen verhaal voor de betalingsverplichtingen zal bieden, maakt onteigening krachtens de Wft nog niet onrechtmatig.[punt 29 & 30]

Toekomstige vorderingen:
De Raad van State heeft het onteigeningsbesluit vernietigd voor zover de minister ook alle vorderingen heeft onteigend die voormalige aandeel- en obligatiehouders in de toekomst zouden kunnen instellen. De minister heeft er voor gekozen om, in aansluiting op de bij een faillissement geldende rangorde van schuldeisers, alle achtergestelde vorderingen te onteigenen, maar de concurrente vorderingen in beginsel niet.

Door toekomstige vorderingen toch te onteigenen, heeft de minister niet in overeenstemming gehandeld met de keuze om concurrente vorderingen buiten de onteigening te houden. Daarnaast wordt met de onteigening binnen de concurrente vorderingen een onderscheid gemaakt tussen de vorderingen van de onteigende aandeel- en obligatiehouders en die van anderen. Dat is strijdig met de keuze om binnen een bepaalde categorie geen onderscheid tussen verschillende partijen te maken. Dat dit noodzakelijk is om te voorkomen dat de onteigende aandeel- en obligatiehouders hun koersverlies en beleggersrisico alsnog zouden kunnen afwentelen op de Staat of SNS REAAL, kan niet tot een ander oordeel leiden. Een vordering uit hoofde van verplichtingen en aansprakelijkheden, onder meer uit onrechtmatige daad, heeft een wezenlijk ander karakter dan een aanspraak op schadeloosstelling wegens onteigening van effecten. [punt 31]

Conclusie:
De onteigening de effecten, waaronder aandelen, achtergestelde obligaties en participatiecertificaten, en de achtergestelde onderhandse leningen van SNS Bank en SNS REAAL is toegestaan. Slechts de toekomstige vorderingen ontspringen de dans. Dat is voor de onteigende aandeel- en obligatiehouders bijzonder prettig nu dat betekent dat zij een schadevergoeding kunnen krijgen. Dan moeten ze wel kunnen aantonen dat er wanbeleid is gevoerd.

Daartoe wordt allereerst een procedure aanhangig gemaakt bij de Ondernemingskamer in Amsterdam (OK) over de schadeloosstelling. De minister heeft al laten weten dat deze op nul wordt gesteld. De VEB zal zich namens de gedupeerde beleggers bij de OK melden om er op toe te zien dat de werkelijke waarden van de onteigende aandelen en achtergestelde obligaties op een juiste wijze worden vastgesteld.

Ook heeft de VEB bij de OK gevraagd om een enquêteprocedure te starten om duidelijkheid te krijgen wie waarvoor verantwoordelijk is. Het persbericht van de VEB lijkt overigens te suggereren dat er sprake is geweest van wanbeleid maar dit is nog allerminst door de rechter vastgesteld. Het is gezien de omvang van de problemen echter wel goed mogelijk dat er sprake is geweest van wanbeleid door één of meer partijen.

Als dat eenmaal gebeurd is dan zullen er wellicht nog verdere procedures volgen met als doel schadevergoeding te verkrijgen maar voordat we in die fase aanbelanden zal er wel aardig wat tijd verstreken zijn.

Bron:
LJN: BZ2265, Raad van State
Minister van Financiën mocht effecten en leningen SNS onteigenen, maar toekomstige vorderingen niet via raadvanstate.nl
Uitspraak Raad van State over SNS opmaat voor verdere actie VEB via veb.net
Nationalisatie SNS blijft overeind via nu.nl
‘Dijsselbloem mocht SNS Reaal onteigenen’ via z24.nl

Wat heb je als jurist nu werkelijk nodig in je dagelijkse bestaan? Een goede pen is best een handig idee. De meeste mensen staan er waarschijnlijk amper bij stil maar een pen gebruiken we elke dag. Daarbij maken de meesten gebruik van simpele ballpoints die je cadeau kreeg bij het één of andere promotie-evenement. Voor pennen geldt echter hetzelfde principe voor als zoveel dingen in het leven: goed gereedschap maakt het werk aangenamer. Dat betekent overigens niet dat je enkele honderden euro’s hoeft uit te geven aan een pen. Uiteindelijk is het immers een instrument om inkt op papier te krijgen. Er zijn een aantal dingen die in overweging kan nemen bij het kiezen van een pen.

Overwegingen bij het kiezen van een pen:

Er is een groot aantal factoren van invloed op de keus van een pen. Denk daarbij aan dingen als de grootte van je handschrift, de manier waarop je de pen vasthoudt, de grootte van de hand, waar je op schrijft, het budget enz.

Kosten:
Pennen kunnen het beste gezien worden als sieraden die ook nog nuttig zijn. Goede en aantrekkelijke pennen zijn beschikbaar in alle prijsklassen van € 10,- tot € 5000,- Koop altijd de meest geschikte pen binnen je budget. Houd daarbij rekening met het feit dat je een pen een keer kwijt kan raken en dat je er dan geen hartzeer van moet hoeven hebben. Boven de ongeveer € 200,- is er aan het schrijfmechaniek niet zoveel meer te verbeteren dan een hogere prijs gerechtvaardigd is. Je gaat dan meer betalen voor de exclusiviteit van de gebruikte materialen van de rest van de pen.

Handschrift:
Bedenk hoe je graag schrijft. Schrijf je in blokletters of heb je een cursief handschrift? Hoe kleiner je schrijft, des te fijner de penpunt die je zult willen. Omgekeerd geldt dat hoe sneller en groter je schrijft, de penpunt breder moet zijn. Een bredere punt doet inkt sneller vloeien en je wilt altijd dat er voldoende inkt vrijkomt om een goede ononderbroken lijn neer te zetten zonder dat er van al te veel uitvloeiing van inkt sprake is.

