Ten tijde van het aangaan van een huwelijk bestaat er keus uit grofweg twee regimes. Ten eerste is er de mogelijkheid om in gemeenschap van goederen te trouwen hetgeen de de facto standaard is. Ten tweede is er de mogelijkheid om huwelijkse voorwaarden op te maken. Dat is met name handig als er om één of andere reden vermogens gescheiden dienen te blijven, hetzij om onbedoelde vermogensoverheveling te beperken hetzij om een onderneming bij slechts één der echtgenoten onder te brengen zonder dat de ander ook meedeelt in het ondernemingsrisico wat de wederhelft loopt.

In geval van huwelijkse voorwaarden waarbij ieder volledig zijn eigen vermogen houdt, wordt ook wel gesproken van koude uitsluiting. In onderhavige zaak steeg het vermogen van de man lopende het huwelijk waarbij tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden koude uitsluiting behelzen. De man besluit tot echtscheiding. De vrouw vecht nu de huwelijkse voorwaarden aanvankelijk aan op grond van art 6:248 lid 2 BW (derogerende werking van redelijkheid en billijkheid) en nu, na enkele tussenvonnisen, op grond van 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden). Hoewel dergelijke zaken aan de orde van de dag zijn, is deze zaak interessant om te lezen aangezien het gerechtshof de verhouding tussen deze twee artikelen haarfijn uitlegt.

De feiten:
De man en vrouw zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden welke koude uitsluiting behelzen in november 1976. Destijds zijn, blijkens het betoog van de vrouw, huwelijkse voorwaarden opgemaakt om haar voorhuwelijkse vermogen te beschermen. Dit voorhuwelijkse vermogen omvatte een (woon)boerderij welke staande huwelijk regelmatig werd verhuurd. Door te huwen in koude uitsluiting zou deze veilig zijn gesteld, indien de man de camping van zijn ouders zou voortzetten en deze onderneming eventueel zou failleren.

Vervolgens is het vermogen van de man zeer aanzienlijk gestegen onder meer doordat het toerisme op Terschelling in de zeventiger, tachtiger en negentiger jaren van de vorige eeuw explosief is toegenomen. [ro. 11]

Standpunt van de vrouw:
Naar de mening van de vrouw moeten de huwelijkse voorwaarden zo worden aangepast dat er sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap die bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.

Volgens haar was in het christelijk milieu waarin zij en haar man zijn opgegroeid ten tijde van het huwelijk een echtscheiding ondenkbaar. Zij heeft tot het moment dat de man tot echtscheiding besloot op geen enkele wijze rekening gehouden met het feit dat zij ooit zouden kunnen scheiden. In genoemd milieu is het volgens de vrouw gebruikelijk dat de man in het gezin de zaken doet en daarmee het vermogen op zijn naam krijgt. Lopende het huwelijk hebben partijen zich nooit druk gemaakt om wie welke werkzaamheden voor welk bedrijf verrichte. Partijen zijn er altijd vanuit gegaan dat het vermogen dat tijdens het huwelijk werd opgebouwd gemeenschappelijk was. Tevens zou de notaris hen niet goed hebben voorgelicht over de inhoud en omvang van koude uitsluiting. Destijds is bij het sluiten van de huwelijkse voorwaarden niet voorzien dat het vermogen van de man zeer aanzienlijk zou stijgen.[ro. 11]

Standpunt van de man:
De man stelt zich op het standpunt dat de notaris wel degelijk de werking van de koude uitsluiting uitgelegd en dat koude uitsluiting ook altijd het uitgangspunt geweest. Van elke onderneming afzonderlijk een administratie is bijgehouden, waarbij gebruik is gemaakt van gescheiden bankrekeningen. Elk jaar namen zij samen met de accountant de financiële stand van zaken door. De man heeft er op gewezen dat de toename van zijn vermogen, naast goed ondernemerschap, het gevolg is van de toegenomen welvaart in Nederland en de daarmee gepaard gaande stijging van de waarde van onroerende zaken. Vooruitgang is voorzienbaar.

