Uit het regeerakkoord van 29 oktober genaamd ‘Bruggen bouwen’ bleek al reeds dat de nieuwe regering van zins was om organisaties die
(mede) met publiek geld zijn gefinancierd, het te verbieden om te speculeren met complexe financiële producten zoals derivaten.Dankzij de antwoorden op vragen van de Tweede Kamer over de omvang van derivatenposities van publieke en semi-publieke instellingen door Minister van Financiën Dijsselbloem, krijgen we nu wat meer zicht op de voorgenomen wetsvoorstellen en de huidige stand van zaken omtrent het derivatengebruik van (semi)publieke instellingen.

De voorgenomen maatregelen:
De wetsvoorstellen moeten nog gemaakt worden maar de groffe uitlijning van de maatregelen is al bekend. Het wordt verboden om te speculeren met complexe financiële producten zoals derivaten. Verzekeren tegen renterisico’s is wel toegestaan. Toezicht hierop vindt plaats bij de jaarlijkse accountantscontrole.

Het blijft wel toegestaan om te hedgen met derivaten, bijvoorbeeld om renterisico’s af te dekken. De risico’s zijn namelijk aanzienlijk groter wanneer derivaten worden gebruikt om te speculeren dan wanneer ze worden gebruikt om te hedgen. Dat komt met name door de zogeheten margin calls die kunnen optreden bij speculatie. Dit zijn bijstortverplichtingen die kunnen onstaan wanneer het erg slecht gaat.

Het huidige gebruik van derivaten door (semi-)publieke instellingen.
De betrokken instellingen vallen onder verschillende ministeries afhankelijk van hun rol binnen de overheid. Van niet alle instellingen is evenveel informatie voorhanden. Het makkelijkst is om ze in brede lijnen te behandelen.

Pensioenfondsen (SZW)
Van de pensioenfondsen is vrij veel informatie bekend. Elk kwartaal wordt er een overzicht gepubliceerd door DNB. De pensioenfondsen vertonen weinig tot geen problemen met betrekking tot speculatie-derivaten. Waar pensioenfondsen eerder dit jaar wel last aan hadden, was het feit dat hun hedgingderivaten onvoldoende dekking gaven.

Onderwijsinstellingen (OCW)
Van het onderwijs zijn nog weinig tot geen concrete gegevens bekend. Alle onderzoeken lopen momenteel nog. Het is wel belangrijk dat daar snel inzicht in komt. Instellingen als bijvoorbeeld Zadkine zijn vermoedelijk ook door onhandig gebruik van derivaten in de problemen gekomen.

Zorginstellingen (VWS)
Bij zorginstellingen zijn geen precieze cijfers bekend. Wel is het gebruik van rentederivaten vermoedelijk niet heel hoog hoewel er wel een stijgende trend zichtbaar is. Uit een onderzoek van Finance Ideas onder financiële medewerkers van zorginstellingen (HEAD’s) blijkt dat het overgrote deel van de instellingen geen
gebruik maakt van rentederivaten. Ongeveer 10 procent van de respondenten geeft aan beperkt tot regelmatig gebruik te maken van rentederivaten. KPMG heeft, op basis van de jaarverslagen over 2011, onderzoek gedaan onder de 100 grootste zorginstellingen en constateert tussen 2010 en 2011 een toename. Het onderzoek van het Waarborgfonds voor de Zorgsector geeft binnenkort wellicht een duidelijker beeld van de huidige stand van zaken.

Decentrale overheden en (semi-)publieke instellingen (BZK)
Er is momenteel geen zicht op de derivatenposities van decentrale overheden op Rijksniveau. De lagere overheden werken immers met name op basis van horizontaal toezicht waarbij het toezicht primair ligt bij de gemeenteraad, de provinciale staten resp. het dagelijks bestuur van de waterschappen. Provincies en gemeenten hoeven zich onder het Besluit begroten en verantwoorden (Bbv) – ook niet apart te verantwoorden over derivatenposities in hun begroting en jaarrekening. Het verticaal toezicht dat aanwezig is richt zich ook niet specifiek op derivaten

Wel worden er grenzen gesteld in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), waarvan artikel 4 bepaalt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s. Er is dus wel degelijk regelgeving aanwezig die speculatie van derivaten verbiedt.

Voorts hebben de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) die onder het Ministerie van BZK vallen hebben geen derivaten aangeschaft. Voor woningcorporaties is dit wel het geval. Een overzicht per medio dit jaar is op 6 september naar de Kamer gezonden (29453 nr. 275).

Staatsdeelnemingen (FIN)
Staatsdeelnemingen zijn geen onderdeel van de publieke of semipublieke sector, maar private bedrijven met de staat als aandeelhouder. De verantwoordelijkheid voor het al dan niet afsluiten van derivaten ligt in beginsel bij het bestuur waarbij de raad van commissarissen toezicht houdt.

