We gaan even terug naar begin 2012. Burgemeester van Giessenlanden Els Boot weigerde de politie mee te laten werken aan het uitzetten van de Afghaanse vluchteling Rafiq Naibzay. Zijn gezin zou mogen achterblijven. Ze vreesde dat de uitzetting ‘rampzalige gevolgen’ zou hebben omdat de depressieve vrouw van de man zelfmoord zou willen plegen. Minister Leers stelde zich op het standpunt dat burgemeesters niet te interfereren hebben in de uitzettingstaak van de politie.

Vervolgens kozen veertig gemeenten de kant van Boot in de discussie. In een brief aan de minister onderstreepten zij het punt dat een burgemeester medewerking mag weigeren als de openbare orde in het geding is. Boot en Leers spraken af dat de bevoegdheden van burgemeester bij uitzetting nader onderzocht zouden worden. In overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Genootschap van Burgemeesters is advies gevraagd aan prof. mr. dr. J.G. Brouwer (Rijksuniversiteit Groningen) en prof. mr. dr. A.E. Schilder (Vrije Universiteit Amsterdam) inzake
‘het gezag over de politie bij uitzetting van vreemdelingen’.

De kern van het conflict:
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde volgens de Gemeentewet (Gemw). Deze zou volgens de burgemeesters in het geding zijn bij uitzettingen. Ook zou hun hulpverleningstaak hen beletten mee te werken. Bij de uitvoering van beide taken kan de burgemeester krachtens de Politiewet 1993 (Polw) aan de aan
hem bij deze taken ondergeschikte politie aanwijzingen geven.

Aan de andere kant is volgens art. 63 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel verantwoordelijk voor de uitzetting van vreemdelingen en geeft hij hiertoe aanwijzingen aan de vreemdelingenpolitie. Een opdracht tot daadwerkelijke uitzetting staat vanzelfsprekend haaks op een aanwijzing van de burgemeester om hieraan niet mee te werken. De wettekst biedt helaas geen eenduidig antwoord op de vraag wat voorgaat, terwijl dat wel van groot belang is voor het goed functioneren van vreemdelingenrecht.

De conclusie van het advies:
De conclusie is dat bij uitzetting van vreemdelingen de politie exclusief onder gezag van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel staat. De burgemeester mag noch met een beroep op de hulpverleningstaak, noch met een beroep op zijn verantwoordelijkheid voor de openbare orde de naleving van de Vreemdelingenwet 2000 frustreren
door de politie te verbieden medewerking te verlenen bij de uitzetting. De burgemeester moet niet al te gemakkelijk het uitvoeren van rechtsregels kunnen frustreren met een beroep op het belang van handhaving van de openbare orde. Op hem rust in beginsel een inspanningsverplichting om dergelijke activiteiten mogelijk te maken door voldoende politie in te zetten ter handhaving van de openbare orde.

Dat betekent echter niet dat de inspanningsverplichting zonder grenzen is. In een geval van ernstige overmacht met voorzienbare ordestoringen op een schaal en met een intensiteit die de burgemeester redelijkerwijs niet kan beteugelen met de hem ter beschikking staande politiemacht, is een uitzondering denkbaar. Een burgemeester die zich met een beroep op zijn zorgplicht of de handhaving van de openbare orde tegen uitzetting verzet, zonder dat sprake is van ernstige bestuurlijke overmacht, maakt zich schuldig aan oneigenlijk gebruik van zijn bevoegdheid.

Conclusie:
Hopelijk is hiermee het conflict opgelost. Een advies in deze lijn lag wel in de verwachting, het zou immers een onhoudbare situatie opleveren als een burgemeester hogere regelgeving buiten spel kan zetten met een beroep op het feit dat mogelijk de openbare orde verstoord gaat worden c.q. met een beroep op de hulpverleningstaak. Dergelijke bevoegdheden van de burgemeester zijn ook niet in het leven geroepen om gebruikt te worden voor elk wissewasje. Er moet echt wel wat meer aan de hand zijn voordat sprake is van een noemenswaardige verstoring van de openbare orde.

Overigens benadrukken de betrokken ministers dat de inzet is om waar deze twee bevoegdheden tegelijkertijd spelen, er gezamenlijk uit te komen. Het uitgangspunt is dan ook dat het altijd mogelijk moet zijn om te komen tot een oplossing en niet dat de burgemeester zonder meer overruled wordt door een minister.