Tot slot heeft de man gesteld dat uit de verhouding tussen artikel 6:248 BW en artikel 6:258 BW voortvloeit dat een partij moet kiezen tussen één van deze twee bepalingen. Omdat er eerder beroep op artikel 6:248 lid 2 BW is gedaan, kan niet alsnog worden gekozen voor een beroep op artikel 6:258 BW.[ro. 12]

Oordeel en overwegingen van de rechter:
Met betrekking tot de verhouding tussen artikel 6:258 BW en artikel 6:248 lid 2 BW merkt het hof op dat de eerste een lex specialis ten opzichte van de tweede welke betrekking heeft op extreme gevallen die nopen tot een wijziging of gehele, dan wel gedeeltelijke ontbinding van een overeenkomst (vgl. MvA II, Parl. Gesch. 6, p. 974). Tussen deze bepalingen bepalingen is een geïmpliceerde rangorde en wanneer een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet slaagt, zal een beroep op artikel 6:258 BW evenmin kunnen slagen. Dat heeft echter niet tot gevolg dat een partij die zich aanvankelijk heeft beroepen op artikel 6:248 lid 2 BW zich naderhand niet zou kunnen beroepen op artikel 6:258 BW.

Het tegendeel blijkt zelfs expliciet uit de wetsgeschiedenis (vgl. MvA II, Parl. Gesch. 6, p. 974 en MvT, Parl. Gesch. InvW 6, p. 1827).. Een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW zal moeten worden afgewezen op grond dat:

  • degene die zich beroept op die bepaling niet van de weg van artikel 6:258 BW gebruik maakt
  • terwijl hetgeen hij uit artikel 6:248 afgeleid wil zien zo diep in de contractuele rechtsverhouding ingrijpt
  • dat de rechter meent dat hij slechts bij een constitutief vonnis aan de belangen van beide partijen en eventuele derden voldoende recht kan doen.

Ten aanzien van onvoorziene omstandigheden stelt het hof voorop dat daarvan eerst sprake is wanneer het betreft omstandigheden ingetreden na het sluiten van de overeenkomst, die partijen niet uitdrukkelijk of stilzwijgend in hun overeenkomst, in dit geval de huwelijkse voorwaarden, hebben verdisconteerd.

De vrouw mag er bij het sluiten en lopende het huwelijk vanuit zijn gegaan dat het nooit tot een echtscheiding zou komen. Dat neemt niet weg dat huwelijkse voorwaarden met name de strekking hebben de gevolgen tussen partijen te regelen indien zich een echtscheiding voordoet. Met andere woorden: echtscheiding is in de huwelijkse voorwaarden verdisconteerd. Zo de notaris al onjuist over de gevolgen van koude uitsluiting heeft geadviseerd, levert dit geen onvoorziene omstandigheid op alleen al omdat het geen omstandigheid betreft die is ingetreden na het sluiten van de huwelijkse voorwaarden.[ro. 13 t/m 16]

De vermogenstoename van de man kan evenmin als een onvoorziene omstandigheid worden aangemerkt. Door koude uitsluiting te kiezen hebben partijen het risico aanvaard dat het vermogen van één van hen zich aanmerkelijk anders zou kunnen ontwikkelen. De aard en oorzaak van de vermogenstoename (goed ondernemerschap, gunstige economie etc) zijn daarbij irrelevant. Verder is vastgesteld dat elk jaar met de accountant de financiële situatie is doorgesproken. De vrouw had naar aanleiding van die besprekingen overleg over wijziging van de huwelijkse voorwaarden kunnen houden. Het feit dat de vrouw zich nooit in de cijfers heeft verdiept blijft voor haar risico.[ro. 17 & 18]

Het hof verklaart de vrouw dan ook niet ontvankelijk in haar vordering.

Conclusie:
Huwelijkse voorwaarden zijn een nuttige uitvinding. Ze kunnen bescherming bieden in het geval één of beide echtgenoten ondernemer zijn. Wie daarbij kiest voor koude uitsluiting heeft over het algemeen geen poot om op te staan bij echtscheiding (bij overlijden kan dat anders zijn vb. door een testament). Het risico van echtscheiding moet worden gezien als verdisconteerd in het opstellen van het huwelijkse voorwaarden.

Een (significante) stijging van het vermogen van één der partijen staande huwelijk kan ook niet worden gezien als een onvoorziene omstandigheid. Dit risico is simpelweg aanwezig op het moment dat gekozen wordt voor koude uitsluiting. De oorzaak van vermogensstijging is daarbij niet relevant.

De vrouw heeft in dit geval ook ruimschoots kans gehad om een andere verdeling van vermogen te proberen te bewerkstelligen. Gedurende het huwelijk werd ieder jaar met de accountant de stand van zaken besproken. Als partijen een andere uitkomst hadden willen hebben dan hadden zij kunnen kiezen voor een finaal verrekenbeding waar bij echtscheiding wordt verrekend als ware er een algehele gemeenschap van goederen.