Gewicht:
Denk goed na over hoe zwaar de pen ongeveer moet zijn voor je. Heb je een stevige grip dan is een zwaardere en steviger pen vaak prettiger. Kijk dan voor een pen gemaakt van een materiaal als staal of een ander metaal. Heb je wat lichtere grip dan is een lichtere pen vaak prettiger.

Dikte en lengte:
De geschikte dikte en lengte van een pen worden gedicteerd door de afmetingen van de hand van de schrijver. Hoe groter de hand, hoe dikker en langer de pen moet zijn om goed vast te kunnen houden. Voor sommige schrijvers is een pen met driehoekige greep prettiger om vast te houden. Voor wie nog nooit een pen met driehoekige greep heeft gehanteerd is het aanbevolen om dit eens te proberen.

Voor wat betreft de lengte van de pen is eigenlijk de enige maatstaf dat de pen minstens tot een centimeter voorbij de huidplooi tussen de wijsvinger en duim moet reiken. Dit zorgt er voor dat de pen een stabiele ligging heeft en derhalve beter te controleren is. Dat zorgt voor een ontspannen greep en consequenter handschrift.

Uiterlijk en afwerking:
Dit is toch wel het meest persoonlijke aspect van de keuze van een pen. Selecteer een kleur en afwerking die je aanspreken en die passen bij wat jij graag wilt. Gewicht kan hierbij een factor zijn. Houd ook rekening met hoe de pen er over een aantal jaren uit zal zien. Een pen van een materiaal als cellulose houdt bijzonder lang zijn kleur vast maar niet bijzonder duurzaam. Een metalen pen is weer bijzonder duurzaam maar vaak krasgevoelig.

Inkt:
Met welke variant inkt je wilt schrijven kan ook een overweging zijn bij het kiezen van een pen. Er zijn eigenlijk maar drie soorten inkt die vaak voorkomen: balpeninkt, inkt op waterbasis en gel inkt. Balpeninkt is een dikke pasta die wordt fijngewreven of gesmolten door het draaien van de rollerbal en dan middels capillaire werking op het papier wordt aangebracht. De inkt droogt snel maar is met uitzondering van zwarte inkt niet bijzonder kleurvast en zal na verloop van tijd gaan vervagen.

Inkt op waterbasis wordt gebruikt in vulpennen en rollerballs. Het werkt slecht op gecoat papier en heeft langer nodig om te drogen dan balpeninkt. Vrijwel alle watergebaseerde inkt is vermengd met kleurstoffen en zeer lichtvast. Watergebaseerde inkt heeft wel meer de neiging tot uitvloeien wat met name op bijzonder glad papier lastig kan zijn. Ook kan watergebaseerde inkt weer gaan uitvloeien op het moment dat deze nat wordt.

Gel inkt is een redelijk recente variant. Het duurt een tijdje voordat de inkt droog is. Eenmaal droog is deze absoluut onuitwisbaar en kleurecht. Daarnaast is gel-inkt meestal zuurvrij wat het ideaal maakt voor gebruik voor geschreven documenten die langere tijd moeten worden bewaard.

Soorten pennen:

Na alle voorgaande karakteristieken van een pen om op te letten, moet er ook nog een keuze worden gemaakt voor de soort pen.

Balpen:
Balpennen zijn de meest voorkomende, meest universeel bruikbare en minst dure pennen. Vanwege hun inkt geven zij acceptabele prestaties onder vrijwel alle omstandigheden voor een acceptabele prijs. De goedkopere varianten maken gebruik van een metalen of plastic buis om de inkt in op te slaan. Door temperatuurverschillen kan de inkt uitzetten of samentrekken waardoor er klontvorming in de inkt kan optreden. Een vulling die daar last van heeft wordt onmiddellijk waardeloos. Balpoints die gemaakt zijn om nagevuld te worden maken over het algemeen gebruik van een gesloten metalen vulling die onder druk staat. Dergelijke balpoints zijn minder gevoelig voor temperatuurverschillen en hebben geen last van zwaartekracht (door de druk) waardoor zij ook ondersteboven gebruikt kunnen worden.

Zoals de naam doet vermoeden is een balpen een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt. Door de schrijfbewegingen van de schrijver gaat de kogel rollen waardoor uiteindelijk de inkt op het papier wordt overgebracht. De kwaliteit van deze kogel is van groot belang voor de schrijfkwaliteit. Goedkopere pennen maken vaak gebruik van een stalen kogeltje, duurdere pennen maken gebruik van wolfraamcarbide. Dit laatste materiaal is veel harder en minder slijtagegevoelig. Pennen met een stalen kogel zullen soms al uitval vertonen of haperig aanvoelen tijdens het schrijven voordat de vulling daadwerkelijk leeg is. Gezien het feit dat balpennen over het algemeen toch al redelijk goedkoop zijn, is het derhalve handig om niet voor de allergoedkoopste varianten te gaan.

Rollerbal:
Een rollerbal is familie van de balpen. Rollerbalpennen gebruiken een vloeibare inkt die middels een rollende bal wordt overgebracht op het papier. Dit zorgt voor een soepeler schrijfervaring dan een balpen waarbij de inkt wordt gesmolten door het draaien van de bal. De rollerbal biedt hierdoor over het algemeen een hogere schrijfsnelheid dan de balpen bij een iets lichtere aanslag op het papier.

Er zijn zowel varianten met inkt op waterbasis verkrijgbaar als met inkt op gelbasis. Houdt hiermee rekening bij het kiezen van de rollerbal.

Vulpen:
Een vulpen is een pen waarmee men schrijft met vloeibare inkt. Vulpennen zijn de technologische afstammeling van de aloude ganzenveer. De punt is over het algemeen gemaakt van goud of roestvrij staal of iridium en heeft de vorm van een wig met een split in het midden. Inkt wordt aangeleverd aan het door zeer fijne capillaire groeven en zwaartekracht. Overigens zijn penpunten van iridium tegenwoordig vrij zeldzaam.