Bron:
Kamerbrief over het gezag over de politie bij uitzetting van vreemdelingen via rijksoverheid.nl
Advies: ‘Het gezag over de politie bij uitzetting van vreemdelingen’ via rijksoverheid.nl

De uitspraak van de rechtbank Breda over de erfbelasting houdt de gemoederen nog steeds lekker bezig. De rechtbank besliste dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet 1956 voor alle tot een nalatenschap behorende goederen zouden moeten gelden, aangezien deze faciliteiten een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling veroorzaken.

De rechtszaak:
Kortgezegd draaide de rechtszaak om de vraag of het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 IVBPR of artikel 14 EVRM met zich meebrengt dat de bedrijfsopvolgingsregelingen in de Successiewet 1956 ook op ander vermogen dan ondernemingsvermogen van toepassing is. De rechtbank in Breda oordeelde dat de vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen ook moet gelden voor privévermogen. De Belastingdienst is in beroep gegaan tegen deze uitspraak. Dat doet ze overigens niet zonder reden. In vergelijkbare eerdere zaken voor de Hoge Raad (Hoge Raad 9 december 2011, nr. 11/02099, LJN: BU6998) werd zij in het gelijk gesteld. Het conflict is dus nog niet beslecht.

Massaal bezwaar
Op 6 augustus schreef ik nog dat het handig was voor belanghebbenden om alvast bezwaar aan te tekenen. Dat is een vaste truc voor iedereen die enigszins bekend is met belastingrecht. De uitspraak kan namelijk gevolgen hebben voor elke aanslag erf- en schenkbelasting die nog niet onherroepelijk vaststaat. De Belastingdienst heeft dat geweten. Duizenden mensen willen meeliften op de uitspraak van de rechtbank. Dientengevolge verwacht de fiscus dat het totale aantal bezwaren mogelijk zal oplopen tot meer dan 50.000 bezwaarschriften op jaarbasis. Om die reden wordt de massaal bezwaarprocedure nu van stal gehaald. Het gaat daarbij om massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25a van de AWR, voor bezwaarschriften tegen aanslagen erf- en schenkbelasting waarbij voor niet-ondernemingsvermogen geen bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt verleend.

Dit betekent dat alle bezwaarschriften waarin belastingplichtigen zich beroepen op de uitspraak van rechtbank Breda (met uitzondering van degene die worden voorgelegd aan de rechter), worden aangehouden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in de proefprocedures. De toepassing van de regeling van artikel 25a van de AWR betekent onder meer dat als de Belastingdienst niet geheel in het gelijk wordt gesteld, ook de aanslagen worden herzien van de belastingplichtige die geen bezwaar heeft ingediend. Dat is prettig want dan is het indienen van bezwaar niet langer nodig. Als het bezwaar (mede) ziet op een of meer andere geschilpunten, moet de inspecteur het bezwaar op het punt van de rechtsvraag afwijzen. Ook in dit geval wordt de aanslag echter herzien op het punt van de rechtsvraag als de Belastingdienst niet geheel in het gelijk wordt gesteld.

De Tweede Kamer moet overigens nog wel akkoord gaan met het aanwijzen van massaal bezwaar inzake deze gevallen.

Conclusie:
De Belastingdienst heeft het er maar druk mee. Belastinplichtigen ruiken een kans en pakken deze logischerwijs met beide handen aan. De uitspraak van de rechtbank Breda raakt praktisch iedere beschikking op het vlak van erf- en schenkbelasting dus het aantal bezwaren is ook fors. Het aanwijzen van massaal bezwaar is voor dergelijke zaken handig. Alle bezwaarschriften kunnen gedurende het proces aangehouden worden en er kan in één keer uitspraak worden gedaan. Daarnaast is het dan niet langer nodig om individueel bezwaar in te dienen omdat als de Belastingdienst niet geheel in het gelijk wordt gesteld, ook de aanslagen worden herzien van de belastingplichtige die geen bezwaar heeft ingediend. Desalniettemin is het nog steeds handig om individueel bezwaar in te dienen!

Het andere prettige aspect is dat de collectieve procedure in beginsel meteen de afsluiting van het hele hoofdstuk oplevert. Tegen deze collectieve uitspraak staat geen beroep open. Wel kan de individuele belanghebbende die het niet eens is met de collectieve uitspraak, bij zijn “eigen” inspecteur binnen een redelijke termijn nog een individuele uitspraak op bezwaar aanvragen. Collectief bezwaar is in ieder geval voor deze zaak een handig middel om de werklast binnen de perken te houden en de rechtsuniformiteit te bevorderen.

