Als een buitenlander langer dan 90 dagen in Nederland wenst te verblijven dan heeft hij/zij een inreisvisum nodig oftewel een machtiging voorlopig verblijf (MVV). Overigens heeft niet elke buitenlander een mvv nodig, er zijn ook enkele landen waarvan burgers niet visumplichtig zijn voor een langer verblijf. Voordat iemand een mvv krijgt, kan het zijn dat een inburgeringsexamen moet worden afgelegd. In onderstaande zaak wees Buitenlandse Zaken een aanvraag voor een mvv af.

De feiten:
De vrouw wil zich voegen bij haar man die al rechtmatig in Nederland verblijft. Het verzoek was afgewezen omdat zij eerst moest aantonen dat zij het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd. Zij heeft evenmin aangetoond dat zij niet inburgeringsplichtig zou zijn of voor vrijstelling in aanmerking komt.

Eiseres stelt zich nu bij de rechtbank op het standpunt BuZa heeft gehandel in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn (Richtlijn 2003/86/EG).

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Naar het oordeel van de rechtbank is de eis die BuZa heeft gesteld voor toelating tot Nederland, in strijd met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank verwijst daarbij naar het standpunt van de EC, waarin zij concludeert dat de bepaling in die zin moet worden uitgelegd dat het niet toelaat dat een lidstaat een gezinslid van een rechtmatig in die lidstaat wonende burger van een derde land de toegang en verblijf weigert uitsluitend op de grond dat dit gezinslid niet het in de wetgeving van die lidstaat voorgeschreven inburgeringsexamen in het buitenland heeft behaald.

BuZa stelt dat artikel 4, eerste lid, laatste alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn het stellen van een integratie-eis voorafgaand aan toelating in beginsel toestaat, zoals het Hof ook heeft geoordeeld in het arrest van 27 juni 2006 (C-540/03) en dat de uitleg van artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, zoals door de EC is gegeven, in strijd is met de door het Hof gehanteerde redenering in voormeld arrest, te weten dat naarmate men langer in het geboorteland is achtergebleven het moeilijker is te integreren en de lidstaten strengere eisen mogen stellen.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Artikel 4, eerste lid, laatste alinea,ziet op een beperkte categorie: een kind van boven de twaalf jaar, dat onafhankelijk van de rest van het gezin aankomt. In dit geval gaat het om een echtegenote. In de uitspraak van het Hof wordt uitgelegd waarom van een kind van boven de twaalf jaar dat onafhankelijk van de rest van zijn gezin aankomt verlangd kan worden dat het aan een integratiecriterium voldoet voorafgaand aan toelating. De uitleg van de EC van art. 7 is niet in strijd met het arrest omdat het op een andere situatie ziet.

De vrouw dient dus een mvv te krijgen.

Conclusie:
De Gezinsherenigingsrichtlijn gooit roet in het eten. De man verblijft al legaal in Nederland en de vrouw heeft derhalve gewoon een mvv te krijgen. Het verweer van BuZa op grond van een vergelijking met een zelfstandig arriverend kind van twaalf jaar of ouder is creatief maar weinig succesvol.

Dit is echter slechts een kleine overwinning voor de vrouw. De rechtbank heeft zich namelijk beperkt tot het vraagstuk dat de echtgenote dient aan te tonen dat zij vóór haar komst naar Nederland het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft afgelegd. Er is geen woord gerept over de vraag welke integratievoorwaarden in het kader van artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn mogen worden gesteld. Wellicht wordt dat nog voer voor een tweede proces.

Bron:
LJN: BY4171, Rechtbank ‘s-Gravenhage

Aan het hebben van de Nederlandse nationaliteit zijn veel voordelen (en ook wat nadelen) verbonden. Zo is het recht op kinderbijslag bijzonder prettig op het moment dat je kinderen hebt. Als je Nederland als vreemdeling verblijft dan heb je geen recht op kinderbijslag.

De feiten:
De ouders in onderhavige zaak zijn als vreemdelingen niet tot Nederland toegelaten volgens de Vreemdelingenwet. Enkelen verblijven wel al jaren in Nederland. De Koppelingswet sluit hen echter uit van de aanspraak op verzekering voor de kinderbijslag. Deze zaak draait om de vraag of die uitsluiting discriminatie oplevert volgens internationaal recht. Meer specifiek is in het geding of de uitsluiting in strijd met het recht op familie- en gezinsleven in samenhang met het verbod van discriminatie.

