Een relatief kort maar opvallend nieuwsbericht van het Ministerie van Financiën. Het is al een weekje oud en verschenen in de nieuwsbrief maar wel de moeite waard om ook op de site even bij stil te staan. Kennelijk zijn er nog steeds behoorlijk wat belastingadviseurs die aangiftes indienen met behulp van de verouderde Diginotar-certificaten. Dit kan ietwat vervelende gevolgen hebben voor zowel de belastingplichtige als de belastingadviseur.

Het Diginotar debacle:
De meeste lezers zullen wel hebben meegekregen dat er een jaar geleden een gigantisch probleem speelde bij het certificeringsbedrijf. Voor internet bestaan er zogenaamde certificaten die gelden als een certificaat van echtheid voor een bepaalde instantie. Zo weet je zeker dat je communiceert met bijvoorbeeld de bank en niet één of andere website die zich als zodanig voordoet.

Diginotar was een commercieel bedrijf dat dit soort certificaten verstrekte. Helaas werden zij gehackt en werden er valse certificaten aangemaakt. Dit was zeer problematisch aangezien Diginotar ook certificaten leverde aan veel overheidsinstanties. De veiligheid van de communicatie kon niet langer worden gegarandeerd. Uiteindelijk trok de OPTA op 13 september vorig jaar de bevoegdheid van Diginotar om certificaten uit te schrijven in.

De adviseurs en de fiscus:
Ook de Belastingdienst zat vorig jaar meteen er bovenop toen de Diginotar problemen tevoorschijn kwamen. Een gat in de beveiliging bij dit soort systemen wordt allerminst gewaardeerd door wie dan ook. Met behulp van een klein leger beveiligingsexperts en het bedrijfsleven kon worden vastgesteld dat de systemen waarmee aangifte werd gedaan vooralsnog veilig waren.

Desalniettemin werd besloten dat alle Diginotar certificaten vervangen moesten worden. Hiertoe is uitgebreid overleg gepleegd met koepelorganisaties van financieel intermediairs om de overstap soepel te laten verlopen. De hele operatie had al per 1 juni voltooid moeten zijn maar kennelijk komt nog altijd een 6% van het totale aantal aangiftes van intermediairs met Diginotar-certificaten.

De Belastingdienst heeft deze maand alle intermediairs met verouderde certificaten gewaarschuwd dat vanaf 1 augustus aangiftes gedaan op oude certificaten niet langer in behandeling worden genomen.

Mogelijke consequenties:
Het geen gehoor geven aan de waarschuwing kan vervelende gevolgen hebben, met name voor de fiscaal intermediair. Sowieso zal deze een hoop aangiftes opnieuw moeten versturen maar het echte probleem zit bij het feit dat de Belastingdienst sancties kan opleggen aan de belastingplichtige. Die gaan of meteen vragen stellen aan de belastingadviseur of bellen eerst de Belastingdienst en krijgen dan te horen hoe de vork in de steel zit.

De belastingadviseur gaat dan een hoop klanten krijgen die niet van plan zijn om zelf de boete te gaan betalen. Waarschijnlijk zullen er ook klanten zijn die hun zaken elders gaan onderbrengen. Voor de belastingplichtige levert het dus een hoop gezeur op en voor de belastingadviseur een hoop gezeur en als het tegenzit een behoorlijk schadepost.

Bron:
Belastingdienst waarschuwt adviseurs die nog gebruik maken van Diginotar certificaten

In Nederland hebben we een rijke kunsthistorie. In de kunsthandel gaat (erg) veel geld om. Dat betekent dat het een aantrekkelijke markt is voor vervalsers. In dat opzicht verschilt het niet zo heel veel van de markten voor valse designerkleding etc. alleen is dat een veel omvangrijker probleem. Tevens zijn de vervalsingen van schilderijen vaak veel beter gedaan waardoor het lastiger is om de valsheid vast te stellen.

Het achterliggende probleem:
Er wordt weinig geprocedeerd over dit soort dingen hoewel er waarschijnlijk veel vervalsingen in omloop zijn. Aangiften komen niet veel voor en het doorverkopen van het werk is vaak gemakkelijker dan een rechtszaak starten omdat dat enorme bewijsproblemen met zich mee kan brengen. Er is echter een koper die bij een civiele rechter zijn geld terugeiste.

Het tweede tussenvonnis:
In een tweede tussenarrest van het gerechtshof te Leeuwarden is nu door de rechter verklaard dat twee doeken toegeschreven aan Ploeg-schilder Jan Altink vervalsingen zijn. Dit is voor het eerst in dat een rechter een dergelijke uitspraak doet. Het gaat hierbij dus niet om een kopie maar om een echt werk wat als authentiek is verkocht.