Bron:
Kamerbrief inzake besluit aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen erf- en schenkbelasting als massaal bezwaar via rijksoverheid.nl
Aanwijzing bezwaarschriften tegen aanslagen erf- en schenkbelasting als massaal bezwaarvia rijksoverheid.nl

Belasting betalen moeten we allemaal. Samen met de dood is dat nu eenmaal één van de zekerheden van het leven. Normaliter verloopt heffing van inkomstenbelasting grotendeels via de werkgever middels de voorheffing loonbelasting. Als de werkgever per ongeluk een volledig brutobedrag uitbetaalt aan de werknemer en ook de loonbelasting voldoet aan de fiscus, dan zal de werkgever het teveel betaalde terug willen hebben. Een conflict daarover speelde in onderhavige zaak.

De feiten:
In een voorgaande rechtszaak van 19 december 2011 vonniste de kantonrechter ’s-Gravenhage dat de werkgever een bedrag van EUR 30.535,29 bruto aan werknemer moest voldoen wegens niet uitbetaalde overuren en opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. De werkgever is daar overigens tegen in beroep gegaan en de appelprocedure loopt nog.

De werknemer verzocht de werkgever om betaling van het netto-equivalent daarvan. De werkgever maakte in plaats van de netto-equivalent het gehele bruto-equivalent over naar werknemer. De werkgever droeg eveneens de verschuldigde loonheffing af aan de Belastingdienst, een bedrag van EUR 14.107,30. Werkgever had het bedrag van EUR 14.107,30 dus zowel aan werknemer als aan de Belastingdienst betaald. Werkgever verzocht vervolgens aan werknemer om dit bedrag terug te betalen. Werknemer weigerde dit en de werkgever startte derhalve met een tweede kort geding om het geld terug te krijgen.

De overwegingen en het oordeel van de rechter:
De werkgever baseert zich voor terugbetaling van het bedrag op onverschuldigde betaling (van haar zijde) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (van zijde van werknemer). Van onverschuldigde betaling kan geen sprake zijn omdat betaling niet zonder rechtsgrond geschiedde. Werkgever was immers veroordeeld tot het voldoen van dat bedrag in het eerdere geding.

Wat betreft ongerechtvaardige verrijking ligt de zaak iets gecompliceerder. De kantonrechter gaat ervan uit dat de werkgever abusievelijk het gehele bedrag heeft uitbetaald aan werknemer in plaats van de netto-equivalent. Vast staat dat de werkgever de met dat brutobedrag gemoeide loonheffingscomponent heeft afgedragen aan de Belastingdienst. De werkgever heeft derhalve tweemaal, waarvan eenmaal ten onrechte, de loonheffingscomponent betaald. Ook vast staat dat werknemer in feite zelf erkent dat het bedrag, waarover hij thans beschikt, hem niet toekomt, maar moet het worden afgedragen aan de Belastingdienst, die het feitelijk al heeft ontvangen.

Voor zover werkgever aanspraak kan maken op terugbetaling door de Belastingdienst, moet ervan worden uitgegaan dat zulks eerst mogelijk is nadat werknemer zijn inkomstenbelasting over 2011 heeft voldaan. Dat is momenteel nog niet aan de orde. Van de Belastingdienst kan werkgever dus thans nog geen terugbetaling verkrijgen, terwijl op dit moment niet met zekerheid vaststaat dat die mogelijkheid zich (ooit) zal voordoen. Daar komt bij dat niet valt in te zien dat de Belastingdienst zich in de huidige situatie ambtshalve zal wenden tot werknemer met het oog op de betaling van het bedrag van € 14.107,30, nu de Belastingdienst dat bedrag inmiddels heeft ontvangen via werkgever.

Op grond van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de bodemrechter met grote mate van waarschijnlijkheid zal oordelen dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van werknemer in de zin van artikel 6:212 BW. Het spoedeisende belang van het kort geding is daarmee gegeven. De kantonrechter ziet geen enkele reden waarom werkgever nog langer op de terugbetaling zou moeten wachten en veroordeelt werknemer tot terugbetaling van het bedrag aan werkgever.