In de aanloop richting Hoge Raad volgden verschillende rechtbanken het standpunt van de SVB dat ouders geen recht hadden op de kinderbijslag. Bij de Centrale Raad van Beroep werden de ouders wel in het gelijk gesteld. Het effect van de Koppelingswet zouden disproportioneel zijn en ouders zouden mede met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) geacht kunnen worden ingezetenen van Nederland te zijn.

Overwegingen en oordeel van de rechter:uitsluiting Volgens de Hoge Raad is uitsluiting van de kinderbijslagverzekering is niet in strijd met het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) in samenhang met het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM).

De Koppelingswet strekt ter ondersteuning van het Nederlandse immigratiebeleid. Staten mogen bij maatregelen inzake immigratie onderscheid maken naar nationaliteit. Verder heeft het EHRM ten aanzien van maatregelen die een effectieve implementatie van het integratiebeleid beogen in het kader van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven overwogen dat die maatregelen het economisch welzijn van het land beogen te beschermen en daarom een legitiem doel nastreven.

Daarnaast is van belang dat het voorwerp van geschil in de onderhavige gevallen de sociale zekerheid betreft. Op dat gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gevallen die voor de toepassing van de onderhavige verdragsbepalingen als gelijk worden beschouwd, niettemin in verschillende zin te regelen.

Kinderbijslag is bedoeld om ouders te ondersteunen in de kosten daarvan. Kinderbijslag behoort niet tot die sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Een afwijkende behandeling is derhalve gerechtvaardigd.

Ook van belang is dat de Koppelingswet wil voorkomen dat vreemdelingen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven, of die enkel op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw rechtmatig in Nederland verblijven, in staat zouden worden gesteld tot voortzetting van dat verblijf. Zo zou de schijn van legaliteit kunnen worden verworven, of een zodanig sterke rechtspositie opgebouwd – of de schijn daarvan – dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

Kennelijk vond de wetgever het niet wenselijk dat de betrokken vreemdelingen, aan wie (nog) geen verblijfsvergunning is verleend en bij wie ermee rekening moet worden gehouden dat zij het land zullen moeten verlaten, in de periode totdat daaromtrent zekerheid ontstaat recht hebben op sociale zekerheidsuitkeringen op eenzelfde niveau als
rechtmatig verblijvenden (en Nederlanders).

De uitsluiting van kinderbijslag staat in een redelijke en proportionele verhouding tot dat legitieme doel. Dit wordt niet anders indien belanghebbenden met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijven.

Conclusie:
De ouders in deze zaak zijn in verband met hun verblijfsstatus niet verzekerd voor de kinderbijslag. Zij zijn als vreemdelingen niet tot Nederland toegelaten volgens de Vreemdelingenwet.

De kinderbijslag dient echter niet om hun bestaansminimum te verzekeren. Evenmin is er sprake van ongerechtvaardigde discriminatie dan wel schending van het recht op familie- en gezinsleven. Staten hebben waar het op hun economische en sociale zekerheidsbelangen aankomt, een grote beoordelingsvrijheid.

Het gekozen middel is volgens de Hoge Raad niet disproportioneel om de gekozen doelen te bereiken. Dat is voor de ouder in kwestie pure pech.

Bron:
LJN: BW7740, Hoge Raad

Het rechts- en handelsverkeer wordt steeds grensoverschrijdender. Dit brengt veel vragen met zich mee, onder meer over de bevoegdheid van de rechter. Welke rechter is bijvoorbeeld bevoegd in het geval van een verzoek om een negatieve declaratoire uitspraak bij grensoverschrijdende onrechtmatige daad? Dankzij een prejudiciële vraag van de Duitse rechter hebben we nu het antwoord op de vraag.

De feiten:
De in Zwitserland gevestigde onderneming Folien Fischer houdt zich bezig met gelamineerde papierwaren en folies. Fofitec, die eveneens haar zetel in Zwitserland heeft en deel uitmaakt van de ondernemingsgroep Folien Fischer, is houdster van octrooien ter bescherming van bepaalde producten.