Een vulpen heeft meestal een losse dop die op de pen geklikt of geschroefd kan worden. De dop beschermt de kwetsbare pen en voorkomt het uitdrogen van de in de pen aanwezige inkt. Van een vulpen wordt wel gezegd dat deze “naar de hand gaat staan” van de schrijver. Dit gold met name in vroeger tijden toen penpunten vele malen flexibeler waren maar tegenwoordig worden penpunten vaak veel stijver gemaakt omdat mensen door de balpen het gewend zijn geraakt om harder op het papier te drukken. Er zijn wel nog steeds fabrikanten die een flexibele punt maken maar deze pennen zijn dus in de minderheid.

Vulpennen gebruiken vrijwel zonder uitzondering watergebaseerde inkt omdat deze het gemakkelijkst door de pen kan vloeien. Een goede vulpen zal over het algemeen het lichtst schrijven van alle soorten pennen en wordt dan ook graag gebruikt door mensen die veel schrijven.

Conclusie:

Er zijn talloze combinaties mogelijk van pen en inktsoort. Zoals altijd hangt het van persoonlijke omstandigheden af wat bruikbaar. Mensen die veel schrijven, geven vaak de voorkeur aan een vulpen omdat deze bijzonder licht schrijft. Als de prioriteit is dat een pen het eigenlijk overal en altijd moet doen dan is een balpen vaak de betere keuze. De rollerbal kan een prima keuze zijn voor wie houdt van het gevoel van schrijven met een balpen maar toch iets lichters wil.

Zeker voor degene die regelmatig vrij veel moet schrijven (en dat is eigenlijk iedere jurist) is een goede pen die aangenaam in de hand ligt een aanrader.

Jaarlijks wordt een kwart van alle inwoners van Nederland van 15 jaar en ouder één of meerdere keren slachtoffer van gewelds-, vermogens- of vandalismedelicten. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat in de afgelopen jaren de aandacht voor de rol van slachtoffers van criminaliteit enorm is toegenomen. Staatssecretaris Teeven heeft gisteren zijn visiedocument aangaande slachtofferhulp naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin staat de behoefte van slachtoffers centraal.

Het visiedocument:
Zoals de naam al doet vermoeden bevat een visiedocument de visie op de positie van slachtoffers van criminaliteit en de waar de verantwoordelijkheid van de overheid begint en ophoudt. In het visiedocument wordt een vijftal beleidsuitgangspunten neergezet die de komende vier jaar een speerpunt gaan vormen van het slachtofferbeleid:

  1. Slachtoffers worden erkend en zorgvuldig bejegend en geïnformeerd;
  2. Slachtoffers hebben een sterke positie in het recht;
  3. Slachtoffers krijgen bescherming waar nodig;
  4. Slachtoffers die dat nodig hebben krijgen ondersteuning bij het te boven komen van de gevolgen van het delict;
  5. Slachtoffers hebben mogelijkheden tot herstel van de gevolgen, zowel financieel, praktisch als emotioneel.

De inhoud van deze beleidspunten laten zien hoe de overheid aankijkt tegen de rol van slachtoffers in de strafrechtsketen. Daarbij is een verschuiving naar een grotere rol voor slachtoffers zichtbaar. Hieronder zullen de vijf beleidspunten één voor één worden besproken.

Slachtoffers worden erkend en zorgvuldig bejegend en geïnformeerd:
De stappen die de afgelopen jaren zijn gezet ten aanzien van de rechtspositie van slachtoffers gaan sommigen nog niet ver genoeg en anderen reeds te ver. Doel is nu de positie van slachtoffers in het strafproces verder te versterken, zonder dat slachtoffers een eigenstandig vervolgingsrecht krijgen. Teeven acht een cultuuromslag noodzakelijk in hoe er over slachtoffers wordt gedacht. Alle organisaties binnen de justitiële keten zijn daarom al in 2012 een gezamenlijk project gestart om binnen de beroepsopleiding meer aandacht te richten op (de rechten van) slachtoffers. De eerste resultaten van het project worden nog dit voorjaar verwacht. Ook wordt bijvoorbeeld bij de reclassering gekeken of en zo ja hoe slachtoffers een sterkere positie in het advies van de reclassering aan de rechter kunnen krijgen. Ook is de reclassering bezig met het inrichten van een werkproces om bij toezicht door de reclassering in gevallen van een ernstig misdrijf, een verbinding teleggen tussen de toezichthouder en de casemanager van Slachtoffer Hulp Nederland die het slachtoffer of de nabestaanden bijstaat. Zo worden uitvoerende keten en hulpverlenende keten strakker tegen elkaar aan getrokken.

Er wordt voor informatie voor slachtoffers toegewerkt naar één communicatiekanaal. Dit gebeurt mede onder invloed van de EU-richtlijn minimumnormen voor slachtoffers. Deze richtlijn heeft aanzienlijke consequenties waarbij nauwkeurig moet worden bekeken welke algemene informatie in welke standaardtalen wordt verstrekt en hoe maatwerk georganiseerd kan worden voor bijvoorbeeld het vertalen van zaaksinformatie.

Slachtoffers hebben een sterke positie in het recht:
De rechten van slachtoffers hebben tot doel de belangen van het slachtoffer mee te wegen bij de beslissingen in het strafproces. Daarbij dient de overheid de belangen van de verdachte en de samenleving in balans te brengen met de belangen van slachtoffers. Slechts de overheid heeft het monopolie op het vervolgen en straffen een dader. Het is dan ook niet zo dat slachtoffers een min of meer zelfstandig vervolgingsrecht gaan krijgen. Om slachtoffers een gevoel van genoegdoening te geven dient de overheid haar werk zo goed en zichtbaar mogelijk uit te voeren.