Conclusie:
Dit is een goed voorbeeld van hoe een voorzieningenrechter omgaat met geldvorderingen alsmede de werking van de artikelen van onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking. Op basis van vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen – maar ook of daarnaast sprake is van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden. (rov. 3.1.)

Van onverschuldigde betaling kan geen sprake zijn indien er betaald is op basis van een rechtsgrond. In dit geval geschiedde betaling op grond van een vonnis wat zonder meer tot de geldige rechtsgronden behoort. Voor wat betreft ongerechtvaardigde verrijking is het slechts iets gecompliceerder omdat hier de Belastingdienst een rol speelt. Deze kan vorderen bij zowel werkgever als werknemer. Nu de werkgever al betaald heeft (zoals het ook hoort) is er voor de Belastingdienst geen enkele reden om zich nog te wenden tot werknemer. Per saldo is er een verarming bij de werkgever en een verrijking bij werknemer. De werknemer stelt zelfs dat het geld niet voor hem is maar van de Belastingdienst. Het ligt derhalve in de lijn der verwachting dat de bodemrechter inderdaad zal veroordelen tot terugbetaling op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Daarmee is dan ook meteen het spoedeisende belang van werkgever bij haar vordering gegeven.

Wat helaas niet duidelijk wordt uit het vonnis is waarom de werknemer niet gewoon het teveel betaalde aan de werkgever wilde retourneren. Gezien de eerdere rechtszaak is het misschien gewoon een kwestie van de werkgever willen stangen. Dit is in ieder geval typisch een rechtszaak waar niemand wat mee opschiet omdat deze partijen elkaar ook weer gaan tegenkomen in de nog steeds lopen appèlzaak.

Bron:
LJN: BX7528, Voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Gravenhage
Brutobedrag achterstallig salaris uitbetaald, wat nu? via flexnieuws.nl

Het zal niemand ontgaan zijn dat Apple momenteel wereldwijd bezig is met het procederen tegen grote rivaal Samsung en in mindere mate HTC omdat deze inbreuk zouden maken op Apples patenten. In het Verenigd Koninkrijk verloor Apple op 4 juli een vergelijkbare zaak tegen HTC. In Nederland had Apple een rechtszaak lopen tegen Samsung op basis van hetzelfde patent, ook hier heeft Apple verloren. Tijd om eens naar de Nederlandse beslissing te kijken.

De feiten:
De strijd tussen Apple en Samsung draait om het Europees patent EP 948. Dit werd in 2009 aangevraagd en in 2011 toegewezen. Het patent heeft betrekking op een apparaat met een touchscreen dat meerdere aanrakingen tegelijkertijd kan ontvangen en verwerken: een multitouch touchscreen. Apples patent bevat een methode waardoor verkeerde aanrakingen van touchscreens worden genegeerd. Het octrooi definieert voor dat doel twee verschillende vlaggen (flags). Een multi-touch vlag die aangeeft of een bepaalde view tegelijkertijd meerdere aanrakingen kan ontvangen of niet, en een exclusive touch flag (exclusiviteitsvlag) die aangeeft of een bepaalde view die een aanraking ontvangt het toestaat dat een andere view tegelijkertijd ook een aanraking ontvangt. Android heeft deze functionaliteit niet; in die zin dat Android geen aanrakingen negeert.

Apple vordert – samengevat – een verbod op inbreuk op EP 948 in Nederland, met als nevenvorderingen: een opgave over winst, een recall, een publicatie over de inbreuk en een veroordeling tot afdracht van winst of vergoeding van schade, met veroordeling van Samsung in de proceskosten.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank is van oordeel dat Samsung met de verhandeling van haar Galaxy-producten geen inbreuk maakt op EP 948. Een gemiddelde vakman zal het systeem van het patent zo uitleggen dat op basis van de vlaggen bepaald word of een touch event moet worden verstuurd of moet worden genegeerd. In het hierboven beschreven Android systeem worden touch events nooit genegeerd. Daar komt bij dat met een systeem zoals Android, dat touch events nooit negeert, niet alle voordelen kunnen worden bereikt die de in EP 948 geclaimde werkwijze en voortbrengselen volgens het octrooischrift zouden meebrengen.