Misschien is het meest interessante aan dit vonnis de uitleg van de verhouding tussen 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW waarbij 6:258 werkt als lex specialis ten opzichte van 6:248 lid 2 BW. De parlementaire geschiedenis over het NBW is redelijk omvangrijk maar in dit vonnis wordt de essentie in een paar zinnen neergezet.

Bron:
LJN: BY8418, Gerechtshof Leeuwarden

Stalken is het stelselmatig lastigvallen van een persoon, door hinderlijk te volgen, contact op te nemen, te bedreigen of een combinatie van die factoren. Bij stalking wordt al snel gedacht aan de stereotype situatie met een A-lijst ster die last heeft van een gestoorde fan. Stalking kan echter allerlei vormen en gradaties aannemen. In de zaak van vandaag een appellante die zich schuldig heeft gemaakt aan het langdurig en veelvuldig anoniem bellen van haar collega, wat tot ontslag heeft geleid.

De feiten:
Naar aanleiding van een klacht van een werknemer die al enkele jaren met grote regelmaat op haar privé-gsm vervelende telefoontjes, heeft het college van Haaren het onderzoeksbureau Optima International BV opdracht gegeven de onderste steen boven te krijgen. Direct na het opnemen wordt telkens de verbinding verbroken.

Volgend uit de eerste uitkomsten van het onderzoek hebben de onderzoekers op 9 december 2009 gesproken met appellante. Zij heeft in dat gesprek erkend dat zij gebeld heeft naar haar collega H en meteen na het aannemen van de telefoon heeft opgehangen. Appellante kreeg de keus uit zelf ontslag nemen of disciplinair ontslagen worden.

Daarna is appellante wegens zeer ernstig plichtsverzuim ontslag bij wijze van straf verleend. Het ontslag is erop gebaseerd dat zij gedurende tenminste twee jaar haar collega anoniem heeft gestalkt met gebruikmaking van het vaste telefoonnet van het gemeentehuis. Daarmee heeft zij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die collega, wat tot onrust heeft geleid in het gemeentehuis en heeft zij het in haar te stellen vertrouwen verspeeld. [rov. 1.1. t/m. 1.6.]

In de tussentijd is ook nog door het onderzoeksbureau een schriftelijk rapport uitgebracht op 30 januari van het daaropvolgende jaar.

Eerste aanleg en standpunten appellante:
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. In hoger beroep hanteert zij dezelfde argumenten. Het ontslagbesluit zou onzorgvuldig tot stand zijn gekomen omdat het college, toen het ontslagbesluit feitelijk werd genomen – op 9 december 2009 – nog geen kennis had kunnen nemen van het definitieve schriftelijke rapport van het onderzoeksbureau en dus is afgegaan op de door het bureau mondeling gebezigde kwalificaties en getrokken conclusies.

Daarnaast bestrijdt de appellante het aantal keer dat zij zou hebben gebeldd en vindt zij dat het college eerder had moeten ingrijpen en dat zij gewaarschuwd had moeten worden in plaats van onmiddellijk ontslagen. Tenslotte acht appellante strafontslag een overtrokken reactie gezien het feit dat zij een onberispelijke staat van dienst had gedurende 32 jaar.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De Centrale Raad voor beroep acht de besluitvorming niet onzorgvuldig. Het gaat niet om een dermate gecompliceerde situatie dat de strekking slechts schriftelijk correct kan worden overgebracht. De Raad ziet ontslagkeuze als bedoeld om de schade voor appellante zoveel als mogelijk te beperken. Nu zij zelf niet heeft gereageerd is zij alsnog disciplinair ontslagen. Dat dient voor haar rekening te komen gezien het feit dat zij voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren.[rov. 4.1.]

Voor wat betreft het aantal keer bellen gaat de Raad uit van de verklaringen die appellante blijkens de bijlage bij het rapport van 30 januari 2010 in het gesprek op 9 december 2009 heeft afgelegd. Voor de latere verklaring dat zij niet zo vaak heeft gebeld is er geen enkel bewijs aangedragen. Voor de Raad staat dus vast dat appellante zich heeft schuldig gemaakt aan het langdurig en veelvuldig anoniem bellen van haar collega, waardoor dit het karakter van stalking/belaging heeft. [rov. 4.2.]

