Vandaag het vooralsnog laatste deel in het drieluik over intellectuele eigendomszaken. Eigenlijk stond het laatste deel voor volgende week op de planning. Aanvankelijk had ik ook een andere zaak geselecteerd maar afgelopen dinsdag werd een uitspraak gepubliceerd tegen Norma (naburige rechtenorganisatie voor musici en auteurs). Het is een mooie zaak dus deze wil ik jullie niet onthouden. Ik verklap alvast dat Norma hier keihard onderuit ging.

De feiten:
Norma begon met een zaak tegen de grote Nederlandse kabelmaatschappijen Ziggo, Delta en UPC. De kabel is het meest voorkomende medium waarmee radio en televisieuitzendingen(RTV) kunnen worden ontvangen. De gedaagde partijen vertegenwoordigen een aanzienlijk gedeelte van de aanbieders die op dit medium actief zijn.

In de jaren zeventig is de kabel opgekomen als distributiemethode. Dat gebeurde aanvankelijk doordat de kabelexploitanten de door de omroepen via de ether uitgezonden en voor het publiek toegankelijke RTV-programma’s opvingen om deze verder te verspreiden naar bepaalde publieksgroepen. Dit handelen van de kabelexploitanten vormde een secundaire openbaarmaking, naast de primaire openbaarmaking door de omroep. Heden worden door omroepen uitzendingen ‘klaargezet’ in de Media Gateway te Hilversum, waar zij door de kabelexploitanten worden ‘opgehaald’ en vervolgens op de kabel worden gezet ter distributie.

Deze secundaire openbaarmakingen ofwel heruitzendingen zijn onder artikel 1 sub H jo. art. 14a WNR onderworpen aan de heffing van naburige rechten. Bij Norma kreeg waarschijnlijk iemand ineens een enorme brainwave en dacht dat er bij kabelaars niet geheven werd en dat daar nog best wat te halen viel. De kabelaars zijn het daar om begrijpelijke redenen niet mee eens.

Norma ging een procedure in en kreeg ongelijk van de rechter. Hoger beroep volgde en nu zitten we bij de uitspraak van het Hof Den Haag. De vraag is nu; doen kabelaars aan heruitzenden?

Primaire openbaarmaking:
Allereerst is de vraag of het klaarzetten van programma’s in de ‘Media Gateway’ een eerste openbaarmaking is. Hiervoor sluit het Hof aan bij de betekenis van openbaarmaking aan het publiek zoals die te gelden heeft onder auteursrechtgerelateerde jurisprudentie van het HvJEU en wel het arrest ‘Hoteles’ (C-306/05). Hier zij het HvJEU dat van een mededeling aan het publiek sprake is wanneer het werk op zodanige wijze aan het publiek beschikbaar wordt gesteld dat het voor leden van dit publiek toegankelijk is. Vervolgens moet worden bekeken wat precies als publiek heeft te gelden. Daarvoor haalt het Hof het arrest ‘Lagardère’ (C-192/04) aan. Hier werd bepaald dat onder dat onder ‘publiek’ moet worden verstaan het ‘onbepaald aantal potentiële luisteraars of kijkers’. In aanmerking nemende dat de bij de Media Gateway aangesloten partijen niet het ‘onbepaald aantal potentiële luisteraars of kijkers’ vormen, volgt dat de aanleveringshandelingen van de omroepen niet als openbaarmakingen aan het publiek in auteursrechtelijke zin kunnen worden gekwalificeerd.

Norma voert op basis van de Airfield (C431/09 en 432/09)zaken nog aan dat omroepen wel een exploitatiehandeling verrichten en profijt trekken van het aanleveren van de programma’s aan de kabelexploitanten. Dat argument doet echter aan vorengaande niets af. Derhalve faalt het argument van Norma dat er sprake is van een openbaarmaking als de programma’s in de ‘Media Gateway’ worden klaargezet.