Er is nog steeds een lopende discussie over de gewenste reikwijdte van het spreekrecht van slachtoffers in een rechtszaak. In lijn met het regeerakkoord is komt er nog dit jaar een wetsvoorstel om het spreekrecht uit te breiden. Slachtoffers hoeven zich dan niet langer te beperken tot de gevolgen van het delict maar zij mogen aich ook uitlaten over de gewenste straf(maat). Daarbij dient er ook aandacht voor te zijn voor het feit dat als gevolg van uitlatingen in het kader van het spreekrecht een slachtoffer alsnog als getuige ter zitting kan worden gehoord. Slachtoffers dienen daar van tevoren nadrukkelijk op te worden gewezen.

Slachtoffers krijgen bescherming waar nodig:
Slachtoffers dienen te worden beschermd. Dat dient zich niet slechts te beperken tot het fysieke vlak maar ook secundaire victimisatie dient voorkomen te worden. Dingen als domiciliekeuze en anonieme aangifte zijn manieren om de veiligheid van slachtoffers bij de aangifte te vergroten. Sinds 1 november 2012 is het onder bepaalde voorwaarden al mogelijk om aangifte op nummer te doen. De identiteit wordt daarbij niet bekend gemaakt. De veiligheid van het slachtoffer moet ook nadrukkelijker worden meegewogen bij de tenuitvoerlegging van straffen. Daarvoor moet standaard worden bekeken of bijvoorbeeld een gebieds- of contactverbod kan worden opgelegd bij verlof of voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Slachtoffers die dat nodig hebben krijgen ondersteuning bij het te boven komen van de gevolgen van het delict:
Er spelen op dit moment meerdere organen een rol in de hulpverlening aan slachtoffers. Zo zijn er Slachtofferhulp Nederland, het Schadefonds Geweldsmisdrijven en het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Zoals eerder vermeld is in het regeerakkoord aangegeven dat er één communicatiekanaal komt voor slachtoffers. In het kader daarvan zal onderzoek worden verricht naar de mogelijkheid om (onderdelen van) deze organisaties samen te voegen zodat de hulpverlening en communicatie in grotere mate gecentraliseerd wordt.

Naast deze instanties zijn er ook nog tal van gespecialiseerde instanties waar slachtoffers van specifieke categorieën misdrijven terecht kunnen.

Slachtoffers hebben mogelijkheden tot herstel van de gevolgen, zowel financieel, praktisch als emotioneel:
Slachtoffers hebben het op tal van terreinen moeilijk. Sommigen dragen levenslang de fysieke en/of emotionele gevolgen op omdat de schade van een misdrijf soms niet meer te herstellen is. Het is echter wel belangrijk achteraf daar waar herstel mogelijk is hier aan bij te dragen. Daders ook moeten bijdragen in de kosten voor de ondersteuning van slachtoffers. Daarom wordt momenteel onderzocht wat de mogelijkheden zijn om een verplichte bijdrage van veroordeelden ten behoeve van slachtoffers te vorderen.

Vaak zal bij misdrijven ook gewoon sprake van materiële schade. Ook daarbij is het uitgangspunt dat de dader betaalt. Een wetsvoorstel om conservatoir beslag te laten leggen bij een dader in het kader van het strafproces is al door de Tweede Kamer en ligt nu bij de Eerste Kamer. Ook is er een project ‘schadeverhaal’ gestart. Dit mikt er onder meer op om belemmeringen voor het schadeverhaal door verzekeraars op te heffen en de uitbreiding van mogelijkheden voor inning door het CJIB te onderzoeken. Een ander aspect ervan is dat het schadeverhaal voor slachtoffers makkelijker moet worden. Een ander element wat ook uit het regeerakkoord komt is dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven nu ook uitgebreid gaat worden tot dood-door-schuld delicten.

Tot slot is een beleidskader herstelbemiddeling ontwikkeld wat dit jaar in de praktijk wordt getest. Voor slachtoffers die behoefte hebben aan interactie met de dader kunnen dit zowel in het strafproces als naast het strafproces aangaan.

Conclusie:
De laatste jaren is er veel te doen rondom de positie van de slachtoffer in het strafrecht. De discussie focuste zich vaak rondom het spreekrecht van slachtoffers in de rechtszaal maar er zit aan de positie van slachtoffers in de strafrechtsketen meer dan één aspect. Deze visienota schetst het beleid voor de komende vier jaar. Enkele maatregelen zijn al in gang gezet en zullen al dit voorjaar resultaten gaan leveren, andere zullen we de komende jaren pas gaan zien.

Bron:
Brief Tweede Kamer: Visie op slachtoffers
Visienota: Recht doen aan slachtoffers

Zoals in de nieuwsbrief van afgelopen weekend was vermeld, heeft dhr. Krol een boete gekregen van € 750,- voor hacken. Daarbij struikelen kennelijk nogal wat mensen over het feit dat de rechter de daad van het hacken kennelijk goedkeurde maar toch een boete oplegde. Het is daarom nuttig om eens naar het vonnis te kijken en te bezien of het oordeel van de rechter daadwerkelijk zo onbegrijpelijk is als tal van mensen het doen voorkomen.

De feiten:
Wellicht ten overvloede meldt ik dat ik hierbij uitga van de feiten zoals die uit het vonnis blijken en niet de feitenvoorstelling zoals door andere media wordt geschetst. De zaak tegen Krol draait om het inzien van dossiers van het Brabantse medisch laboratorium Diagnostiek voor U.

Tijdens een bezoek aan de psychiater heeft medeverdachte (de initiële “hacker”) onbedoeld een inlogcode en bijbehorend wachtwoord gehoord die toegang geven tot een systeem met patiëntgegevens. Vervolgens heeft medeverdachte op zijn eigen computer met succes ingelogd op het systeem. Daar heeft hij een aantal medische dossiers/gegevens bekeken. De inloggegevens bleken afkomstig te zijn van een psychiater die werkte bij Diagnostiek voor U. Die had geen toestemming gegeven voor het gebruik van zijn inloggegevens.