Appellante kan zich er niet op beroepen dat zij gewaarschuwd had moeten worden aangezien zij er alles aan gedaan om haar identiteit te verbergen. Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat stalkingsgedrag niet toelaatbaar is dus ook op die grond heeft zij geen recht op een waarschuwing. De Raad volgt de rechtbank in de redenering dat de straf van ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.[rov. 4.3.& 4.4.]

Conclusie:
Iemand jarenlang telefonisch stalken en dan nog menen dat je werkgever niet snel genoeg optrad en ontslag een overtrokken reactie noemen, je moet het maar durven. De gemeente is in mijn optiek betrekkelijk coulant geweest gezien het feit dat appellante de keus kreeg om zelf ontslag aan te vragen in plaats van ontslag op staande voet te kiezen. Het telkens bellen van verschillende toestellen, alsmede de duur, doet er ook wel op wijzen dat het hier om meer ging dan een enkele impulsieve daad. Saillant detail is overigens dat appellante belde om de (vermeende) overspelige relatie tussen het slachtoffer en een collega te doen stoppen. Daarmee hanteert iemand die de aandacht wil vestigen op (het gebrek aan) moraliteit van anderen toch een ietwat vreemde methode.

Nog los van het ontslag heeft de appellante zich wellicht ook nog zorgen te maken over strafrechtelijke vervolging. In dat geval kan zij haar lol dus nog wel eventjes op.

Bron:
LJN: BY7951, Centrale Raad van Beroep

Voormalig minister-president Balkenende heeft zijn naam verleend aan de gelijknamige Balkenendenorm. Deze stamt al weer uit 2006 en was aanvankelijk een vrijwillige norm die bepaalde dat topbestuurders van (semi-) publieke instellingen niet meer zouden mogen verdienen dan 130% van een ministerssalaris. De Balkenendenorm is per 1 januari 2013 vastgelegd in de Wet Normering Topinkomens. De wetgever wil hiermee excessieve beloningen die deels worden betaald uit publieke middelen uitbannen.

De zorg valt, omdat zij met publieke gelden wordt gefinancieerd, onder de reikwijdte van de WNT. De zorgbestuurders waren het hier niet mee eens en eisten dat de rechter zou beslissen dat deze Wet buiten toepassing zou worden gelaten.

De WNT:
De WNT bevat drie beloningsregelingen:

  1. een maximale bezoldigingsnorm of WNT-norm (ook wel “Balkenendenorm”, namelijk 130% van een ministersalaris) voor publieke en daaraan nauw verwante instellingen
  2. een sectorale bezoldigingsnorm voor aangewezen semipublieke instellingen die verder van de publieke sector afstaan, die wordt overeengekomen tussen de betrokken minister en de sector
  3. een openbaarmakingsplicht voor specifiek aangewezen semipublieke instellingen.

De zorgsector is onder het eerste regime gesteld hoewel aanvankelijk in eerdere versies van het wetsvoorstel de sector onder het tweede regime werd gesteld.

De feiten:
De Tweede Kamer heeft reeds in 2005 een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om voorstellen te doen voor een normering van de salarisniveaus in de semipublieke sector. De Commissie Dijkstal heeft vervolgens onderzoek gedaan naar normering van topinkomens in de (semi-)publieke sector. In het advies “Normeren en waarderen” van september 2007 wordt geconcludeerd dat voor zorginstellingen en zorgverzekeraars kan worden volstaan met een sectorale bezoldigingscode.

Deze code werd vervolgens in 2009 neergelegd in een beloningscode voor bestuurders in de zorg welke door de de Nederlandse Vereniging van Bestuurders in de Zorg (NVZD) en de Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in Zorginstellingen (NVTZ) is opgesteld.

Op 13 november 2012 kwam de WNT door de Eerste Kamer. Bij brief van 27 november 2012 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de voorzitter van NVTZ bericht dat er nog geen eenduidig voorstel van hun kant was gekomen dat gebruikt kan worden om een regeling met gedifferentieerde normen vast te stellen als bedoeld in artikel 2.7 WNT. Voor de zorginstellingen zal in 2013 alleen het wettelijk maximum van de WNT-norm zal gaan gelden en de deelnormen zullen zijn gebaseerd op de BBZ voor zover die onder de WNT-norm blijven.

De NVZD eist nu dat bestuurders van zorginstellingen buiten de bepaling van de Wet normering topinkomens zouden vallen die een maximum toekent aan de bezoldiging van bestuurders, onder andere omdat maar een beperkte groep bestuurders meer verdient dan de Balkenendenorm. Daarnaast maakt het reguleren van topinkomens een inbreuk op het eigendomsrecht en de gebruiksrechten van dat eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM. Niet alleen gaat een deel van het eigendom van de topfunctionaris (de beloning) verloren, ook kan de zorginstelling niet langer vrijelijk beschikken over haar eigendom (haar gelden). Deze inbreuk op het eigendomsrecht staat niet in verhouding tot het te dienen belang.