Omdat omroepen niet openbaar maken en dat de openbaarmaking door de kabelmaatschappijen dus een primaire openbaarmaking is.

Een lichtpuntje:
Tussen 1 september 1996 (de datum van inwerkingtreding van artikel 14a WNR) 11 december 2006 lag een periode dat de Media Gateway was uitgeschakeld. In de periode hebben kabelaars dus secundaire openbaarmakingen verricht. Ter zake hiervan kan Norma nog schadevergoeding vorderen omdat deze feiten nog niet zijn verjaard. Norma zou dusaanspraak kunnen maken op een deel van de exploitatierechten van jaren geleden. Er is alleen wel een klein probleem: hoe ga je de omvang van de te eisen schadevergoeding bepalen?

Conclusie:
Naburige rechten zijn populair om processen over te voeren. Norma won een paar weken geleden glansrijk van de staat bij het Hof maar nu gaan ze echt keihard onderuit. De argumenten in deze zaak waren wel aan de zwakke kant dus het is niet zo heel verwonderlijk dat ze verloren. Omroepen zetten programma’s tegenwoordig klaar in een gesloten omgeving waar alleen RTV-providers bij kunnen. Het zou merkwaardig zijn als dat als openbaarmaking wordt aangemerkt zeker gezien alle jurisprudentie van het HvJEU die we hier over hebben.
Norma zal waarschijnlijk kijken naar de haalbaarheid van een cassatie voor deze zaak want er is ze nogal veel aan gelegen om te winnen. Norma zal eerst rustig moeten kijken of er voldoende grondslag is om een cassatieschrift aan op te hangen.

Bron:
LJN: BW1078, Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Iedereen die zich met civiel recht wil gaan bezighouden, hetzij als notaris hetzij in de togaberoepen, zou verplicht een aantal afleveringen van de rijdende rechter moeten kijken. Hier komt een groten hoeveelheid ‘kleine’ rechtszaken voorbij die de vaart der volkeren over het algemeen ongemoeid laten maar wel van ontzettend groot belang zijn voor lieden die zij wel treft. Ik heb al een behoorlijke tijd geen enkele zaak van deze aard behandeld maar een oud-collega wees mij vandaag op een zaak die draait om de aanwezigheid van een hockeyveld in de achtertuin van de buren.

Het probleem:
Het gaat om enerzijds A en B(eisers) en anderzijds C en D (gedaagden) welke vrijstaande villa’s bewonen met diepe achtertuinen. Gedaagden hebben in de achtertuin een hockeyveld laten aanleggen. Het hockeyveld ligt rechts achterin de tuin van C en grenst tegen de linkerhoek van het perceel van A. Op het hockeyveld bevindt zich een doel met daaronder wielen en daarachter en in een zijhoek bevinden zich hekken van respectievelijk vijf en vier meter hoog. De gedaagden hebben vier kinderen welke regelmatig van het doel gebruik maken.

De gemeente heeft een vergunning verleend voor het hockeyveld. Eerder al is door eisers een beroep gedaan op de gemeente om handhavend op te treden. De gemeente weigerde dit en de zaak ging uiteindelijk naar de bestuursrechter. Deze verklaarde het beroep van eisers ongegrond en gaf ze in overweging om samen een oplossing te zoeken alsmede dat het verschil eigenlijk beter bij de civiele rechter kan worden aangebracht.

Het samen zoeken van een oplossing is op niets uitgedraaid en derhalve is de zaak voor de civiele rechter gekomen. De eisers vorderen dat gedaagden c.q. hun kinderen niet langer hockey mogen spelen in de tuin op straffe van een dwangsom en subsidiair dat alleen nog hockey in de achtertuin van gedaagdenmag worden gespeeld als een zodanige voorziening is getroffen dat het overvliegen van hockeyballen naar het perceel van eisers onmogelijk is, alsmede dat alleen hockey mag worden gespeeld tussen 15.00 uur en 17.00 uur op straffe van een dwangsom.