De staat heeft als aandeelhouder over het algemeen geen formeel recht om het afsluiten van derivatenposities goed- of af te keuren. Wel kan de staat natuurlijk op basis van haar rechten als aandeelhouder dingen doen als het bestuur vervangen indien het niet goed functioneert. Ook is er met een aantal deelnemingen
gesproken over de derivatenposities die zij innemen.

Hoewel bij het failleren van een staatsdeelneming het verlies niet doorklapt naar de Rijksbegroting, kunnen de maatschappelijke gevolgen toch vrij vervelend zijn. Er is dan ook wel toezicht op staatsdeelnemingen van onder meer DNB en vaak van andere toezichthouders afhankelijk van in welke sector de deelneming actief is.

Conclusie:
Er is goed zicht op de status van de pensioenfondsen. Die hebben eigenlijk nog het grootste probleem dat ze niet voldoende gehedged lijken te hebben maar ze hoeven geen ernstige margin calls te verwachten. Op de status van onderwijsinstellingen is momenteel eigenlijk nog geen zicht en ook de zorginstellingen mogen nog wel even duidelijk onder loep genomen worden.

Voor decentrale overheden zit het toezicht gewoonlijk niet bij het Rijk maar daar is al regelgeving van toepassing die het gebruik van derivaten als speculatie-instrumenten expliciet verbiedt. Staatsdeelnemingen zijn een aparte tak van sport omdat het in beginsel zelfstandige entiteiten zijn. Desalniettemin heeft de staat vanuit haar rol als aandeelhouder wel bijzonder veel rechten die gebruikt kunnen worden om ten eerste de status van de financiëring te controleren en ten tweede op te treden indien een financieringspositie onhoudbaar dreigt te worden. Daarbij is er nog toezicht van DNB en sectortoezichthouders.

Het zou weinig kwaad kunnen als er wat meer zicht komt op het gebruik van financiële instrumenten. Daarbij moet echter niet sprake zijn van een regelgevingsreflex. Dat heeft altijd eerder de neiging om verlammend te werken dan om daadwerkelijk een probleem op te lossen. Bovendien heeft het opstellen van (zeer) specifieke regels weinig zin als ze gemakkelijk omzeild kunnen worden door het gebruik van andere financiele producten. Een ander pijnpunt is het de vaststelling van wanneer een derivaat nu feitelijk gebruikt wordt om te hedgen en wanneer het eigenlijk een speculatiemiddel is. Hoewel dat onderscheid theoretisch scherp is te maken, valt dat in praktisch opzicht soms niet mee.

Met al deze verschillende elementen die een rol spelen, zal het wetsvoorstel een boeiend stuk worden om tegemoet te zien.

Bron:
Antwoord op Kamervragen over derivatenposities in semi-publieke sector

Op 3 september werd Jinhua K. veroordeeld voor de moord op Winsie Hau. Zijn vonnis liet helaas weinig inzicht in de motieven van de dader (Zie hiervoor ook het artikel van 4 september). Op 12 november zijn Wesley C. en Polly W. veroordeeld in verband met deze zaak.

De feiten in het kort:
Polly W. was een voormalig vriendinnetje van Winsie Hau. Winsie zou op Facebook hebben geroddeld over Polly W. De Arnhemse en haar ex-vriend Wesley C., werden ervan verdacht Winsie (15) in januari van dit jaar te hebben laten doodsteken door Jinhua K. Polly wilde aanvankelijk dat Winsie nog voor kerst 2011 werd gedood. Wesley regelde Jinhua, wat gepaard ging met aandringen, intimidaties en de belofte van enkele tientjes. Polly regelde het adres en de tijden dat Winsie thuis was. Door omstandigheden kon de moord niet doorgaan op het geplande moment maar op 14 januari slaagde de opzet. Jinhua K. is overigens niet in hoger beroep gegaan.

Standpunt OM:
De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachten zij hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van moord. Wesley C. heeft direct na de steekpartij tegenover de politie verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn consistent en gedetailleerd. Deze verklaringen worden voorts betrouwbaar geacht nu zij in lijn zijn met de eerste verklaringen van K., de tweede en derde verklaring van W., de getuigenverklaringen en steun vinden in andere objectieve bewijsmiddelen.

De handelingen zoals het contacteren en onder druk zetten van K. kwalificeren als het medeplegen van het uitlokken van moord. Voor uitlokking is ten eerste de opzet van de uitlokker vereist. Op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen acht de officier van justitie bewezen dat bij verdachten de opzet heeft bestaan op de moord van Winsie Hau, alsook de opzet op de uitlokking van K.

Het tweede vereiste is dat een ander is aangezet tot het begaan van een strafbaar feit. Ook hiervan is sprake, nu K. zonder de verdachten nimmer op het idee was gekomen om daadwerkelijk iemand te vermoorden. Hij is hiertoe door de verdachten aangezet waarbij meermalen is aangedrongen op het vermoorden van Hau. Daarnaast is hem geld geboden, hebben verdachten hem informatie verschaft over het adres van, de route naar en de aanwezigheid van Hau en hebben hem beloofd zijn drankjes te betalen.