De WNT dient immers geen kostenbesparend doel. Er wordt een maatschappelijk verantwoord beloningsniveau beoogd. Door de invoering van de BBZ is van een dergelijk niveau al sprake.[rov. 2.2.]

NVZD stelt voorts dat toepassing van de WNT in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM omdat zorgverzekeraars, anders dan de zorginstellingen, wel onder het tweede regime zijn gereguleerd. Tot slot stelt de NVZD dat de WNT in strijd is met het recht op collectief onderhandelen en de vrijheid van vakvereniging zoals is vastgelegd in de artikelen 11 EVRM en 12 van het Handvest.

Overwegingen en beoordeling van de rechter:
NVZD is van mening dat de zorginstellingen, als privaatrechtelijke rechtspersonen, niet behoren te worden gecategoriseerd onder het eerste regime van de WNT. Die stelling wordt gepasseerd nu zorginstellingen zijn belast met een publieke functie. De afweging van in hoeverre zorginstellingen als publiek of privaat moeten worden gekwalificeerd is in beginsel aan de wetgever. Slechts bij evident onredelijke keuzes is ingrijpen op zijn plaats. Nu de keus voor het eerste regime goed is gemotiveerd, is daar geen reden toe. [rov. 3.4.]

NVZD stelt daarnaast dat toepassing van de WNT een ongerechtvaardigde inbreuk met zich brengt op het eigendomsrecht van artikel 1 EP. Een aanspraak op salaris valt de onder het eigendomsbegrip van dit artikel. Of de inmenging in het eigendomsrecht gerechtvaardigd is hangt af van of de inmenging i) bij wet is voorzien, ii) een gerechtvaardigd algemeen belang dient en iii) proportioneel is. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM volgt dat alleen in evidente gevallen kan worden aangenomen dat een maatregel niet in het algemeen belang is. De rechter acht hier een gerechtvaardigd algemeen belang voldoende aanwezig, nu de Staat heeft aangevoerd met de WNT te beogen de beloningen van de bestuurders in de zorg tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te reduceren.[rov. 3.5. t/m 3.8.]

NVZD stelt dat slechts een klein aantal bestuurders de Balkenendenorm te boven gaat. Daarom is er geen inmenging gerechtvaardigd .De wetgever heeft echter een ruime beoordelingsvrijheid (“margin of appreciation”)bij het maken van keuzes aangaande het algemeen belang. NVZD heeft niet betwist dat de norm zoals die geldt onder het eerste regime van de WNT een maatschappelijk aanvaarde maximale salarishoogte behelst, noch dat er bestuurders zijn waarvan de bezoldiging boven die norm uitstijgt. Daaruit volgt dat het belang waarvoor de Staat met de WNT een oplossing heeft willen bieden niet zo gering is, dat ingrijpen niet per saldo niet gerechtvaardigd is. Daarbij speelt ook mee dat er in een overgangsregeling is voorzien.[rov. 3.9. & 3.10.]

Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel heeft de Staat betoogd dat zorgverzekeraars opereren op een markt waar serieuze concurrentie bestaat over het marktaandeel en aanvullende verzekeringen aanbieden die buiten het semipublieke domein vallen. Voor de zorginstellingen is dit niet het geval. De rechter volgt dit standpunt. [rov. 3.12.]

Tot slot het beroep op het recht op collectief onderhandelen en de vrijheid van vakvereniging zoals is vastgelegd in de artikelen 11 EVRM en 12 van het Handvest. Het beroep op artikel 12 van het Handvest wordt direct door de rechter verworpen omdat dit artikel gezien het bepaalde in artikel 51 van het Handvest geen eenieder verbindende bepaling betreft zoals bedoeld in artikel 94 van de Grondwet.

Artikel 11 EVRM waarborgt het recht op vergadering en vereniging. Niet valt in te zien dat dit recht door toepassing van de WNT op enige wijze wordt beperkt. Genoemde artikelen gebieden geen plicht voor de Staat tot onderhandeling met betrokkenen alvorens een wet in formele zin wordt vastgesteld.[rov. 3.13.]

Derhalve wordt de NVZD in het ongelijk gesteld en de vordering wordt afgewezen.