De argumenten
Er worden twee argumenten in stelling gebracht. Allereerst dat het risico van overvliegende hockeyballen een onrechtmatige daad vormt en ten tweede dat het geluidsoverlast veroorzaakt.
A stelt dat, gelet op de huidige ligging van het hockeyveld in de achtertuin van en de positie van het hockeydoel, een reëel risico bestaat dat de hockeyballen over het hek worden geslagen en in de tuin van A belanden. Dit is ook herhaaldelijk gebeurd. Tevens is de tuinman momenteel bang om zelfstandig in de tuin te werken.

C brengt hier tegen in dat de hockeyballen niet als kanonskogels worden afgevuurd op de tuin van A. Bovendien heeft C reeds voorzorgsmaatregelen getroffen door het plaatsen van een hek.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van onrechtmatige gevaarzetting. Vaststaat dat in de afgelopen drie jaar in totaal zeventien hockeyballen bij A in de tuin zijn geland. Tijdens de descente is door de rechtbank waargenomen dat met name wanneer vanaf de linkerzijde van het hockeyveld op het hockeydoel wordt geslagen, de ballen in de tuin van A kunnen landen. De huidige speelrichting van het hockeyspel is dus een belangrijke factor in het al dan niet belanden van hockeyballen in de tuin van A.

Ten aanzien van de geluidshinder merkt de rechtbank op dat het raken van een hockeybal op de achter-/zijkant van het hockeydoel weliswaar een hard geluid maakt, maar niet zo onevenredig hard in vergelijking tot het overige hockeyspel dat dit moet worden aangemerkt als onrechtmatige geluidshinder.

Het oordeel:
A heeft tijdens de comparitie van partijen voorgesteld om de speelrichting van het spel te veranderen. De rechtbank volgt hem hierin omdat dit de minst bezwarende maatregel is. De rechtbank bepaalt dat het hockeydoel uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis permanent naar de overzijde van het hockeyveld moet verhuizen, op straffe van een dwangsom van EUR 250,00 per dag(deel) dat dit gebod niet wordt nagekomen met een maximum van EUR 20.000,00.

Beide partijen worden veroordeeld in hun eigen proceskosten nu zij gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

Conclusie:
Ik weet eigenlijk nooit of ik dit soort zaken hilarisch of diep triest moet vinden. Dit is typisch een geval van één conflictpuntje wat zo hoog oploopt dat beide partijen er niet langer uitkomen totdat iemand anders de Gordiaanse knoop doorhakt. Er is eerst al geprocedeerd bij de bestuursrechter die het beroep tegen de gemeente ongegrond verklaarde en welke ze nota bene nog heeft meegegeven om er samen uit te komen.

Vervolgens gaat men verder bij de civiele rechter die nog over moet gaan tot een descente om te kijken hoe de handel er precies bij staat. Uiteindelijk is de oplossing dan: “Er zitten wielen onder het doel, rijdt dat ding naar de andere kant en laat het daar staan.”

Dat het hier gaat om twee villabewoners laat maar weer eens zien dat dit soort zaken door alle lagen van de samenleving speelt dus in dat opzicht is het een mooie case. Buiten dat is het ook wel eens nuttig om dit soort zaken te bekijken. Hoewel het namelijk geen grote en spectaculaire zaken zijn, zijn ze wel heel belangrijk omdat ze duidelijkheid geven en op die manier rust en orde in een samenleving houden.

Bron:
LJN: BW1239, Rechtbank Amsterdam

Op 28 maart behandelde ik de uitspraak van het Hof Den Haag waarbij bepaald werd dat er een heffing moet komen voor naburige rechten op mp3-spelers en PVR’s. De naburige rechtenorganisaties sprongen een gat in de lucht en hadden natuurlijk een bijzonder goede dag. Wat een beetje minder bekend was is dat op 15 maart een zaak diende bij het Hof van Justitie waar de naburige rechtenorganisaties een stuk minder blij mee zullen zijn. De Nederlandse vertaling is recent online gezet dus laten we eens kijken.