Medeverdachte heeft later Krol gebeld en verteld dat hij kon inloggen op de webserver. De volgende dag hebben zij tezamen ingelogd op het systeem. Daar hebben zij een aantal dossiers en medische gegevens bekeken. Krol heeft de medische gegevens van een aantal personen uitgeprint en geanonimiseerd. Hij heeft daarna contact gezocht met het laboratorium, de door hem geconstateerde situatie voorgelegd en gevraagd naar de leiding. De telefoniste heeft gevraagd het probleem schriftelijk te melden. Krol heeft vervolgens naar Omroep Brabant gebeld en daar zijn verhaal gedaan. Die stuurden een reporter waarna opnieuw opgeslagen medische gegevens/dossiers van een aantal patiënten bekeken in aanwezigheid de reporter(s). Krol wordt nu aangeklaagd voor computervredebreuk ex artikel 138ab lid 1 en lid 2 Sr.

Hacken in het strafrecht:
Krol wordt in deze zaak aangeklaagd voor hacken. De term hacken is in het Wetboek van Strafrecht(Sr.) nergens als zodanig terug te vinden. Het hacken van een systeem staat in het strafrecht bekend als computervredebreuk (naar analogie met huisvredebruik) en is strafbaar gesteld in art. 138ab Sr. Het is te vinden in boek twee titel V onder de categorie misdrijven tegen de openbare orde. De daadwerkelijke computervredebreuk is geregeld in art. 138ab lid 1.

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:

  • door het doorbreken van een beveiliging
  • door een technische ingreep
  • met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of
  • door het aannemen van een valse hoedanigheid.

Computervredebreuk wordt gezien als het binnendringen in een geautomatiseerd werk. Een geautomatiseerd werk klinkt als een wat gekunstelde term maar is bewust gekozen om veelomvattend te zijn. Onder een geautomatiseerd werk valt van alles variërend van een reguliere computer tot een server en zelfs een heel netwerk. De voorwaarden die in ieder geval binnendringen opleveren zijn alternatief. Gebruik van internet is daarbij niet vereist. Het is voldoende om fysiek achter het geautomatiseerde werk van iemand anders te gaan zitten en daar binnen te komen. Overigens kan het gebruik van internet of een ander telecommunicatienetwerk wel een verzwarende omstandigheid opleveren als wordt voldaan aan de eisen gesteld in het derde lid. Momenteel is dat niet aan de orde.

De strafverzwarende omstandigheid van het tweede lid behandelt de verwerking en/of het gebruik van gegevens die zijn verkregen met de computervredebreuk. In casu is ook dit lid van toepassing.

Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.

Standpunt OM:
Het recht op privacy van derden was in het geding waarbij het om zeer gevoelige informatie ging. De maatschappelijke relevantie is minder groot dan verdachte doet voorkomen omdat het probleem niet zozeer zit in de beveiliging van het systeem maar meer in de onzorgvuldige wijze waarmee de psychiater omging met zijn inloggegevens.

Krol had kunnen kiezen voor een minder ingrijpende methode om toch zijn doel te bereiken. Het enkele inloggen op het systeem had kunnen volstaan en voor zover dossiers bekeken werden hadden ze zich kunnen en moeten beperken tot het openen van het dossier van medeverdachte. Voor zover Krol van mening is dat hij heeft gehandeld als ethisch hacker, dan wel voor zover hij heeft gehandeld als journalist, heeft hij een zorgvuldige en noodzakelijke stap overgeslagen. Hij had het laboratorium op de hoogte moeten brengen. Het enkele telefoontje met de telefoniste was daarvoor niet voldoende.

Het recht op de bescherming van het systeem alsmede het recht op privacy van de betrokken derden dient
zwaarder te wegen dan het recht op de vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring van de verdachten. Artikel 10 van het EVRM staat een strafvervolging, noch een strafoplegging van verdachte in de weg.

Standpunt verdediging:
Het systeem had een zodanig laagdrempelig beveiligingssysteem dat medeverdachte met succes kon inloggen vanaf zijn eigen computer. Na het inloggen had hij toegang tot alle dossiers. Daar moest bewijs
van worden vastgelegd. Verdachte heeft ervoor gekozen een aantal gegevens uit te printen en deze prints te anonimiseren. De identificeerbare gegevens van een patiënt waren voor iedereen met de inloggegevens toegankelijk. Zelfs ook voor justitie zegt de aangever.

Medeverdachte is naar verdachte gegaan omdat hij dat de juiste persoon achtte. Krol was op dat moment lid van de schrijvende pers en Statenlid. Er is wel contact gezocht met het laboratorium maar daar werd hij genegeerd. Er was een absolute maatschappelijke noodzaak om deze misstand zeer snel aan de
kaak te stellen. De keuze om daarbij naar de pers te stappen was proportioneel. Vanaf het eerste moment is de nodige zorgvuldigheid in acht genomen door alle prints te anonimiseren. Wederrechtelijkheid van het handelen ontbreekt dan ook en dit dient te leiden tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Verdachte stelt dat zijn enige doel de bescherming van de (gegevens van) patiënten was. Andere
onbevoegden zouden mogelijk ook de inloggegevens kunnen hebben. De rechtbank stelt voorop dat elke inbreuk op een geautomatiseerd werk zonder toestemming van de rechthebbende strafbaar is, tenzij er onder zeer bijzondere omstandigheden hogere belangen zijn die een dergelijke inbreuk in volledig kunnen rechtvaardigen.

Voor de beantwoording van die vraag zijn naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het
bepaalde in artikel 10 van het EVRM, drie factoren van belang.