Hierbij ging het aanvankelijk om tien werken maar vijf zijn er uit de procedure gehaald. Van de overige vijf werd bij een eerder tussenvonnis gesteld dat de koper moest bewijzen dat de doeken vals waren. Dit is gebeurd middels het gebruik van getuigendeskundigen. Aan de hand van meningen van de experts en onderzoek door andere experts concludeert het hof dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is komen vast te staan dat twee schilderijen vals zijn.

Van de andere schilderijen geldt dat niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is vast komen te staan dat ze ook daadwerkelijk vals zijn hoewel de getuigendeskundigen er behoorlijk kritiek op hadden.

Hoe nu verder
De zaak is met dit oordeel nog niet ten einde. Er zal een comparitie van partijen gelast worden waarbij beiden partijen in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt te geven over de afwikkeling van de schade.

Het kan zijn dat het hof dan terugverwijst naar de rechtbank voor verdere afhandeling of de zaak zelf aanhoudt indien partijen daar een voorkeur voor hebben. Op een eindoordeel is het dus waarschijnlijk nog weer even wachten maar dat kan er ook nog wel bij want de procedure loopt al jaren.

Bron:
LJN: BX2307, Gerechtshof Leeuwarden

Zoals vorige week beloofd, is er vandaag een post van een gereviseerd artikel over de garderobe essentials voor vrouwen. Naar aanleiding van de poll uit de nieuwsbrief is het de V-neck trui geworden. Je kunt het artikel vinden onder het menu.

Een aantal weken terug besteedde ik al aandacht aan het gevaar dat het gebruik van Anglosaksische standaardclausules opleveren. Hier een link naar het betreffende artikel. Het spanningsveld waar het om ging was tussen het haviltexcriterium en de entire agreement clausule. Het eerste is een uitvloeisel van de redelijkheid en billijkheid welke in Nederland worden gebruikt om de inhoud van contracten uit te leggen. Het tweede staat hiermee op gespannen voet omdat de bedoeling van de entire agreement clause is dat in de overeenkomst alles is vastgelegd wat tussen partijen is afgesproken.

Het hof Leeuwarden heeft een uitspraak gedaan waarin een praktische handleiding staat over hoe om te gaan met deze materie. Het conflict en eindoordeel zelf niet zo belangrijk dus die behandel ik niet.

Haviltex is de basis:
De norm is nog altijd het Haviltex arrest (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158, NJ 1981, 635). Dit is bij iedereen bekend en fungeert als de basis voor andere aangehaalde arresten. De bekende formulering is als volgt:

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht

Samenvattend kunnen we dus zeggen dat een zuiver taalkundige uitleg in strijd kan zijn met de redelijkheid en billijkheid en dat ten gevolge daarvan ook moet worden gekeken naar wat contractanten over en weer van elkaar mochten verwachten.

Taalkundige uitleg is wel belangrijk:
Uit een andere uitspraak van de HR (20 februari 2004, LJN: AO 1427 NJ 2005, 493) volgt volgens het hof dat de taalkundige betekenis van de bewoordingen, gelezen in de context van het contract als geheel, bij de uitleg vaak wel van groot belang zijn. Het belang van de taalkundige opstelling van een contract dient dus niet onderschat te worden.

Dit geldt in het bijzonder waar het gaat om gelijkwaardige professionele partijen die een commerciële transactie doen waarbij zij worden bijgestaan door deskundige juristen en de overeenkomst een entire agreement clausule bevat.(HR 19 januari 2007, LJN: AZ3178, JOR 2007, 166) In deze uitspraak kwam de HR tot de conclusie dat voor de uitleg van de entire agreement clausule een beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis, gelezen in de context van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de clausule.

Uiteindelijk beheersen redelijkheid en billijkheid de verbintenis:
Het hof besluit met de opmerking dat partijen zich altijd in hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij welke zij destilleert uit HR 19 oktober 2007, LJN: BA7024.
Uiteindelijk kan toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid dus toch nog andere resultaten hebben dan je op basis van een taalkundige uitleg zou verwachten.

Conclusie:
In één rechtsoverweging zet hof op overzichtelijke wijze uiteen hoe de stand van zaken op dit moment ongeveer is. Haviltex is nog altijd ontzettend belangrijk en het ziet er niet naar uit dat criterium binnenkort met pensioen wordt gestuurd. Aan de andere kant is wel duidelijk een ontwikkeling zichtbaar waar er bij dingen als een entire agreement clausule meer nadruk op de taalkundige uitleg wordt gelegd.

Gezien de ratio van veel bepalingen in de wet, zoals bijvoorbeeld consumentenbescherming bij algemene voorwaarden, is het onwaarschijnlijk dat dingen als een entire agreement clausule op korte termijn in contractuitleg een dominante positie in zullen nemen.