De in Italië gevestigde onderneming Ritrama ontwikkelt, produceert en verkoopt verschillende soorten laminaat en veredelde folie. Ritrama stelt dat Fisher in strijd handelt met het kartelrecht door het bieden van oplopende kortingen in verhouding tot de gekochte hoeveelheid, en de weigering haar octrooilicenties toe te staan.

Folien Fisher vroeg vervolgens een verklaring aan dat haar handelswijze niet in strijd is met het recht.

De rechtsvraag:
Artikel 5 van de verordening bepaalt in punt 3: “Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: (3) ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”.

De Duitse rechter vraagt zich nu af of het artikel zo moet worden uitgelegd, dat de bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit onrechtmatige daad ook kan worden toegepast met betrekking tot een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht, die een potentiële schadeveroorzaker heeft ingesteld teneinde te doen vaststellen dat de potentiële benadeelde op basis van een bepaald feitencomplex geen aanspraak uit hoofde van onrechtmatige daad (in casu: schending van kartelrechtelijke bepalingen) zal kunnen doen gelden?”

In andere woorden: is het voor de rechter mogelijk om zonder strijd met het Europese recht een declaratoir vonnis uit te spreken gericht op het ontkennen van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad?

Overwegingen en oordeel van het HvJEU:
Een negatief declaratoire vordering is een ietwat vreemd verschijnsel omdat zij een omkering van de traditionele procesverhoudingen bij een vordering uit onrechtmatige daad inhoudt. De eiser is de potentiële schuldenaar van een op een onrechtmatige daad gebaseerde vordering is, terwijl de verweerder de vermeende benadeelde van die daad is.

Het doel van de verordening verzet zich niet tegen een situatie waarin een declaratoir vonnis ook onder artikel 5 van de verordening valt. Een vordering uit onrechtmatige daad hoeft immers niet per salso door de benadeelde te worden ingesteld. De belangen van de verzoeker van een negatief declaratoire vordering zijn niet dezelfde als die van degene die een vordering instelt tot vaststelling dat de verweerder aansprakelijk is voor een bepaalde schade en hem te doen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. De rechter oordeelt echter wel over hetzelfde feitencomplex.

Ook een negatieve declaratoire vordering kan derhalve worden ingesteld zowel in lidstaat waar de schade intreedt als waar de schade wordt veroorzaakt.

Conclusie:
Een negatieve declaratoire vordering is het spiegelbeeld van de gewone onrechtmatige daad vordering. De rechter onderzoekt in beide gevallen dezelfde feiten en een vordering hoeft niet per sé door de benadeelde ingesteld te worden. Het is dan ook logisch dat de negatieve declaratoire vordering ook onder de reikwijdte van artikel 5 van het verdrag kan worden gebracht.

Bron:
HvJ EU 25/10/2012, zaaknr. C-133/11, Folien Fischer

EU-Hof erkent bevoegdheid van rechters zowel in lidstaat waar de schade intreedt als waar de schade wordt veroorzaakt via minbuza.nl

Per 1 januari 2013 veranderen de normen die de rechtspraak hanteert voor het vaststellen van de hoogte van de kinderalimentatie. Aanleiding voor de wijziging van de normen voor kinderalimentatie is veranderde regelgeving en de wens tot verbetering van de huidige systematiek. Zo gaat nu het kindgebonden budget een rol spelen bij bepaling van draagkracht en wordt het systeem overzichtelijker. De belangrijkste veranderingen kort op een rij.

Dezelfde uitgangspunten:
De onderliggende principes voor het bepalen van de benodigdheid en hoogte van alimentatie blijven hetzelfde. Het uitgangspunt blijft de draagkracht van iedere ouder c.q. stiefouder na de scheiding. De draagkracht wordt per persoon vastgesteld en de behoeftigheid van het kind wordt goeddeels vastgesteld op basis van het netto inkomen van de (stief)ouders en de budgettabellen van het NIBUD.

Kindgebonden budget:
Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van het kind. Per 1 januari 2013 wordt deze in mindering gebracht op het aandeel dat (stief)ouders in de behoefte van een kind moeten bijdragen. De aanwezigheid van een kindgebonden budget kan de behoeftigheid dus naar beneden bijstellen om te voorkomen dat de vrager eigenlijk tweemaal geld ontvangt voor hetzelfde kind.