  1. Er moet worden beoordeeld of verdachte heeft gehandeld in het kader van een wezenlijk
    maatschappelijk belang.
  2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet worden bezien of het handelen van verdachte proportioneel was (ging verdachte niet verder dan noodzakelijk was om zijn doel te bereiken)
  3. en of er geen andere, minder vergaande methode was om het beoogde doel te kunnen bereiken (subsidiariteit).
Wezenlijk maatschappelijk belang

De rechtbank vindt dat het aantonen van gebreken bij de bescherming van vertrouwelijke, medische gegevens een wezenlijk maatschappelijk belang kan dienen. De rechtbank acht het gerechtvaardigd dat verdachte het bestaan van het lek zelf wilde controleren. Het inloggen en bekijken van enkele dossiers is dan ook niet wederrechtelijk. Het maken van prints om de omvang van het probleem aan te kunnen tonen is evenmin wederrechtelijk zeker nu daarbij zorgvuldig is gehandeld gegevens te anonimiseren. Daarmee is de eerste vraag beantwoord.

Proportionaliteit:

Verdachte heeft meerdere malen gegevens geraadpleegd en uitgeprint. Mede gezien het feit dat het hier om uiterst gevoelige, medische gegevens gaat van patiënten, had verdachte zich moeten beperken tot het hoogst noodzakelijke. In het licht van het doel (bevestiging van het verhaal van medeverdachte en vergaring van bewijs om later het probleem tegenover het laboratorium en eventuele anderen aan te kunnen tonen), bestond daartoe geen noodzaak. Verdachte heeft dus de grens van proportionaliteit overschreden. Daarmee is de tweede vraag beantwoord.

Subsidiariteit:

Verdachte heeft het lek bij het laboratorium gemeld. Hij kreeg daar een telefoniste aan de lijn en heeft gevraagd naar de leiding. De telefoniste heeft hem niet doorverbonden maar verzocht een en ander op schrift te stellen.

Verdachte voelde zich niet serieus genomen en heeft daarna vrijwel meteen contact gezocht met Omroep Brabant waarna wederom met behulp van medeverdachte enkele dossiers zijn bekeken. Naar het oordeel van de rechtbank was niet noodzakelijk om voor het oplossen van het probleem meteen naar de media te stappen. Het probleem was niet technisch van aard, maar dat één gebruiker was onzorgvuldig met zijn inloggegevens omgegaan. Er waren geen aanwijzingen dat anderen over deze inloggegevens beschikten.
Verdachte had onder deze omstandigheden de tijd moeten nemen om het laboratorium gericht te benaderen zo nodig met het melden van de eventuele vervolgstappen. Van verdachte mag verwacht worden dat, gezien zijn positie als Statenlid en als verslaggever, hij in staat is om zonder al teveel moeite de juiste persoon binnen de organisatie te contacteren.

Het probleem was niet zo acuut dat onmiddellijke inschakeling van de media noodzakelijk was. Dat toch doen voldoet niet aan het vereiste van subsidiariteit. Daarmee is de derde vraag beantwoord.

Het oordeel

Een en ander leidt er toe dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld en zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk in vereniging gepleegd. Door onbevoegd in te loggen met andermans inloggegevens is sprake van de toegang verwerven met behulp van een valse sleutel en door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte krijgt een geldboete van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis.

Conclusie:
De rechter keurt het “hacken” goed omdat er een wezenlijk maatschappelijk belang mee is gediend. Het gaat dan ook niet om het feit dat er een “hack”is geweest maar om hoeveel keer er toegang is geweest alsmede de hoeveelheid dossiers die zijn bekeken. Dat is de proportionaliteit.

Ook het direct naar de media stappen na enkel en alleen met een telefoniste te hebben gesproken is een probleem. Er had eerst nader contact gezocht moeten worden met het bedrijf. Zeker gezien de positie van Krol als Statenlid en journalist zou meer van mogen worden verwacht omdat het voor hem relatief bezien makkelijker is om de juiste persoon te spreken te krijgen.

Kortom, het doel was goed maar de methodiek niet. Overigens verwierp de rechter ook claims van Diagnostiek voor U om schadevergoeding en volgde de niet de redenering van de Officier van Justitie dat Krol een persoon is die zal recidiveren.

Het is overigens onbekend wat er met de psychiater gebeurd is die vrij lichtvaardig met zijn inloggegevens omgegaan. De mogelijkheid dat die een bezoekje moet brengen aan de tuchtrechter zit er wel in.

Ik ben bijzonder benieuwd of deze zaak nog een vervolg gaat krijgen in hoger beroep. Daarvoor zullen partijen nog voldoende argumenten moeten zien die tot een andere conclusie leiden. Zo valt er misschien nog wel wat af te dingen op de redenering dat het beveilingslek niet acuut genoeg is om direct naar de media te stappen. Een ander ingang is wellicht dat het recht op vrije meningsuiting en nieuwsgaring voorrang moet hebben nu de de privacy van derden niet zwaar geschaad is doordat hun gegevens zijn geanonimiseerd.

De proportionaliteit van het handelen is een lastiger probleem. Er is immers vaker toegang verschaft tot de gegevens dan strikt noodzakelijk om het bestaan van het probleem vast te stellen.

Bron:
RECHTBANK OOST-BRABANT. Parketnummer: 01/820892-12 15 februari 2013
750 euro boete voor 50Plusser Krol in hack-zaak via volkskrant.nl
‘Hackend’ Kamerlid Henk Krol krijgt geldboete via tweakers.net
Henk Krol krijgt boete voor hacken via nu.nl

Tijd voor eens een prozaïsch vertellend stukje over recente en minder recente rechtsontwikkeling. In dit geval over de verhouding van de doorbrekingsjurisprudentie tot het rechtsmiddelenverbod van artikel 130 Rv. Voor het onderwerp zal gestart worden met de behandeling van rechtsmiddelen en doorbrekingsjurisprudentie in het algemeen waarna zal worden overgegaan tot de situatie omtrent artikel 130 en de daarbij behorende jurisprudentie in het bijzonder.

Appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie:
De materieelrechtelijke wetgeving bevat op tal van punten appèlverboden. Artikelen die de grenzen van beroepsmogelijkheden aangeven. Onder omstandigheden kunnen deze artikelen (gedeeltelijk) buiten werking worden gesteld. De middelen die dat mogelijk maken staan gezamenlijk bekend als de doorbrekingsjurisprudentie en behoren tot het vaste arsenaal van de Hoge Raad.

De verhouding van appèlverboden en de daaruit voortvloeiende doorbrekingsjurisprudentie is enigszins ongelukkig. De uitsluiting van onder normale omstandigheden gangbare rechtsmiddelen is ooit door de wetgever ingesteld om redenen die indertijd wellicht logisch en begrijpelijk waren. Heden heeft de rechtspraktijk zich daar behoorlijk van verwijderd. Uit de doorbrekingsjurisprudentie blijkt dat de Hoge Raad bijzonder veel waarde hecht aan de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. Het staat de rechter alleen niet vrij om een wettelijk appèlverbod zonder meer de nek om te draaien. De rechter gaat daarmee dan immers op de stoel van de wetgever zitten en dat ligt in de machtenscheidingsleer altijd gevoelig. Dat tere punt heeft uiteindelijk een ingewikkeld systeem tot resultaat gehad om de uitwassen van appèlverboden te kunnen bestrijden. Dat systeem bij elkaar is de doorbrekingsjurisprudentie.

Deze luidt dat een appèlverbod kan worden doorbroken indien:

  • de rechter buiten het toepassingsgebied van het artikel (waaraan het appèlverbod is verbonden) is getreden, of
  • de rechter het artikel (waaraan het appèlverbod is verbonden) ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of
  • de rechter bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.

De doorbrekingsjurisprudentie staat overigens ook te boek als de verruimingsjurisprudentie. Deze komt in talloze zaken naar voren, zij bijvoorbeeld HR 10 februari 2012, LJN BU7255, NJ 2012, 230

De eerste en tweede grond (ten onrechte (niet) toegepast) berusten op een restrictieve interpretatie van de wet. De derde grond is zonder meer een contra legem interpretatie. Daar is op zich weinig op tegen omdat de rechtvaardiging kan worden gevonden in het feit dat een eerlijke en onpartijdige behandeling een fundamenteel beginsel van het rechtssysteem is.

Het gehele stelsel van appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie leidt niet altijd tot aantrekkelijke resultaten omdat met regelmaat onjuiste of onbevredigende uitspraken onaantastbaar (b)lijken te zijn en het procesrecht er niet bepaald overzichtelijker op wordt. Er gaan dan ook regelmatig stemmen op om het stelsel aan te passen. Het gaat echter helaas te ver om dat te behandelen.

Artikel 130 Rv.
Artikel 130 Rv. bevat een appèlverbod en behandelt de wijziging van de eis of de gronden daarvan. Art. 130 lid 1 Rv geeft regels voor het vermeerderen en/of veranderen van (de gronden van) de eis:

“Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.”

Art. 130 lid 2 Rv bepaalt dat tegen een beslissing van de rechter als in het eerste lid geen hogere voorziening openstaat. Overigens is een vermindering van eis altijd mogelijk zolang de rechter nog geen einduitspraak heeft gedaan, dit is geregeld in artikel 129 Rv.

Normaliter zou een hoger beroep toch geforceerd kunnen worden middels het gebruik van de doorbrekingsjurisprudentie. Bij artikel 130 Rv. kan dat echter niet. Daarmee neemt het artikel een uitzonderingspositie in. Welgeteld kunnen we daarmee eigenlijk uitzonderingen stapelen.

  • Hoofdregel: hoger beroep is mogelijk.
  • Uitzondering: hoger beroep is onmogelijk vanwege een wettelijk appèlverbod.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch mogelijk vanwege het gebruik van de doorbrekingsjurisprudentie.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch nog onmogelijk vanwege het feit dat het artikel 130 Rv. betreft welke expliciet is uitgesloten van het bereik van de doorbrekingsjurisprudentie.

Dit is een voorbeeld van waarom het systeem van appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie zo verschrikkelijk gecompliceerd en onoverzichtelijk is. De oorzaak dat artikel 130 Rv. buiten de doorbrekingsjurisprudentie blijft moet overigens worden gezocht in andere jurisprudentie (die daarmee eigenlijk ook tot de doorbrekingsjurisprudentie moet worden gerekend.)

Het arrest Heep/Heep en latere verwarring:
In het arrest Heep/Heep (28 mei 1999, LJN ZC2914, NJ 2000/220) werd voor het eerst bepaald dat artikel 130 Rv. buiten het bereik van de doorbrekingsjurisprudentie dient te blijven. De Hoge Raad overweegt daarbij de aard van de beslissing waar het om gaat doorslaggevend is.

“De beslissing wordt vooreerst daardoor gekenmerkt dat het gaat om een marginale toetsing: de rolrechter toetst immers – desgevraagd – enkel of de voorgenomen wijziging van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt. Voorts is de beslissing niet definitief: zij ontneemt eiser in de regel geen rechten. In beginsel kan eiser in een later stadium van het geding zijn eis immers wederom wijzigen dan wel de gewijzigde eis in een nieuw geding aan de rechter voorleggen.”

Het appèlverbod brengt in dit geval dus relatief weinig ernstige gevolgen met zich mee. Daarom is er weinig reden om artikel 130 Rv. onder de reikwijdte van de doorbrekingsjurisprudentie te brengen.