Bron:
LJN: BX0321, Gerechtshof Leeuwarden

Precies op tijd voor de verkiezingen krijgt de SGP een tik een forse tik op de vingers van het EHRM. Het probleem waar het om ging was dat de SGP vrouwen van de kieslijst weerde. De rechtvaardiging die hieraan ten grondslag ligt kan uit de bijbel worden gedestilleerd. De redenering zoals hieronder uiteen gezet is volgt de formulering van het EHRM zoals uiteen gezet in punt 8.

De beginselen van de SGP:
In essentie is de SGP van mening dat, hoewel alle mensen gelijkwaardig zijn als Gods schepselen, zij verschillen in aard, talenten en plaats in de samenleving. De bijbel (in het bijzonder 1 Korintiërs 11:3) leert dat mannen en vrouwen hebben verschillende rollen in de samenleving. Zo doen vrouwen niet onder voor mannen, maar in tegenstelling tot mannen, moeten vrouwen niet in aanmerking komen voor een openbaar ambt. Dit beginsel is ook duidelijk neergelegd in de beginselen van de partij.

De klachtmiddellen:
Nadat alle nationale rechtsbronnen uitgeput waren kwam de SGP terecht bij het EHRM. In de klachtmiddelen stelt de SGP een schending van hun grondrechten op basis van artikelen 9, 10 en 11 welke respectievelijk over geloofsvrijheid, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging gaan.

Het oordeel van het EHRM:
Allereerst stelt het EHRM dat er de vraag is of de SGP kan worden gezien als ‘slachtoffer’ van schending van fundamentele rechten nu de Nederlandse overheid nog niet is overgegaan tot het dwingen om vrouwen toe te laten. Deze vraag hoeft echter niet beantwoord te worden omdat de klachten op andere gronden al afgewezen kunnen worden. Het EHRM opereert verder onder de aanname dat er daadwerkelijk een inbreuk op voornoemde rechten van de de SGP heeft plaatsgevonden.

Een inbreuk op grondrechten is alleen gerechtvaardigd op het moment dat een inbreuk in het belang is van het goed functioneren van de democratische rechtsstaat. Een politieke partij kan onder het Verdrag, haar politieke doelen slecht navolgen op twee voorwaarden:

  • ten eerste moeten de middelen die gebruikt worden om die doelen te realiseren wettelijk en democratisch zijn
  • ten tweede moeten de voorgestelde veranderingen op zichzelf verenigbaar zijn met fundamentele democratische principes

Mits voldaan is aan deze voorwaarden, kan een politieke partij geanimeerd door de morele waarden
opgelegd door een religie niet worden beschouwd als intrinsiek schadelijk voor de fundamentele beginselen van democratie, zoals onder het Verdrag.

Het bevorderen van de gelijkheid van de geslachten is een belangrijk doel in alle lidstaten. Dat betekent dat er zeer gewichtige redenen moeten worden opgegeven om hier vanaf te wijken. De visie van de SGP is niet van dusdanige aard dat de staat hieraan haar steun moet geven. Het antidiscriminatiebeginsel gaat hier voor de rechten geciteerd door de SGP. Het enkele feit dat geen enkele vrouw zich verkiesbaar wilde stellen bij de SGP acht het EHRM niet van doorslaggevende aard.

Op deze gronden worden de klachten van de SGP afgewezen

Conclusie:
De SGP heeft nu ook bij de hoogste rechter ongelijk gekregen. Sterker nog, hun klacht wordt verworpen op fundamentele principes. Het EHRM legt vrij duidelijk een lijn neer over wat wel en wat niet toegelaten is. Zo is een politieke partij op basis religieuze principes niet bij voorbaat ontoelaatbaar maar je hebt wel een probleem zodra de fundamentele principes van democratie worden aangetast.

De uitspraak is nuttig om een keertje door te lezen voor wie het hele incident nog eventjes in het geheugen wil halen. De gehele voorgeschiedenis van de Nederlandse procesvoering staat er in vermeld. Wie alleen de belangrijkste punten wil lezen kan volstaan met de punten 70 t/m 75.

Het EHRM besluit nog met de opmerking dat het niet aan haar is om te oordelen hoe de Nederlandse regering moet optreden in de huidige situatie. Er kan geen oordeel tot actie worden gegeven in een beslissing omtrent het al dan niet verwerpen van een klacht. Hoewel hiermee het voor het EHRM is afgedaan heeft de Nederlandse regering dus nog wel een praktisch vraagstuk liggen wat moet worden opgelost.

Bron:
EHRM 10/07/2012, zaaknr. 58369/10, SGP