De feiten:
De in Turijn gevestigde tandarts Marco del Corso speelt in zijn wachtkamer muziek via de radio. De SCF (een Italiaanse variant van SENA) stelt dat de tandarts hiervoor vergoeding moet betalen. Er werden door de SCF aanvankelijk pogingen ondernomen om een collectieve regeling te treffen met de Italiaanse tandartsorganisatie. Deze pogingen liepen op niets uit. De SCF ging er vervolgens toe over om Del Corso te dagvaarden. De vraag waar het hier om draait is of er sprake is van ‘een mededeling aan het publiek’ van fonogrammen.

Oordeel Hof:
Het Hof kijkt bij de beoordeling van deze maten in sterke mate naar de eerdere uitspraken SGAE en Football Association Premier League. In deze arresten heeft het Hof reeds geoordeeld dat de interventie van de hotelexploitant die tot doel heeft aan zijn klanten toegang tot een uitgezonden werk te verschaffen, moet worden beschouwd als een extra dienst die wordt verleend om er een bepaald voordeel uit te trekken, aangezien deze dienstverlening een invloed heeft op de standing van het hotel en dus op de prijs van de kamers. Naar analogie heeft het Hof in de tweede zaak geoordeeld dat de vertoning van uitgezonden werken door de exploitant van een café-restaurant gebeurt met het doel en in staat kan zijn om gevolgen te hebben voor het aantal bezoekers van die horecagelegenheid en uiteindelijk voor de financiële resultaten ervan. Het hebben van een zeker winstoogmerk is dus van belang.

Ook de term publiek is al behoorlijk ingekleurd door het Hof in eerdere arresten. Het moet gaan om een publiek van enige omvang. Een te klein of zelfs onbeduidend aantal personen valt dus niet onder dit begrip. Ook moet het gaan om een groep die door de gebruiker als doelgroep is gekozen en bovendien op één of andere manier ontvankelijk is voor zijn mededeling en deze niet toevallig „opvangt”

Het HvJEU merkt in punt 93 op dat het normaal aan de nationale rechter wordt overgelaten om feitelijke uitspraken te doen maar nu zij over alle feitelijke informatie beslist zal zij dit zelf doen.

Allereerst wordt in punt 94 gesteld dat de tandarts welbewust intervenieert in de uitzendingen d.w.z. ze mogelijk maakt. Ten aanzien van de bezoekers wordt opgemerkt dat zij een geheel van personen vormen waarvan de samenstelling grotendeels stabiel is en dat zij dus een bepaald geheel van potentiële luisteraars uitmaken. Ander personen hebben immers geen toegang tot zorgverlening bij die specifieke tandarts. Ook is de omvang van de groep bijzonder klein. Het feit dat veel patiënten elkaar opvolgen maakt ook niet echt uit want klanten horen niet iedere keer dezelfde fonogrammen. Klanten hebben ook helemaal niet gevraag om uitzending van de fonogrammen.

Tot slot wordt met betrekking tot het winstoogmerk opgenoemd dat louter wegens radiouitzendingen niet redelijkerwijs kan worden verwacht dat het aantal patiënten van zal toenemen, of dat de prijs van de zorgverlening zal kunnen worden verhoogd.

Uiteindelijk kan dus niet anders worden geconcludeerd dan dat de tandarts die in zijn praktijk kosteloos fonogrammen uitzendt ten behoeve van zijn patiënten die deze uitzending buiten hun wil horen, geen „mededeling aan het publiek” doet.