Ten derde dient het uitgelokte delict ook daadwerkelijk te hebben plaatsgevonden. Het spreekt voor zich dat dit gebeurd is. Het medeplegen volgt uit het feit dat verdachten samen zij opgetrokken om het bedachte plan te laten uitvoeren.

Standpunt verdediging:
Ten aanzien van Wesley C. bepleit de verdediging vrijspraak van het hem tenlastegelegde, omdat niet bewezen zou kunnen worden dat hij opzet heeft gehad op de dood van Winsie Hau.

De verklaringen van K. dienen uitgesloten te worden van het bewijs, nu hij tijdens zijn verhoor bij de rechtercommissaris op essentiële punten anders heeft verklaard dan hij bij de politie deed. Bovendien hebben K. en W. zich bij de rechter-commissaris beroepen op hun verschoningsrecht. Nu zij niet door de rechtbank zijn opgeroepen ter zitting, zodat de verdediging hun verklaringen niet heeft kunnen toetsen en er geen andersoortig direct bewijs aanwezig is, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Als de rechtbank de verklaringen toch toelaat als bewijs dan dient rekening te worden gehouden met het feit dat volgens K. de opdracht afkomstig is van W. en de verklaring weinig details geeft over de opdracht, waardoor uitlokking van moord door verdachte niet bewezen kan worden verklaard.

Hoewel er veel gesprekken zijn gevoerd over de dood van Hau stelt de verdediging dat verdachte nooit enig initiatief heeft genomen om K. ertoe te bewegen de moord te plegen. C. zou hebben nimmer kunnen verwachten dat K. daadwerkelijk de moord zou plegen. Dat verdachte geen opzet heeft gehad op uitlokking van moord blijkt tevens uit de omstandigheid dat verdachte zich gedistantieerd heeft van de wens van W om Hau van het leven te beroven.

Ten aanzien van Polly W. bepleit de verdediging vrijspraak van het haar tenlastegelegde omdat verdachte de moord niet heeft uitgelokt op de wijze waarop het is tenlastegelegd. Los van de vraag van wie het moordverzoek uitging; in beide gevallen is zeer onaannemelijk dat de druk bij K. zodanig was dat die tot een dergelijk ernstig feit zou hebben kunnen bijdragen. W. blijft bij de verklaringen zoals zij deze ten overstaan van de politie heeft afgelegd. De lezing van verdachte dient gevolgd te worden en niet de lezingen van de medeverdachten. Verdachte ontkent dat zij C. en/of K. onder druk heeft gezet of heeft bedreigd en hem/hen een geldbedrag of iets anders heeft beloofd. De verklaringen van C. en K zouden niet kunnen bijdragen aan het bewijs, omdat zij zich bij de rechter-commissaris niet hebben uitgelaten over de tegenstrijdigheden in hun eerder afgelegde verklaringen, doordat ze zich hebben beroepen op hun verschoningsrecht.

Samengevat kan worden gezegd dat de verdediging bij C. stelt dat de moord niet opzettelijk is uitgelokt en bij W. dat de moord niet is uitgelokt op de wijze zoals tenlastegelegd.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Ten aanzien van C. stelt de rechtbank vast dat de betwiste verklaringen ingevolge jurisprudentie gebruikt kunnen worden. Het is weliswaar zo dat de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid moet krijgen om een door een ander bij de politie afgelegde, voor verdachte belastende verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen door die persoon als getuige te ondervragen, maar dat indien deze gelegenheid heeft ontbroken, de belastende verklaring wel voor het bewijs kan worden gebruikt als die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Nu de eerdere verklaringen van W. en K. worden ondersteund door andere directe bewijsmiddelen, namelijk door de verklaringen van verdachte zelf en door telecom/internetberichten en getuigenverklaringen, is hiervan sprake.

Gelet op de inhoud van de verklaringen is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op de uitlokking van de moord. Verdachte is één van de initiators en organisatoren geweest van de moord. Los van de vraag wie het eerst op het idee is gekomen, is het idee tussen hen tweeën ontstaan en is er naar aanleiding van het idee gezamenlijk een plan gemaakt. De rechtbank is tevens van oordeel dat er tussen verdachte en medeverdachte gedurende een langere periode een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan waarmee het medeplegen is bewezen.

Het standpunt van de verdediging dat verdachte niet had verwacht en niet hoefde te verwachten dat de moord daadwerkelijk gepleegd zou worden en dat het initiatief volledig vanuit en onder druk van W. kwam, word door de rechtbank niet gevolgd. Uit de verklaringen van C., W. en verschillende getuigen blijkt dat er (kort) voorafgaand aan de bewuste dag meermalen over het moordplan is gesproken. Gedurende langere tijd vonden voorbereidingshandelingen plaats. Verdachte heeft hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd en zich niet gedistantieerd van het plan en de uitvoering hiervan, hoewel hij hier gedurende anderhalve maand meermalen gelegenheid voor heeft.