Ook een ander effect van de gestelde uitvinding dat in het octrooischrift als voordeel wordt gepresenteerd, kan niet volledig worden gerealiseerd met Android, te weten het voorkomen dat de ontwerpers van alle applicaties die op het apparaat draaien, oplossingen moeten creëren voor onnodige of ongewenste gelijktijdige aanrakingen.

Ondanks betogen van Apple ziet de rechter in het licht van het voorgaande onvoldoende reden om tot een ruimere uitleg van de tekst van het octrooi te komen. Het octrooischrift leert de vakman dat de conclusies werkwijzes en producten claimen waarin touch events worden verstuurd of genegeerd. Mede gelet op de rechtszekerheid voor derden zoals Samsung, maakt het octrooischrift de vakman onvoldoende duidelijk dat de claim ook betrekking heeft op werkwijzes en producten waarin touch events nooit worden genegeerd en worden geselecteerd op de bestemming waarnaar zij moeten worden verzonden. Dergelijke uitvoeringsvormen beschrijft het octrooischrift nergens uitdrukkelijk.

De rechter wijst derhalve de vorderingen van Apple af. De rechter wijst er voorts nog op dat deze overwegingen overeenkomstig het Britse vonnis zijn. Apple is tegen dat vonnis nog wel in beroep.

Conclusie:
Het einde van deze haast mondiale strijd is nog lang niet in zicht. Alle partijen hebben zakken die ruimschoots diep genoeg zijn om advocaten nog vele jaren bezig te houden en ook aan patenten om over te procederen zal geen tekort zijn. Als een partij het in hoogste instantie wint is dat zonder meer lonend want met de verkoop van smartphones zijn grote geldsommen gemoeid. In het Verenigd Koninkrijk dient het hoger beroep momenteel nog en het is niet ondenkbaar dat Apple ook hier in hoger beroep gaat.

Bron:
LJN: BY0961, Rechtbank ‘s-Gravenhage

De zogeheten ‘cookiewet’ is bron van ongenoegen bij zowel juristen, als in medialand als bij praktisch iedereen die een website heeft. Nu is het enkele feit dat bepaalde partijen niet blij zijn met regelgeving niet per se een indicatie dat de regelgeving niet deugt. Doch als regelgeving veel ongewenste effecten heeft, dan is het misschien tijd om eens achter de oren te krabben of het wel zo goed werkt. In dit artikel volgt eerst een korte omschrijving van wat de cookiewet eigenlijk is en vervolgens een aantal gelegenheden waarbij problemen de kop opsteken.

De cookiewet en cookies:
Eigenlijk bestaat er niet één cookiewet maar gaat het om samenhangende regelgeving in de Telecommunicatiewet en Wet bescherming persoonsgegevens. De regelgeving is ontstaan uit het an sich loffelijke streven om de mogelijkheden om mensen over internet te volgen in te dammen. Informatie over websitebezoek kan samen met persoonlijke gegevens worden opgeslagen op uw computer. Ook kan die informatie door websitebeheerders worden uitgelezen. Dat gebeurt met behulp van cookies. Dit zijn kleine bestanden die internetinstellingen of andere gegevens opslaan op uw computer. Cookies kunnen derhalve worden gebruikt om surfgedrag te volgen.

Dit geldt overigens niet voor alle cookies. Er zijn ook cookies die simpelweg gebruikersinstellingen voor een specifieke website opslaan en verder niets.

Sinds 5 juni 2012 moeten op grond van de Telecommunicatiewet websites de gebruiker inlichten als zij cookies willen plaatsen die bijvoorbeeld surfgedrag volgen. Zij mogen deze alleen plaatsen als de gebruiker hiervoor toestemming heeft gegeven.

Websites hebben geen toestemming nodig voor cookies die noodzakelijk zijn om een dienst of webshop te laten functioneren. Het gaat dan om zogeheten functionele cookies. Cookies vallen onder deze categorie als het uitsluitend doel van de cookie is de uitvoering van de verzending van communicatie, waarbij dit alleen mag indien verzending niet mogelijk is zonder cookies. Niet wanneer cookies bijdragen aan de verzending, deze versnellen of reguleren. Een ander categorie is de cookie die noodzakelijk is voor de uitvoering van een gevraagde dienst, waarbij expliciet door de gebruiker is verzocht om deze dienst, door middel van een positieve actie.