Conclusie:
Een bittere pil om te slikken voor de zorgbestuurders. Aanvankelijk zouden ze nog onder het tweede regime komen te vallen wat aanzienlijk meer ruimte laat voor hoge salarissen. Met de scharing onder het eerste regime wordt dat gewoon een harde grens. Daarmee komt een einde aan exceptioneel hoge salarissen voor (semi-)publieke instellingen die goeddeels met publiek geld worden gefinancieerd en een praktische monopoliepositie genieten. Er valt wel iets voor te zeggen dat zorgverzekeraars in een iets minder strikt regime zitten omdat er meer van zijn en zij moeten strijden om de gunst van de klant. Het betoog dat zorginstellingen en zorgverzekeraars onder het gelijkheidsbeginsel hetzelfde moeten worden behandeld gaat dan ook niet op. Dit zou slechts anders kunnen zijn als zorginstellingen onderling anders worden behandeld.

Ook in dit proces wordt weer de aanzienlijke beweegruimte zichtbaar die een staat krijgt bij het invullen van het algemeen belang middels wetgeving; hier in de context van artikel 1 EP. De rechter, en zeker de voorzieningenrechter, zal slechts marginaal toetsen op evidente fouten. De rechter heeft sowieso terughoudend te zijn met het buiten werking stellen van formele wetgeving gezien de trias politica. De rechter gaat daarmee immers een stukje op de stoel van de wetgever zitten.

Ook het beroep dat het instellen van de balkenendenorm disproportioneel zou zijn nu slechts een “klein” gedeelte teveel zou verdienen, wordt verworpen. Zeker met de overgangsregeling is er voldoende rekening gehouden met de belangen van die bestuurders. Wat opvallenderwijs niet genoemd wordt als argument is dat de zelfregulering middels het BBZ nog niet voldoende effect sorteerde. In 2009 verdiende een 19% van de ziekenhuisbestuurders meer dan de Balkenendenorm, zo bleek uit Kamervragen. Momenteel zit volgens het vonnis nog altijd een 15% boven de Balkenendenorm. Dat is nou niet bepaald een wereldschokkende verbetering. Daarbij moet overigens wel worden opgemerkt dat niet duidelijk is hoeveel hiervan boven de normen van het BBZ uitsteeg; bestuurders kunnen dus wel degelijk binnen de afgesproken grenzen zijn gebleven.

Een ander punt wat kan worden opgemerkt is dat met de invoering van de WNT een aanzienlijke discrepantie bestaat tussen de salarissen van topbestuur in de publieke sector en topbestuur in de private sector terwijl de werkzaamheden niet dusdanig ver uiteen lopen dat een dergelijk verschil zonder meer gerechtvaardigd kan worden. Deze afweging is echter al gemaakt in het wetgevingstraject van de WNT en uitgevallen ten faveure van maximering middels de Balkenendenorm.

Het is maar zeer de vraag of er een hoger beroep zal gaan komen en zoja, of daarin voldoende argumenten kunnen worden aangevoerd die tot een andere afweging zullen leiden.

Bron:
LJN: BY8165,Voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Gravenhage
Balkenendenorm ook voor zorgbestuurders via rechtspraak.nl

Netneutraliteit is een hot onderwerp. Onder deze term vinden de discussies plaats over de vrijheid en openheid van het internet. Na een lang traject is Nederland het eerste land in Europa dat netneutraliteit in de wet heeft vastgelegd. Dit gebod staat overigens in artikel 7.4a Telecommunicatiewet en niet in de grondwet.

WCIT, ITU en ITR:
Het meest recente onderwerp wat de revue passeerde was de World Conference on International Telecommunications (WCIT) van de International Telecommunication Union (ITU) van de VN. Deze conferentie had tot doel de bestaande International Telecommunications Regulations (ITR’s) uit het verdrag van 1988, waarin afspraken zijn gemaakt over de besturing van het internationale telecommunicatieverkeer, te herzien.

In 1988 was de telecommmarkt in de meeste landen nog niet geliberaliseerd en de financiële afwikkeling van het telefonie- en eenvoudige dataverkeer vond plaats via een stelsel van tariefafspraken tussen overheden en staatsbedrijven. Nu is dat absoluut niet meer aan de orde en Europa had zich dan ook eigenlijk op het standpunt gesteld dat kon worden volstaan met beëindiging van het bestaande verdrag. Tal van landen wilden echter herziening van het bestaande verdrag dus daar werd een topoverleg over georganiseerd.