Ten aanzien van Polly W. volgt de rechtbank grofweg dezelfde methodiek. Ten aanzien van de betwiste verklaringen gebruikt de rechtbank dezelfde redenering als bij C. De rechtbank constateert dat, nadat de verdachten het dossier hebben gelezen, zij hun verklaringen aanpassen, waarbij zij vooral elkaar gaan beschuldigen. Om die reden zal de rechtbank de verklaringen die zij na lezing van het dossier hebben afgelegd, niet voor het bewijs gebruiken. Gelet op de verklaringen en andere bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op de uitlokking en is tevens sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij het uitlokken van de moord.

Beide verdachten worden derhalve veroordeeld voor het medeplegen van het uitlokken van moord.

Straftoemeting:
Beide verdachten waren minderjarig ten tijde van het plegen van de feiten. Derhalve is het uitgangspunt dat zij volgens het minderjarigenstrafrecht worden bestraft. Hoewel de toepassing van volwassen strafrecht wel kan worden gerechtvaardigd, is volgens deskundigen specifieke behandeling van Wesley en Polly nodig. De deskundigen zien goede behandelmogelijkheden als nú met de behandeling wordt begonnen. Ook is het belangrijk dat de ouders van verdachte zoveel mogelijk bij de behandeling worden betrokken. De rechtbank acht het plaatsen in een PIJ-inrichting de meest geëigende maatregel en niet een reguliere TBS-kliniek. Daarnaast krijgen de verdachten 24 maanden jeugddetentie opgelegd. Dit is de maximaal mogelijke straf binnen het jeugdstrafrecht.

Conclusie:
De officier van justitie had toepassing van het volwassenen strafrecht geëist maar de rechtbank is hier aan voorbij gegaan. Hoewel vanuit vergeldingsperspectief toepassing van het normale strafrecht beter ligt, is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk. De verdachten zijn nog (betrekkelijk) jong en opereren op een aanzienlijk lager dan gemiddeld sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. Als behandeling nu start dan is het volgens de deskundigen mogelijk om nog iets te bereiken. Daarvoor is de plaatsing in een PIJ-inrichting de enige directe mogelijkheid die de rechtbank voorhanden heeft.

Desalniettemin kan de vraag gesteld worden dat als hiervoor al geen geen volwassenen strafrecht wordt toegepast, waarvoor dan wel? Wellicht is het een reden voor het OM om in hoger beroep te gaan maar dat is een kwestie van afwachten.

Helaas geven ook deze vonnissen nog weinig inzicht in de motieven van de dader. Wel geven zij inzicht in de motieven van de uitlokkers tot moord.

Bron:
Maximale jeugdstraf in zaak Winsie via rechtspraak.nl
LJN: BY2852, Rechtbank Arnhem (vonnis Polly W.)
LJN: BY2835, Rechtbank Arnhem (vonnis Wesley C.)

Het is nu eenmaal een feit dat de liefde tussen echtelieden soms na enige tijd bekoelt. Een echtscheiding is dan het gevolg. Een complicerende factor in een dergelijke situatie is de aanwezigheid van kinderen. Er moet bepaalt worden waar zij hun primaire verblijfplaats zullen krijgen en welke ouder waarvoor verantwoordelijk is, hoe de financiën geregeld moeten worden enzovoorts. In veel gevallen verloopt dat uitstekend om niet te zeggen welhaast zakelijk. Er zijn echter ook tal van echtscheidingen waarbij de voormalig echtgenoten in spe elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hun persoonlijke ruzie wordt dan uitgevochten over het hoofd van de kinderen. Naar aanleiding van een rapport van de Ombudsman onderzoekt de Rechtspraak nu of er aparte procesvertegenwoordiging moet komen voor kinderen bij een problematische (v)echtscheiding.

Problematiek bij echtscheidingen:
Voor kinderen is een scheiding een proces dat hun leven danig kan ontwrichten. Kinderen van gescheiden ouders zijn in de regel ook vatbaarder voor problemen dan kinderen van niet-gescheiden ouders. Bij ernstige echtscheidingen gebruiken de ouders de kinderen soms om elkaar onder druk te zetten. Dit kan zulke vormen aannemen dat de rechter op advies van de Raad voor de Kinderbescherming de kinderen onder toezicht moet stellen. Een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg raakt dan betrokken bij het gezin en heeft tot taak de omgang tussen beide ouders en de kinderen te bevorderen.