Conclusie:
Er is bij de naburige rechten al tijden discussie over wat nu precies het begrip ‘mededelen aan het publiek’ inhoudt. Het HvJEU veegt in deze uitspraak een heel aantal beslissingen uit eerder uitspraken bijeen en presenteert een mooie lijst aanwijzingen en overwegingen om te bekijken of er nu sprake is van mededelen.

Na een heel aantal zaken waarbij de naburige rechtenorganisaties in het gelijk werden gesteld, gaat het HvJEU hier een andere kant op. Het publiek is te kleinschalig (zowel in omvang als in tijd opeenvolgend) en er is onvoldoende kans reden om regelrecht een winstoogmerk aan het uitzenden te koppelen. In beide zaken die ik eerder aanhaalde was dat anders.

Ik denk dat het zeer nuttig dat dit soort dingen voor de rechter komt. Het geeft een duidelijk idee over waar de grenzen precies lopen. Ik vermoed wel dat deze uitspraak minder dan lekker ligt bij de naburige rechtenorganisaties. In Nederland lopen de conflicten met SENA vaak behoorlijk op en er zal ongetwijfeld een hele stapel ondernemers zijn die SENA om de oren gaan slaan met deze uitspraak. Het blijkt in ieder geval wel dat dit soort jurisprudentie in hoge mate casuïstisch van aard is. Ook dat is wat deze zaak belangrijk maakt, het HvJEU zag voldoende feiten om zelf een conclusie te trekken in plaats van met marginale beantwoording terug te verwijzen naar de nationale rechter.

Het moge duidelijk zijn dat de strijd nog lang niet is gestreden. Ik voorzie in ieder geval dat er nog weer de nodige rechtszaken zullen rijzen want het gaat vaak om forse bedragen die op het spel staan dus dan is procederen al snel de moeite waard.

Bron:
Arrest van het Hof (Derde kamer) in zaak C‑135/10

De Raad van State is het afgelopen jaar veelvuldig in het nieuws geweest. Met name in de context van de perikelen rondom de benoeming van Donner tot Vicepresident van de Raad. We zouden bijna nog vergeten dat er ook rechters en adviseurs zitten. Wat dat betreft hebben we natuurlijk een uniek overheidsorgaan in Nederland waar zowel een adviserende functie als een rechtsprekende functie zit. Het is toch nog weer net een beetje anders dan de Hoge Raad welke ook op verzoek advies kan verlenen.

De Raad heeft recentelijk haar jaarverslag 2011 uitgebracht wat best de moeite waard is om eens te bekijken. Er staan veel ontwikkelingen in dit jaar. Zelf vind ik één van de meest interessante de reflectie op de wet herstructurering Raad van State. Al jaren duiken iedere keer in de politiek en de literatuur discussies op over de duale rol van de Raad als hoogste algemene bestuursrechter en adviseur. Dat is zowel logisch als begrijpelijk want zo’n dubbele rol ligt vanuit het oogpunt van machtenscheiding bezien dogmatisch niet helemaal lekker.

Daar tegenover kan gezet worden dat de Raad in haar adviserende functie veel nuttig werk verzet. Er worden vaak dingen opgemerkt waar een indiener van een wetsvoorstel toch soms overheen kijkt. Op deze wijze draagt zij bij tot kwalitatief betere regelgeving.

Hervormingen:
Met de wet herstructurering wordt de adviserende taak duidelijker te onderscheiden en bij een aparte Afdeling advisering ondergebracht. De taak van de Afdeling advisering is uitgebreid tot het op verzoek geven van voorlichting over wetgeving en bestuur aan de beide Kamers der Staten-Generaal.Tussen de Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak is een sterkere personele scheiding aangebracht. Daarbij wordt de Raad van State zelf tot een Raad van tien leden beperkt die de institutionele eenheid van de Raad waarborgt. De taak van de Afdeling advisering werd tevens uitgebreid met het op verzoek geven van voorlichting over wetgeving en bestuur aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Wat minder mensen weten is dat Raad in uitgebreide vorm als Raad van State van het Koninkrijk, en als schakel binnen het netwerk van de Vereniging van de Raden van State en de hoogste bestuursrechtelijke colleges van de Europese Unie, een functie in de andere lagen van de rechtsorde waarbinnen Nederland functioneert, te weten het Koninkrijk en de Europese Unie. Dit maakt de Raad tot een spin in het web voor alle aspecten van openbaar bestuur en publiekrecht.