Het probleem:
Het nieuwe verdrag bevat onder meer bepalingen die de consument ten goede moeten komen. Daarbij moet gedacht worden aan zake als meer transparantie over roamingtarieven. Daarnaast heeft het verdrag tot doel connectiviteit voor mensen met beperkingen bevorderen. Het grote probleem waar het om gaat is het verdrag bepalingen bevat die zo uitgelegd kunnen worden dat landen controle over het internet zouden kunnen verkrijgen. Daarbij is het gebruik en een eventueel recht op toegang tot internet nauw verweven met mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting. Overigens moet in deze context wel worden opgemerkt dat in de pre-ambule van het verdrag is opgenomen dat:

“Member States affirm their commitment to implement these Regulations in a manner that respects and upholds their human rights obligations”.

Momenteel valt een groot deel van de controle van het internet onder een Amerikaanse non-profitorganisatie, het gaat dan om de mogelijkheid om IP-adressen uit te delen. Veel deelnemers aan de conferentie wilden de controle over het internet overzetten naar individuele landen. De Verenigde Staten vinden dat echter onacceptabel, en ook de Europese Unie is tegen. De ITU zelf had overigens al eerder aangegeven dat er geen maatregelen zouden worden genomen, die het VN-lichaam meer controle over het web gaven of de lidstaten de mogelijkheid zouden geven om content te censureren.

Rommelig verloop:
De conferentie verliep uitermate rommelig. Normaliter worden bij de ITU alle beslissingen genomen op basis van consensus. Hoewel stemmen mogelijk is komt dit zelden of nooit voor. Toch is in Dubai twee keer gestemd, waaronder over een resolutie over uitbreiding van het verdrag naar internet. Daarbij was het op een gegeven moment zelfs volstrekt onduidelijk of er gestemd was. Er was een resolutie door de voorzitter Mohammed Nasser Al Ghanim aangenomen zonder officiële stemming. Hij peilde naar eigen zeggen de sfeer in de ruimte. Daarbij was onduidelijk wat de inhoud van de resolutie dan precies was en of deze echt aangenomen was.

Uiteindelijk is een tekst geconcludeerd, waarna diverse landen (Nederland en alle andere EU-landen, de VS, Japan, Australië en Canada) hadden aangekondigd deze niet tijdens de slotceremonie van de WCIT te zullen ondertekenen.

Onderliggende reden is de verbreding van de scope van het verdrag naar het internetdomein in combinatie met een aantal bepalingen die voor tweeërlei uitleg vatbaar, waardoor diepgaande controle en censuur op het internet door overheden gerechtvaardigd zou kunnen worden.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de toevoeging van enkele Afrikaanse landen welke luidt:

‘These regulations recognise the right of access of member states to international telecommunication services’.

Protesterende landen zagen dit als een poging om het beheer over het internet bij het verdrag te betrekken. Ook de bepalingen over het voorkomen van spam en het borgen van veiligheid van netwerken laten ruimte voor overheidscontrole op het internet. Ook is in een nieuwe definitie van “authorized operating agencies” niet duidelijk of hieronder ook private aanbieders of aanbieders van overheidsnetwerken vallen. Authorized operating agencies zijn aanbieders die onder het verdrag vallen.

Er is op de WCIT moeilijk onderhandeld over dergelijk passages maar wijzigingen waren niet bespreekbaar. Daardoor is niet geheel duidelijk wat de intenties van dergelijke passages zijn en is het verdrag uiteindelijk niet aangenomen door veel landen. Uiteindelijk hebben 89 landen van de 152 het verdrag ondertekend.

De directe gevolgen:
Voor de landen die niet ondertekend hebben gaat er niet veranderen. Zij blijven gebonden aan het verdrag uit 1988. Landen die zich bedenken kunnen het verdrag desgewenst later nog ondertekenen en ratificeren.

Conclusie:
De verwachtingen waren van tevoren hooggespannen en uiteindelijk is het min of meer met een sisser afgelopen. Internet en telecommunicatie zijn zo nauw met elkaar verweven dat ze eigenlijk niet meer als twee aparte werelden te zien zijn. Hoewel er voldoende valt aan te merken op de huidige organisatie van het internet zou een verdrag als dit met bijzonder vage bepalingen en een inconsistente benadering van het multi-stakeholder model weinig goeds bijdragen.