De gezinsvoogden komen meestal pas om de hoek kijken op het moment dat bijna een staat van openlijke oorlog is bereikt. Het is dan lastig om nog iets te redden. Bovendien krijgen de ouders er nog een vijand bij in de vorm van de gezinsvoogd. Dit brengt met zich mee dat er veel klachten volgen over vooral de partijdigheid van Bureau Jeugdzorg. De relatief late ondertoezichtstelling verkleint de kans op een goede afloop enorm. Bovendien wordt er nu geen data verzameld over de mate van succes van dit soort ondertoezichtstellingen. Dit is mede vanwege het feit dat het lastig om vast te stellen wat nu precies als ‘succes’ moet gelden.

De Ombudsman heeft derhalve onderzoek verricht naar onder meer de mogelijkheden om een dergelijke situatie te voorkomen. Eén van de aanbevelingen uit het rapport is dat kinderen in echtscheidingszaken vaker een eigen vertegenwoordiger moeten krijgen. Hoewel het rapport meer aanbevelingen bevat, laat ik die even buiten beschouwing. De aanbevelingen over de uitvoering van ondertoezichtstelling betreffen namelijk Bureau Jeugdzorg en niet de Rechtspraak als zodanig welke slechts een marginale toetsingsrol heeft.

De aanbeveling:
Er wordt een drietal aanbevelingen gedaan in het rapport:

  1. Kinderen zouden een aparte procesvertegenwoordiger moeten krijgen.
  2. Elke zaak zou aan één rechter gekoppeld moeten zijn.
  3. Indien het inzetten van een gezinsvoogd onvermijdelijk is, dan moet deze bij het proces aanwezig zijn en hun autoriteit moet door de rechter meer worden ondersteund.

Hier zijn wel wat observaties bij te maken. Zo is het inzetten van een procesvertegenwoordiger voor een kind door een kinderrechter geen nieuw verschijnsel. Zo wordt een advocaat ingeschakeld wanneer het kind erom vraagt of omdat de rechter van mening is dat ouders en kinderen tegenstrijdige belangen hebben, bijvoorbeeld in discussies over de omgangsregeling. De Rechtspraak bekijkt momenteel of inzet van procesvertegenwoordigers voor kinderen vaker plaats moet hebben en zoja in welke gevallen.

Het tweede en derde punt bezien met name organisatorische aspecten. Zo kan bij zaken het gebruik van meerdere rechters nodig zijn wanneer snelheid geboden is of wanneer zaakstermijnen anders overschreden worden. De mogelijkheden tot het aanwijzen van één rechter per zaak wordt ook onderzocht maar het zal wel even op zich laten wachten hoe de resultaten daarvan precies gaan worden nu de herziening gerechtelijke kaart in volle gang is en ook veel tijd wordt besteed aan het onderwerp van gerechtelijke specialisatie. Aan de andere kant is het nu er toch geklust wordt aan het rechterlijk bestel wel een geschikte tijd om ook dit onderwerp mee te nemen.

De aanwezigheid van gezinsvoogden bij een zitting is wellicht wat gecompliceerder. Momenteel stuurt Bureau Jeugdzorg meestal een bureauvertegenwoordiger naar de zitting. In een zitting worden vaak een zeven tot negen zaken behandeld. Het kan lastig zijn om daarvoor alle gezinsvoogden op te laten draven. De rechter zal het ook in lang niet alle gevallen nodig achten om de gezinsvoogd te horen. In de zaken waar dat wel nodig is wordt de gezinsvoogd opgeroepen of als het tijdens zitting blijkt, dan wordt de zaak aangehouden tot later datum. Het is dus maar de vraag of een dergelijk systeem niet bijzonder inefficiënt zou zijn. Bovendien kost het komen opdraven voor een zitting ook de gezinsvoogden veel tijd die wellicht beter aan iets elders besteed kan worden.

De constatering dat de rechter de gezinsvoogd moet ondersteunen in zijn gezag is een open deur intrappen. Een rechter die beslist dat er een ondertoezichtstelling plaats gaat vinden, legt aan de ouder(s) echt wel uit dat het geen vrijblijvende suggestie is en dat hun gezag en bewegingsvrijheid ingeperkt zullen worden.

Desalniettemin vallen er uit het rapport wel een aantal goede, zij het vrij brede aanbevelingen te halen. Ingrijpen voordat een situatie volstrekt uit de hand loopt is beter dan interveniëren als er praktisch een oorlog is uitgebroken. Ook is het noodzakelijk dat er een goed overzicht blijft van dossiers binnen de keten. Rechters staan onvermijdelijk altijd op meer afstand dan directe toezichthouders. Het aanwezig hebben van de gezinsvoogd bij de zitting kan het probleem van informatie-asymmetrie verkleinen. Ook kan het er voor zorgen dat de rechter op de zitting de neuzen van zowel gezinsvoogden als ouders al wat meer dezelfde richting op kan krijgen. Daarbij moet niet vergeten worden dat de rechter niet gezien moet worden als een verlengstuk van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. De rechter heeft immers een controlerende functie te hebben en indien nodig op de spreekwoordelijke rem te trappen. Dat aspect raakt in mijn visie in dit rapport af en toe een beetje op de achtergrond waarbij de rechter meer wordt gepresenteerd als deel van de hulpverleningsketen dan als controleur. Overigens is de rechter natuurlijk wel degelijk deel van de hulpverleningsketen.