Met de wet herstructurering worden op deze manier zowel de zelfstandigheid van de beide taken in de vorm van de beide Afdelingen tot uitdrukking gebracht, als ook de samenhang en eenheid in de vorm van de Raad waarvan beide Afdelingen deel uitmaken.

In lijn met de trend:
Een ander iets wat de Raad signaleert is het in de knel zitten van rechtsvorming. Hierover wordt in het jaarverslag geschreven:

Hoger griffierecht, oplopende behandelingstermijnen in verband met de zaakslast van de gerechten en een beeld dat rechtmatigheid niet meer is dan regelmatigheid, dreigen op den duur de legitimiteit van het rechtssysteem te eroderen.

Dit is precies in lijn met de problemen zoals die in allerlei organen worden geconstateerd. Wie terugkijkt naar begin dit jaar in het jaarplan zoals dat werd gepresenteerd door de Raad van de Rechtsspraak, ziet daar precies dezelfde thema’s terug. De Raad worstelt hier ook duidelijk mee. Hopelijk kunnen hierboven genoemde hervormingen iets soelaas bieden omdat er dan mogelijk efficiënter gewerkt kan worden. De Raad heeft overigens wel gigantisch ‘productie’ gedraaid. Er zijn dik 14.500 uitspraken gedaan wat 1.500 meer is dan in 2010. De Raad heeft te maken met een enorme instroom aan zaken mede omdat daar procederen vrij laagdrempelig is (ondanks de griffierechtverhogingen).

Conclusie:
De Raad heeft dit jaar hard gewerkt en daarbij komen de nodige structurele veranderingen in de hoedanigheid van het wetsvoorstel herstructurering. Dezelfde problemen als in het hele land spelen een rol nl. legitimiteit van het rechtssysteem. In dat kader zal nog bekeken moeten worden of de hervormingen voldoende effect gaan sorteren om hier positieve effecten mee behalen.

Transparantie kan in ieder geval een heel stuk beter want persincidenten als rondom de benoeming van Donner doen het toch al wat fragiele imago van dit soort instanties geen goed.

Bron:
Jaarverslag Raad van State 2011

Het Icesave debacle veroorzaakte in 2008 aardig wat problemen voor zowel overheden als particulieren. De beloofde hoge rente trok velen over de streep om daar geld te stallen. Dat het niet al te bar afliep is bekend. Het depositogarantiestelsel (:dgs) dekte de schade tot € 100.000 en alles daarboven is voor eigen rekening. Dat is een heel ruime schadeloosstelling. Als er sprake is van een gezamenlijke rekening dan bedraagt dit bedrag zelfs € 200.000 Ruimschoots het merendeel van de mensen heeft dus weinig te lijden gehad van het faillissement van Icesave hoewel het natuurlijk altijd vervelend blijft.

Er zijn echter ook een aantal mensen die een aanzienlijk groter bedrag dan de dekking van het dgs op een rekening aldaar hadden gestald en/of hun zaken niet op orde hadden door bijvoorbeeld er geen gezamenlijke rekening van te maken. Als je dan bij de rechtbank gaat proberen verhaal te halen, moet je niet vreemd opkijken als dat niet lukt. Zo ook in onderstaande zaak welke diende bij het College voor Beroep en Bedrijfsleven.