Voor het verwerken van cookies met persoonsgegevens, is ook de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. Persoonsgegevens zijn alle gegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon. Per saldo zullen bijna alle trackingcookies persoonsgegevens verwerken. Op grond van de Wbp moet degene die persoonsgegevens verwerkt voor die verwerking in de regel zogenoemde ondubbelzinnige toestemming hebben. Daarom verschijnen nu overal op websites popups waar je eerst moet aanklikken of je wel of niet akkoord gaat met het plaatsen van cookies voordat je verder kunt.

Vanaf 1 januari 2013 geldt hierbij voor cookies die surfgedrag volgen een rechtsvermoeden: de wet gaat er dan vanuit dat wie een cookie plaatst om surfgedrag te volgen, dat doet om persoonsgegevens te verwerken. Dit betekent dat voor cookies die surfgedrag volgen in de regel ondubbelzinnige toestemming vereist is, tenzij de plaatser van de cookies kan bewijzen dat hij geen persoonsgegevens verwerkt.

Problemen met de cookiewet:
De cookiewet is vrij streng en heeft enkele ongewenste neveneffecten. Een goed voorbeeld hiervan zijn de sites van de NPO zoals uitzendinggemist.nl Deze moeten nu achter een zogenaamde cookiemuur komen. Als het plaatsen van cookies geweigerd wordt, kan de site niet bezocht worden. De NPO moet volgens afspraken met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap rapporteren over hun bereik. Om deze statistieken bij te houden hebben zij op dit moment cookies nodig. Deze cookies zijn geen integraal onderdeel van het functioneren van de website en vallen derhalve onder het bereik van de cookiewet. Allicht zijn er ook bedrijven die andere oplossingen bieden om toch de gewenste informatie te verzamelen zonder dat cookies gebruikt worden. Dat soort dingen kost echter geld en de NPO heeft momenteel weinig ruimte in de begroting voor dergelijke grappen.

Met het aanbieden van software om toch gebruikers te kunnen volgen zitten we trouwens meteen aan het tweede zwakke punt. De technische mogelijkheden om informatie te verzamelen over gebruiker zijn vele malen omvangrijker dan slechts het gebruik van cookies. Dit maakt de wet weinig doeltreffend.

Ook internetbureaus hebben moeite met de regelgeving omdat deze nog veel onduidelijkheden bevat. Internetbureaus zijn vaak de partijen die de digitale kanalen deels of helemaal bedenken bouwen of beheren. Zij willen graag duidelijkheid over een aantal feiten en hebben door SOLV advocaten een vragenlijst laten opstellen. Het gaat daarbij om dingen als gebruik van IT-apparatuur in werkgever-werknemer relatie waarbij eindapparatuur vaak niet aan de eindgebruiker, maar aan de werkgever toebehoort. Indien bij het gebruik van intranet cookies worden geplaatst op en/of gelezen van de randapparatuur van de werkgever is dan ook de cookiewet van toepassing? Dit zijn best fundamentele vraagstukken.

De implementatie van de cookiewet is in Nederland ook strenger dan in omliggende landen. Zo geeft de Europese richtlijn de mogelijkheid om toestemming te geven middels browserinstellingen. De Tweede Kamer vindt echter dat dit niet kan. Eurocommissaris Kroes heeft dan ook de nodige vraagtekens bij de Nederlandse implementatie.

Conclusie:
De cookiewet is in Nederland strenger geïmplementeerd dan in omliggende landen en heeft negatieve neveneffecten en nog tal van onduidelijkheden op redelijk fundamentele punten. Daarnaast kan aan het hele nut getwijfeld worden van het uitsluitend reguleren van cookies nu er tal van andere technische mogelijkheden zijn om hetzelfde doel te bereiken. Het lijkt dat er nog flink wat moet worden bijgeschaafd aan de cookiewet voordat deze praktisch werkbaar is.

Vandaag werd overigens als klap op de vuurpijl bekend dat de OPTA de mist inging door zelf cookies zonder toestemming te plaatsen. Volgens de woordvoerder handelde de OPTA op de Consuwijzer-website inderdaad niet volgens de eigen regels. Dat is nogal een blamage.

Gezien de complexiteit van de cookiewet en de praktische haken en ogen die er aan zitten, zal het laatste woord hierover nog niet gezegd zijn.

Bron:
Publieke omroep kritisch over cookiewet via nu.nl
Internetbureaus eisen duidelijkheid over cookiewet
Kroes zet vraagtekens bij Nederlandse implementatie cookiewet via tweakers.net