Het is ook noodzakelijk dat de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg zich gaan bezinnen op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en met de verantwoordelijke bewindspersoon mogelijkheden verkennen om al in een eerder stadium hulp te bieden. Daartoe moet ook een mechanisme worden ontworpen waarmee enige mate van zicht kan worden gehouden op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en waarmee bij voorkeur ontwikkelingen kunnen worden gesignaleerd. Dat en tal van andere aspecten aangaande (de problemen rond) de praktische uitvoering zijn in het rapport terug te vinden.

Los van dat alles is het een goed streven dat Rechtspraak onderzoekt of het mogelijk is om meer dan nu alle partijen bij elkaar op een zitting te krijgen. Dat geeft hopelijk een beter uitgangspunt om een ondertoezichtstelling te starten. Nog beter is het als hulpverlening, indien nodig, in een eerder stadium al kan worden opgestart want ondertoezichtstelling is een extreem zwaar middel dat bij voorkeur vermeden zou moeten worden.

Bron:
Onderzoek naar advocaat voor kinderen bij problematische echtscheiding via rechtspraak.nl
Andere aanpak Bureau Jeugdzorg en rechters nodig bij strijdende oudersvia ombudsman.nl
Rapport 2012/166 (KOM SA/2012): ‘De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen’

Windows 8 is sinds 26 oktober gelanceerd. Wie de preview versies heeft gedownload en geïnstalleerd wist al ongeveer wat er aan zat te komen maar voor het merendeel van de mensen zal het een verrassing zijn. Een voorproefje was ook al zichtbaar in de aangepaste webdiensten van Microsoft zoals Skydrive en Outlook.com. Windows 8 is met zijn Modern UI interface de grootste verandering voor Windows sinds Windows 95. Voor de casual user die hooguit wat bankiert via internet en een mailtje leest, is alles prima bruikbaar. Maar hoe zit dat voor powerusers zoals juristen die moeten kunnen multitasken op hun pc? Deze review is dan ook primair geschreven voor mensen die Windows 8 op hun desktop willen gaan gebruiken.

Modern UI:
Modern UI is eigenlijk een doorontwikkeling van de interface die we ook al kennen van Windows Phone 7. Het wordt gekenmerkt door het feit dat het een interface is met felle kleuren en zogenaamde Live Tiles die het geheel geschikt maken voor bediening middels een touchscreen.

Windows 8 met het Modern UI, aan de rechterzijde de Charms balk

Live Tiles:
Live Tiles zijn in plaats gekomen van het overbekende startmenu. Ze houden het midden tussen een ouderwetse snelkoppeling en een widget, en wordt onder andere gebruikt om programma’s te starten. Daarnaast kunnen ze informatie bevatten die dynamisch aangepast wordt; zo toont de e-mail-tile altijd een kort stukje van de laatste email. Het probleem met live tiles is dat het er al snel vrij veel kunnen worden waardoor een gemiddelde gebruiker gemakkelijk het overzicht kwijtraakt. Ditzelfde kan echter gezegd worden van een bureaublad met teveel snelkoppelingen. Storender is het zeer aanwezige gebruik van kleuren wat vermoeiend is voor de ogen van mensen die hier de hele dag mee moeten werken.

Charms:
Ook nieuw is het Charms menu. Dit menu is contextgevoelig en de functionaliteit ervan verandert dus mee met de applicatie die op dat moment openstaat. Het Charms menu bestaat uit vijf onderdelen; zoeken, delen, start, apparaten en instellingen.

  • Zoeken: Dit is een uitgebreide zoekfunctie waarmee je naar nagenoeg alles kunt zoeken. Zo kun je in het algemeen zoeken naar e-mails, apps, bestanden op je computer of instellingen. Het is ook mogelijk om op deze manier binnen een app zelf te zoeken.
  • Delen: De naam zegt het eigenlijk al. Deze functionaliteit gaat over het delen van informatie. Je kunt content delen tussen apps of met vrienden en familie via social media. Ook hier zijn de mogelijkheden afhankelijk van de applicatie waar je jezelf in bevindt.
  • Start: Deze functie laat je terugkeren het start-scherm van Windows 8.
  • Apparaten: Middels deze functie krijg je toegang tot verbonden apparaten met je Windows 8 tablet, laptop of PC. Op deze manier is het mogelijk om content naar de printer te sturen of bijvoorbeeld muziek te streamen naar een radio.
  • Instellingen: Binnen de instellingen functie kun je de instellingen van Window 8, je computer en applicaties aanpassen. Zit je in een app dan kun je de instellingen voor de app zelf aanpassen plus algemene instellingen.