De leer uit het Heep/Heep arrest bleef lange tijd staan als een huis. Het duurde tot een nieuwe uitspraak in 2006 voordat er weer twijfel rees. Het is achteraf zeer waarschijnlijk dat de Hoge Raad dat niet beoogd had. In een beschikking van 12 mei 2006 (LJN AV8720) overwoog de Hoge Raad:

Uit de bestreden beschikking noch uit de gedingstukken blijkt dat de man op de voet van art. 283 Rv. in verbinding met art. 130 lid 1 Rv. bezwaar heeft gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek. Het hof heeft dus kennelijk die vermeerdering ambtshalve getoetst aan de in art. 130 lid 1 Rv. vermelde maatstaf. egen de uitkomst van deze toetsing staat ingevolge art. 130 lid 2 Rv. geen hogere voorziening open, zodat daarover in cassatie niet kan worden geklaagd. […] Waar echter de klachten van de man mede inhouden dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de art. 283 Rv en art. 130 lid 1 Rv., is de man in zoverre ontvankelijk te achten in zijn klachten. [rov. 3.3.2.]

Hoewel het er niet met zoveel woorden staat, lijkt de Hoge Raad hier te zeggen dat er een hoger beroep tegen artikel 130 Rv. wordt erkend. Dat betekent dan vemoedelijk ook dat artikel 130 Rv. onder de reikwijdte van de doorbrekingsjurisprudentie zal vallen.

Alle neuzen dezelfde kant op:
Het oordeel uit 2006 was wellicht eenmalig want in november 2012 (HR 16 november 2012, LJN BX0731) behandelde de Hoge Raad een zaak over de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Het hof had een aanvullend verzoek van de man (op grond van art. 283 jo. 362 en 130 lid 1 Rv) buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De Hoge Raad oordeelde dat tegen een zodanige beslissing geen voorziening mogelijk is op grond van art. 130 lid 2 Rv en dat gezien de aard van de beslissing ook de zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing is. De man werd vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. [rov. 3]

De Hoge Raad ging bij dat oordeel niet in op de eerdere zaak uit 2006. Er bleef dus nog twijfel achter of die zaak slechts als eenmalig gezien moet worden of dat we nog meer verrassingen moesten verwachten. Het was echter wel duidelijk geworden dat het arrest Heep/Heep nog steeds van kracht was.

In een recentere zaak van begin februari (HR 8 februari 2013, LJN BY2599) gaat de Hoge Raad wel in op de uitspraak van 2006. Het ging daarin om een huurzaak waarin het hof eiser niet-ontvankelijk had verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat betrekking had op de afwijzing van de kantonrechter van zijn eisvermeerdering. Eiser in cassatie betoogde dat op grond van de beschikking uit 2006 dat het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij die zich op een doorbrekingsgrond beroept. De Hoge Raad moest in dit geval dus naar aanleiding van het middel wel ingaan op de beschikking uit 2006.

De Hoge Raad stelt dat het appèlverbod niet onder de werking van de doorbrekingsjurisprudentie valt. De aard van de beslissing op een verzet tegen een wijziging van eis was daarbij doorslaggevend. Nu die aard sedert 1999 niet is gewijzigd, ziet de Hoge Raad geen grond om thans anders te oordelen. Daaraan doet niet af dat de Hoge Raad in 2006 wel besliste dat het hof ten onrechte toepassing gaf aan art. 130 Rv. Daartoe overweegt de Hoge Raad:

“Het ging in die zaak om een klacht die gericht was tegen het oordeel van het hof omtrent de omvang van het geding na cassatie en verwijzing en de mogelijkheid om daarin door het aanvoeren van nieuwe stellingen of grieven dan wel door vermeerdering van het verzoek wijziging te brengen. Tegen een dergelijk oordeel staat cassatieberoep open blijkens deze beschikking, ook voor zover dat oordeel tevens kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent een vermeerdering van het verzoek. Een dergelijk geval is hier evenwel niet aan de orde.”

Er had dus al eerder cassatie en verwijzing plaatsgevonden en het hof stond het niet toe om de (gronden van) de eis te vermeerderen en/of te veranderen. In een dergelijk geval is cassatieberoep dus wel mogelijk ook voor zover het oordeel kan worden gezien als een beslissing over een vermeerdering van een verzoek. [rov. 3.6. & 3.7.]

Conclusie:
Er is nu eindelijk duidelijkheid over de rol van de beschikking uit 2006. Wel wordt het stelsel van appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie nog weer een stukje langer. Het geheel komt er dan voor wat betreft artikel 130 Rv. zo uit te zien:

  • Hoofdregel: hoger beroep is mogelijk.
  • Uitzondering: hoger beroep is onmogelijk vanwege een wettelijk appèlverbod.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch mogelijk vanwege het gebruik van de doorbrekingsjurisprudentie.
  • Uitzondering: hoger beroep is toch nog onmogelijk vanwege het feit dat artikel 130 Rv. expliciet is uitgesloten van het bereik van de doorbrekingsjurisprudentie. (arrest Heep/Heep)
  • Uitzondering: hoger beroep is toch weer mogelijk als het gaat om een oordeel van een hof omtrent de omvang van het geding na cassatie en verwijzing en de mogelijkheid om daarin door het aanvoeren van nieuwe stellingen of grieven dan wel door vermeerdering van het verzoek wijziging te brengen, ook voor zover dat oordeel tevens kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent een vermeerdering van het verzoek.

Met dit soort lastige en onoverzichtelijke constructies is het wellicht geen slecht idee om toch een keertje de appèlverboden en doorbrekingsjurisprudentie samen tegen het licht te houden en eens te bezien of dat niet wat simpeler gemaakt kan worden.

Bron:
HR 10 februari 2012, LJN BU7255, NJ 2012, 230 voorbeeld doorbrekingsjurisprudentie
HR 28 mei 1999, LJN ZC2914, NJ 2000/220 Arrest Heep/Heep (helaas nog geen tekst)
HR 12 mei 2006 LJN AV8720 beschikking uit 2006 die voor veel verwarring zorgde.
HR 16 november 2012, LJN BX0731 arrest van november 2012 wat helaas niet nader inging op de beschikking uit 2006
HR 8 februari 2013, LJN BY2599 meest recente zaak die wel inging op de beschikking uit 2006