Zorgkorting:
Ook nieuw is de introductie van een zogeheten zorgkorting. De zorgkorting is een variabel bedrag wat in de plaats zal treden van de nu geldende omgangskosten van € 5,- per dag. Of er recht bestaat op de zorgkorting is afhankelijk van de draagkracht. Doordat de zorgkorting variabel is, kan deze beter aansluiten bij het welstandsniveau wat een kind gewend is. De zorgkorting gaat overigens in per 1 april 2013.

Werking van het systeem:
Eerst wordt de behoefte van de kinderen en zorg vastgesteld. Het met behulp van de NIBUD-tabellen gevonden bedrag van het eigen aandeel in de kosten kinderen wordt verminderd met het kindgebonden budget. Daarna wordt de zorgkorting berekend, in beginsel tenminste 15% van het gevonden bedrag. De zorgkorting kan anders uitvallen indien een verzorgende ouder meer kosten voor zijn/haar rekening neemt.

In de tweede stap wordt aan de hand van de tabellen en het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen,
waaronder de verzorgende ouder,de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige per kind vastgesteld. Voor de behoefte aan een bijdrage is ook de draagkracht van de verzorgende ouder en eventuele
stiefouders van belang.

Vervolgens worden worden behoefte en draagkracht gekoppeld. De laagste van de twee is bepalend voor de onderhoudsplicht. Indien de gezamenlijke draagkracht van de ouders hoger is dan het eigen aandeel (na vermindering met het kindgebonden budget), dan wordt dit eigen aandeel naar evenredigheid van de draagkracht omgeslagen, waarna de zorgkorting de bijdrage vermindert.

Indien de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan het eigen aandeel, dan wordt de bijdrage slechts met een deel van de zorgkorting verminderd tot het bedrag dat de gezamenlijke draagkracht dat toelaat. In dat geval wordt een deel van de zorgkorting niet gerealiseerd.

Tot slot kan er indien nodig nog een aanvaardbaarheidstoets plaatsvinden. Dit maakt het mogelijk om rekening te houden met bijzondere omstandigheden zoals bijvoorbeeld de situatie waarbij één van de ouders een onderneming heeft met sterk wisselende resultaten of bijzondere verplichtingen heeft.

Beter inzicht in het systeem:
Dankzij nieuwe tabellen voor draagkracht van (stief)ouders en behoeftigheid van kinderen is het voor de meesten mogelijk om zelf de behoeftigheid en draagkracht te bepalen. Daardoor hoeft hopelijk minder vaak de hulp van een deskundige ingeschakeld te worden.

Conclusie:
Er zijn behoorlijk wat aanpassingen gedaan aan de regeling voor het vaststellen van de nieuwe normen voor kinderalimentatie. De incorporatie van het kindgebonden budget en het veranderen van het omgangsgeld naar een zorgkorting zijn de grootste structurele veranderingen. De onderliggende principes van behoeftigheid enerzijds en draagkracht anderzijds zijn niet gewijzigd waarmee de kern van het systeem nog steeds hetzelfde is.

De wijzigingen zorgen er voor dat het kinderalimentatiesysteem weer wat meer bij de tijd is. Rest nu slechts nog het partneralimentatiesysteem.

Bron:
Nieuwe normen berekening kinderalimentatie via rechtspraak.nl
Voorstel vereenvoudiging richtlijn kinderalimentatie
draagkrachttabel
behoeftetabel

Het ministerie van Financiën heeft bijzonder duidelijk verkondigd dat het verlaagde tarief van de overdrachtbelasting (2% in plaats van 6%) niet geldt voor bouwpercelen. Om voor het verlaagde tarief in aanmerking te komen moet ten minste de fundering van de woning zijn gerealiseerd. Reeds eerder probeerde iemand met een beroep op het gelijkheidsbeginsel om toch ook het lage tarief van toepassing te laten zijn. De les is kennelijk nog niet geleerd want nu probeert weer een ander het met wederom een beroep op het gelijkheidsbeginsel (en wederom bij dezelfde rechtbank).

De feiten:
Eiser heeft op 29 december 2011 de eigendom van een perceel verkregen. In de akte is onder meer vermeld dat het verkochte door de koper zal worden gebruikt voor het stichten van een woning.