Apps:
Naast gewone programma’s zoals we die allemaal kennen van Windows, zijn apps een nieuwe ontwikkeling. Het werkt eigenlijk precies eender als de appstores van Apple en Google Play. Standaard meegeleverde apps omvatten onder meer mail, agenda, nieuws, weer en dergelijke geijkte gevallen. De appstore van Windows is momenteel nog vrij leeg en het is zorgwekkend dat apps voor bijvoorbeeld Facebook en Twitter absoluut nog nergens te bekennen zijn. Dat is echter iets wat met tijd hopelijk snel beter wordt. Het is voor ontwikkelaars vrij gemakkelijk om ook apps voor Windows 8 te maken en er Microsoft veel aangelegen om het aantal snel op te krikken.

Apps draaien allen zonder uitzondering fullscreen. Het is wel mogelijk om het scherm in tweëen te delen maar alleen op een vooraf bepaalde wijze door Microsoft. Dit wordt Snap View genoemd en niet alle apps ondersteunen het. Dit is voor iedere serieuze multitasker een probleem. Het is niet goed doenlijk om bijvoorbeeld een Word document op de ene zijde te zetten en een PDF op te de andere zijde.

Gelukkig is het oude bureaublad nog aanwezig waar de gebruiker wel zelf de volledige controle heeft. De werking daarvan is eigenlijk precies hetzelfde als onder Windows 7 ware het niet dat het traditionele startmenu ontbreekt. Sowieso kunnen een hoop programma’s (zoals bijvoorbeeld Office en browsers als Chrome en Firefox) nog niet in “appstand” draaien. Deze programma’s worden derhalve standaard geopend op het bureaublad. Dit zorgt ervoor dat de gebruiker af en toe heen-en-weer gegooid wordt tussen de Modern UI en het traditionele bureaublad. Het bureaublad is weer minder geschikt om middels een touchscreen te bedienen maar vanwege verbeteringen aan de interface (met de name komst van het “Ribbon” design zoals dat ook voor Office 2010 geldt) is het ook middels een touchscreen inmiddels redelijk goed te bedienen.

Goed bestandsbeheer is eigenlijk ook alleen mogelijk met de Windows Verkenner zoals die draait op het bureaublad. De interface die de apps gebruiken voor bestandsbeheer is minder overzichtelijk en vereist veel meer handelingen om het gewenste resultaat te krijgen.

Een ander issue met apps is dat ze in beginsel niet volledig afsluiten maar op een soort ‘standby’ blijven staan. Dit betekent dat ze ondertussen geheugenruimte in beslag blijven nemen die beter aan andere processen toe kan komen. Ook wordt de lijst met actieve applicaties op deze manier ellenlang wat niet prettig is als je snel tussen applicaties wilt wisselen.

Navigeren:
Het is overduidelijk dat de interface gebouwd is op touch apparaten en minder voor traditionele navigatie met toetsenbord en muis. Zo wordt het charms menu opgeroepen door de vinger respectievelijk muiscursor in de rechterbovenhoek dan wel -onderhoek te plaatsen en langs de rand van het scherm te vegen. Dit is met de hand op een tablet prima te doen maar bij een reguliere desktop is dit bijzonder onhandig. Als je een groot scherm hebt dan moet je je met de muis toch een behoorlijke afstand afleggen enkel en alleen om het menu te openen. Hetzelfde geldt voor recent gebruikte applicaties die kunnen worden geopend door op gelijke wijze aan de linkerkant van het scherm te vegen.

Gelukkig ondersteunt Windows 8 ook het gebruik sneltoetsen die het leven stukken aangenamer maken. Het scheelt namelijk heel wat kilometers met de muis. Iedere desktopgebruiker die snel dingen gedaan wil krijgen kan derhalve beter met sneltoetsen aan de slag gaan. Zo is bijvoorbeeld met de combinatie CRTL+I meteen het instellingenscherm te openen. Feitelijk betekent dit dat sneltoetsen gewoon nodig zijn om snel dingen gedaan te krijgen.

Conclusie:
Het is overduidelijk dat Windows 8 nog een vrij jong systeem is ondanks het feit dat Microsoft er zeer veel werk in heeft gestopt. Windows 8 heeft zonder meer potentie maar voelt toch enigszins alsof het hinkt op twee gedachten. Waar Windows eerst op touchapparaten niet prettig werkte, lijkt nu de desktop het onderspit te delven. Een casual user die eigenlijk nauwelijks meer doet dan een mailtje versturen en hooguit één ding tegelijkertijd doet, kan uitstekend met de Modern UI volstaan. Slechts voor bestandsbeheer gerelateerde taken kan beter het bureaublad met windows verkenner worden opgestart.

De poweruser kan echter niet buiten het bureaublad. Ikzelf vind IE10 een goede browser op het bureaublad maar in appstand is het een drama. Er is geen enkele goede reden waarom een groot computerscherm helemaal opgevuld zou moeten worden met een browser terwijl de opmaak van de website zelf over het algemeen niet eens de volledige breedte van het scherm inneemt.