De secretaris-generaal van de ITU, Hamadoun Touré, sprak zijn teleurstelling uit over de opstelling van de weigeraars. Volgens hem heeft het verdrag geen gevolgen voor het beheer over het internet noch over het beheer van content; iets waar de protesterende landen voor vreesden. Daarnaast is de resolutie die de werking van het nieuwe verdrag uitbreidt tot internet niet-verbindend.

Hoewel het nieuwe verdrag enkele nuttige bepalingen bevat, blijft het simpelweg een te dubieus construct. Op korte termijn zal er niets veranderen. Wat de gevolgen op lange termijn zullen zijn als dit conflict doorsleept, is extreem moeilijk te voorzien. Vooralsnog kunnen staat in mei 2013 wordt het World Telecommunications Policy Forum van de ITU op de agenda. Ook daar heeft internet een prominente plek op de lijst van te bespreken onderwerpen en de messen zullen ongetwijfeld geslepen zijn. Daarna volgt in 2014 in Zuid-Korea een nieuwe onderhandeling over het ITU-verdrag. Zowel de overheid van de V.S. als grote internetbedrijven maken zich daar, terecht, ernstig zorgen over.

We gaan ongetwijfeld interessante tijden tegemoet en het is afwachten wat de toekomst van het internet gaat zijn.

Bron:
Enkele bronnen zijn voor het overzicht in de tekst gelinkt. Voor de Nederlandse reactie op de conferentie zie de brief van het ministerie van Economische Zaken aan de Tweede Kamer.

Schreef ik vorige week nog dat het relatief warm was voor de tijd van het jaar; nu zit de kou er aan te komen. Enfin, tijd om de belofte in te lossen en eens voor heren op een rijtje te zetten wat dit seizoen superstylish is op truienvlak.

Allereerst is dit jaar het enorme assortiment in het oog hangend. Dat betekent dat er nu voor vrijwel iedereen wat te krijgen. Varieer vooral in je inkopen en sla wat dikke truien in en een paar dunne truien. De eerste kunnen gewoon los of over een t-shirt gedragen worden en dunne truien kunnen over een overhemd en onder een blazer. Voor alle truien voor heren geldt dat het dit jaar aansluitende modellen zijn. Slobbertruien zijn echt not done.

Streeptruien:
Truien met horizontale strepen zijn in de mode. Zowel brede als smalle strepen zijn populair. Het hangt een beetje van de drager af wat er goed uit ziet. Houdt het simpel en zet niet teveel verschillende kleuren tegenover elkaar. Voor velen is een trui met brede strepen en contrasterende kleuren een goede keus.

Sweater van American Eagle

Argyle ruit:
De klassieke Engelse argyle ruit komt ook weer terug. De ruit is een regelmatig patroon en de verticale oriëntatie ervan op de stof kleedt slank af. Het klassieke design leent zich voor warme kleuren. Voor wie een wat sprekender combinatie wil is een donkere basiskleur met een felle kleur voor de ruit een goede keus. Over het algemeen argyle ruiten beter niet te combineren met een blazer om een al te kostschooljongens achtige look te vermijden.

Zwarte sweater met grijze argyle ruit van Banana Republic

Mohair:
Qua luxe wollen truien wordt merino vaak nog altijd als superieur gezien maar dit seizoen is ook mohair populair. Mohair is een hele fijne wol die van van de Angorageit wordt verkregen. Het levert zachte en luxueuze weefsels op die echter wel een stuk meer pluizen dan regulier strak geweven wol. Om te voorkomen dat een trui van mohair al te erg gaat pluizen en vaal worden is het nodig dat ze goed geweven en geverfd zijn. Dit alles maakt mohair een stuk duurder dan zelfs merino wol en een dergelijk kledingstuk moet dan vooral ook als een investering gezien.

Chocoladebruine mohair sweater van DSquared2

Metallic design:
Een opvallende introductie dit seizoen was van Neil Barrett. Hij introduceerde sweaters zowel met als zonder capuchon met een metallic voorkant. Nu zal dit waarschijnlijk niet in deze configuratie in de winkel belanden. Voor de meesten is het niet bepaald een goede keus om met een spiegel op je romp rond te lopen maar het is niet ondenkbaar dat er komende seizoenen meer kleding gaat opduiken waarbij uitgebreid gebruik wordt gemaakt van metallic. Daarnaast is een nadeel dat een dergelijk metallic materiaal over het algemeen niet zonder meer in de wasmachine kan en dus altijd door een specialist gereinigd moet worden.

Grijze katoenen sweater van Neil Barrett met contrasterende metallic print