Het perceel was ten tijde van de levering nog niet bouwrijp. Ook was nog geen bouwvergunning afgegeven. Wel was in het bestemmingsplan al een woonbestemming toegekend.

De eiser heeft 6% overdrachtsbelasting al voldaan en is in bezwaar gegaan. Dit werd afgewezen dus nu volgt beroep bij de rechter.

Overweging van het beroep:
Net als bij de eerdere uitspraak start de rechter met de relevante regelgeving te bekijken, zijnde het besluit zelf en de antwoorden op de antwoorden op vragen gesteld door de KNB. Daaruit volgt dat grond bestemd voor woningbouw expliciet is uitgesloten. Op grond van het Besluit heeft de eiser dus geen recht op de verlaagde BTW.

Een nieuwe woning in aanbouw kan voor de maatregel toch als woning worden aangemerkt als de fundering is aangebracht. Ook hier is echter geen sprake van nu er nog niets in aanbouw is. Het gaat immers slechts om een lap grond.

Met betrekking tot het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel het moet gaan om gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn. Om te bepalen of sprake is van gelijke gevallen, is de achtergrond van de tariefsverlaging van belang.

De achtergrond van de maatregel was om de bestaande woningmarkt te stimuleren. De aankoop van een perceel grond met woonbestemming met de bedoeling daarop een woning te bouwen, stimuleert de woningmarkt niet op eenzelfde wijze als de aankoop van een bestaande woning. Het realiseren van een nieuwe woning zorgt er namelijk voor dat er meer woningen op de markt komen, terwijl het de wetgever er met de tariefsverlaging juist om te doen was te bevorderen dat mensen hun woning kwijt kunnen.

Dat eiser bijdraagt aan de doorstroming op de huizenmarkt omdat hij een huurwoning verlaat, heeft niet tot gevolg dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen. Met de tariefsverlaging is beoogd de verkoop van woningen te stimuleren. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de koper die een huurwoning verlaat en de koper die een koopwoning verlaat.

Eiser merkt tevens terecht op dat hij wel in aanmerking zou komen voor het lage tarief indien hij een sloopwoning zou hebben gekocht. Ook een sloopwoning is echter een bestaande woning en valt binnen de doelstelling ‘het stimuleren van de markt voor bestaande woningen’.

Dit geldt zo op het eerste gezicht in mindere mate voor woningen in aanbouw waarvan alleen nog maar de fundering is aangebracht en waarop het verlaagde tarief wel van toepassing is. Woningen in aanbouw zijn echter in de meeste gevallen onderworpen aan de heffing van omzetbelasting. Dat is slechts anders indien een niet-ondernemer een woning in aanbouw verkoopt waarbij wel sprake van heffing van overdrachtsbelasting. Het zal dan gaan om particulieren die een nieuwbouwwoning hebben gekocht en voordat de woning is afgebouwd deze om wat voor reden dan ook weer willen verkopen. Ook dit valt binnen de doelstelling van de tariefsverlaging om te bevorderen dat mensen hun woning kwijt kunnen.

Verder staat vast dat eiser door het bouwen van een woning de economie stimuleert. De tariefsverlaging in de overdrachtsbelasting is echter niet ingevoerd om de economie in haar algemeenheid te stimuleren, maar heel specifiek om de markt voor bestaande woningen te stimuleren.

Het beroep wordt dus verworpen.

Conclusie:
Hoewel de insteek van deze eiser wat anders is dan die van eiser in de vorige zaak (die stelde dat hij op oneigenlijke gronden gelijk werd gesteld aan een projectonwtikkelaar), is het resultaat desalniettemin hetzelfde. Het is en zal moeilijk blijven om met een beroep op het gelijkheidsbeginsel bouwgrond onder het lage tarief te krijgen. De regeling ziet immers zeer specifiek op het stimuleren van de markt van bestaande woningen. Daarnaast kan er geen enkele discussie zijn over de vraag of grond met een woonbestemming er al onder valt want dat is in het besluit expliciet uitgesloten.

Tenzij iemand bijzonder goede argumenten vind waarom hij toch de bestaande woningmarkt stimuleert door een nieuwe woning te bouwen, zal er aan dit soort beroepen weinig eer te behalen zijn.

Bron:
LJN: BY1377, Rechtbank Arnhem