Overigens is het normaliter mogelijk met Windows om naar hartelust te tweaken en apps installeren, maar Metro zit behoorlijk dichtgetimmerd. In dat opzicht doet het aan Apples iOS denken. Dat is toch wel iets waar Microsoft voor moet waken. Anders zal een hele horde ICT-liefhebbers vertrekken richting Linux of (iets onwaarschijnlijker) Apple.

Al met al moet het oordeel op dit moment luiden dat er geen goede redenen zijn om op Windows 8 over te gaan en evenmin zijn er goede redenen om niet op Windows 8 over te gaan. Wel zal het succes in hoge mate beïnvloed worden de hoeveelheid goede apps die naar de Windows Store gaan komen. Als Microsoft het goede behoudt (bureaublad, uitgebreide instellingsmogelijkheden voor ICT-adepten) en kinderziektes uit Modern UI weet te krijgen dan Windows 8 een potentiële winnaar.

Bij het oprollen van hennepkwekerijen wordt vaak gebruik gemaakt van een machtiging tot binnentreden als bedoeld onder de Algemene Wet op het binnentreden (Awbi). Vaak worden in dergelijke gevallen zulke linke situaties aangetroffen dat onmiddellijk bestuursdwang op grond van 5:31 lid 2 Awb kan worden toegepast waardoor in beginsel alle gemaakte kosten voor rekening van de overtreder komen. Bestuursdwang en kostenverhaal gaan gezien art. 5:25 Awb namelijk gewoonlijk hand in hand. Dat kan kennelijk anders zijn als er sprake is van onrechtmatig binnentreden.

De feiten:
Het Bestuurlijk Interventie Team Eindhoven ontdekte bij een inspectie een hennepplantage in een schuur. Omdat er niemand in de woning behorende bij de schuur aanwezig was, maakte de politie voor binnentreding gebruik van een tevoren verleende machtiging tot binnentreding. Deze machtiging is verleend aan een agent maar niet ondertekend; niet duidelijk is of hij ook daadwerkelijk in de woning is binnengetreden. Wel staat op basis van een rapport van de verantwoordelijke toezichthouder van de gemeente ter plaatse vast, dat die de woning is binnengetreden. Hij deed dit op verzoek van een politiefunctionaris, evenwel niet degene die gemachtigd was de woning te treden, alsmede op zijn eigen autoriteit als toezichthouder namens de gemeente. Van toezichthouder staat derhalve ook vast dat hij geen machtiging had.

Eenmaal in de woning werd vastgesteld dat er gevaar was voor electrocutie en brand omdat er met de electriciteitsvoorziening was gerommeld. Direct daarop is bestuursdwang toegepast op de voet van artikel 5:31 lid 2 Awb voor rekening van de overtreder. De appellante stelt nu dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang tot stand is gekomen met schending van het in artikel 12 van de Grondwet neergelegde grondrecht. De bij de binnentreding verkregen informatie is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die informatie onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Hoewel niet aannemelijk is gemaakt dat bij de binnentreding is voldaan aan alle in de Awbi gestelde eisen, is voor de rechtmatigheid van de toepassing van bestuursdwang van belang dat daartoe is overgegaan, nadat brand- en elektrocutiegevaar was geconstateerd. Daarom was in de gegeven omstandigheden onmiddellijk optreden was vereist. De gebreken die aan de machtiging kleven zijn dan ook niet van dien aard, dat gebruik van de bij binnentreding verkregen informatie zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid moet worden gevergd.

De onrechtmatige binnentreding heeft echter wel tot gevolg dat in dit geval de gemaakte kosten niet kunnen worden verhaald op appellante. De combinatie van het feit dat de woning is binnengetreden zonder geldige machtiging en het huisrecht in het geding is, heeft tot gevolg dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 5:25 Awb dat bestuursdwang wordt toegepast voor rekening van de overtreder.

Conclusie:
Een enigszins opvallende uitspraak van het ABRvS. Kennelijk was het binnentreden wel te rechtvaardigen omdat er sprake was van electrocutie- en brandgevaar. De gebreken aan de machtiging kleven zijn dan ook niet zo erg dat zij indruisen tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid moet worden gevergd. Het is eigenlijk meer een vergeeflijke vorm van onzorgvuldigheid. Die onzorgvuldigheid leidt er echter wel toe dat de kosten van bestuursdwang niet op de appellant verhaald kunnen worden.

Overigens bevat art. 2 lid 3 Awbi een optie tot binnentreding zonder machtiging indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Hoewel er sprake was van brand- en electrocutiegevaar wordt hier verder geen aandacht aan besteed. Uit het vonnis wordt helaas niet duidelijk waarom.

Bron:
LJN: BY1691, Raad van State