De feiten:
Appellante in dienende zaak is partner van iemand (B) die een rekening hield bij Icesave op eigen naam. Het was dus geen gezamenlijke rekening. Op deze rekening stond een bedrag van bijna €300.000 en onder het dgs regime werd aan B €100.000 uitgekeerd. Nu vraagt appelante om een vergoeding onder het dgs regime omdat de gelden op de rekening mede ten behoeve van haar werden gehouden. Als dit het geval is (artikel 19, aanhef en onder c van het Bbpm) dan valt zij ook onder het dgs regime. Opvallend aan deze zaak is de ietwat bedenkelijke kwaliteit van het bewijsmateriaal wat gepresenteerd wordt.

Bedenkelijk bewijs:
Allereerst wordt er een samenlevingsovereenkomst gepresenteerd welke bepaalt dat op een gemeenschappelijke rekening gelden zullen worden gestort, dat deze gemeenschappelijke rekening op naam van beide partijen zal worden gesteld en dat zij daarin ieder voor de helft gerechtigd zijn. Deze vlieger gaat niet op nu er niet daadwerkelijk sprake is van een gemeenschappelijke rekening bij Icesave.

Dan worden er enkele bankafschriften overlegd. Deze hebben betrekking op een rekening van appellante bij de Postbank. Daaruit blijkt dat zij geld overmaakte naar een privé-spaarrekening van B. Uit deze overboekingen zou vervolgens moeten blijken dat B het geld voor haar bij Icesave aanhield. De rechters zien echter volstrekt geen verband. Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten hoe hier een verband met een Icesave rekening uit zou moeten worden afgeleid maar goed, we missen natuurlijk wel wat informatie om dat goed te beoordelen.

Dan is er nog een accountantsverklaring waaruit enkel blijkt dat appellante en B fiscale partners zijn. Dat is leuk voor belastingaangifte maar zegt ook nog steeds niet over de Icesave rekening.
Hetzelfde geldt voor een kadasteruittreksel waaruit blijkt dat appellante en B ieder voor de helft eigenaar zijn van hun woning.

Er is ook nog een overeenkomst meewerkbeloning tussen appellante en B welke ziet op administratieve werkzaamheden B verricht voor de praktijk van appellante. B is onder meergemachtigd de gelden van appellante op een spaarrekening te plaatsen. Ook dat betekent naar het oordeel van het College niet dat is overeengekomen dat hij gelden ten behoeve van appellante op zijn Icesave-rekening hield.

Tot slot wordt er nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Er wordt een parallel getrokken met twee ander zaken welke feitelijk niet gelijk zijn aan de zaak van appellante. Sterker nog, in één van de gevallen is DNB wellicht zelfs abusievelijk overgegaan tot uitkering.

Uitspraak en conclusie:
Het beroep wordt afgewezen wat niet als een verrassing zal komen. Het bewijs wat wordt aangevoerd is allemaal wel erg mager van kwaliteit. Het is zonder meer vast te stellen dat appellante en B partners zijn. Er is echter geen bewijs wat wordt aangedragen dat een regelrecht verband heeft met hun Icesave rekening. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel lijkt een beetje een wanhoopspoging met twee zaken welke feitelijk totaal anders zijn.

Het is zeer waarschijnlijk dat partners wel degelijk de bedoeling hebben gehad dat B ook gelden voor appellante op de spaarrekening aanhield. Dat is helaas niet goed te bewijzen zoals pijnlijk duidelijk wordt. Was het een rekening op beider naam geweest dan was het in de eerste plaats waarschijnlijk al geen probleem geweest om gewoon €200.000 uitgekeerd te krijgen en anders was in ieder geval het samenlevingscontract een zeer sterke aanwijzing geweest dat B gelden hield voor appellante. Nu is eigenlijk succesvol aangetoond dat ze partners zijn maar verder ook niets.
Dit illustreert maar weer eens hoe ontzettend belangrijk het is om op te letten en je zaken echt goed op orde te hebben.

Bron:
LJN: BW0976, College van Beroep voor het bedrijfsleven