Grofweg eens per half jaar brengt het Internationaal Monetair Fonds het Global Financial Stability Report uit. Dit gebeurt gewoonlijk in april en oktober. Het rapport omvat altijd een recente stand van zaken van de wereldeconomie en is één van de belangrijker rapporten op dit vlak. Deze rapporten zijn altijd zeer omvangrijk en ik ga dan ook niet het gehele rapport van april hier behandelen. Deze rapporten bevatten altijd enkele punten waar specifiek aandacht aan wordt besteed en ditmaal is dat longevity risk en daarmee samenhangende verschijnselen. Die zullen we apart bekijken.

Longevity risk:
Longevity risk is het risico waaraan een instantie kan worden blootgesteld als gevolg van hoger dan verwachte uitbetaling ratio’s. Dit is met name relevant voor instanties als levensverzekeraars of pensioenfondsen. Deze moeten in het heden ramingen maken voor uitbetalingen die in de toekomst plaats gaan vinden.

Dit moet overigens niet verward worden met het marktrisico wat iedere speculant loopt. Het gaat echt alleen om het risico wat samenhangt met hoger dan verwachte uitbetalingen. Een marktrisico loopt iedereen die zich op de markt begeeft.

Het verschil kan geïllustreerd worden aan de hand van problemen die Nederlandse pensioenfondsen momenteel hebben met hun dekkingsgraad. Dit wordt niet veroorzaakt doordat pensioenfondsen verkeerd hebben ingeschat hoeveel er moet worden uitgekeerd en op welk tijdstip (longevity risk) maar doordat beleggingen niet zo goed rendeerden als gehoopt (marktrisico).

Marktrisico en longevity risico gaan natuurlijk wel hand in hand. Als het met één van beiden fout gaat kunnen er al problemen optreden.

De situatie:
Nu terug naar het IMF rapport. De grondslag van longevity risico’s is tweeledig van aard. Ten eerste groeit de wereldbevolking hard door. Het groeitempo is in het laatste decennium weliswaar gezakt van 1,3% naar 1.09% maar er komen nog altijd in rap tempo meer mensen bij en een einde aan de groei lijkt nog lang niet in zicht.

Ten tweede worden mensen gemiddeld genomen steeds ouder, niet alleen in bijna volledig geïndustrialiseerde landen maar over de hele wereld. Ook voor deze trend zijn er geen indicaties dat dit binnenkort anders gaat worden. De combinatie van deze factoren zorgt er voor dat we steeds meer mensen zullen krijgen die steeds ouder worden. Naarmate we ouder worden hebben we meer specifieke en vrij dure behoeften, met name geassocieerd met gezondheidszorg maar ook met reguliere inkomensvoorziening.

Er zijn een heel aantal manieren om met dit soort problemen om te gaan. Om even bij Nederland te blijven: hier hebben we bijvoorbeeld de AOW en zorgverzekering (publiekrechtelijk van aard) en een pensioenstelsel (privaatrechtelijk van aard). We willen graag dat deze dingen niet alleen vandaag de dag betaalbaar zijn maar over honderd jaar ook nog kunnen functioneren. Met andere woorden: we moeten nu al gaan kijken wat we kunnen doen om het verwezenlijken van een longevity risico later te voorkomen.

Aanbevelingen uit het rapport:
Overheden moeten het bestaan van longevity risico’s erkennen en er nu al op inspelen. Dat kan volgens het IMF het beste door de pensioengerechtigde leeftijd te koppelen aan ontwikkelingen van de levensverwachting. Daarnaast kan in landen waar het arbeidsaanbod niet heel erg wordt beïnvloed door belastingen, de sociale premie opgevoerd worden (mensen die werken gaan dus meer sociale premies betalen.) Een derde en politiek waarschijnlijk meest gevoelige keuze is om uitkeringen te verkleinen.

Het risico moet ook zoveel mogelijk gedeeld worden tussen de publieke sector en private sector. Ook moet er worden geïnvesteerd in het vinden en beschikbaar maken van informatie. Daardoor kan de markt ook beter op het risico inspelen. Tot slot moeten longevity risico’s een belangrijkere post gaan innemen en net zo behandeld worden als andere financiële risico’s zoals het inflatierisico en renterisico.

De rol van Nederland:
Het zal niemand verbazen dat Nederland met name in de context van pensioenregelingen veelvuldig wordt genoemd in het rapport. De meeste aanbevelingen die in het rapport worden genoemd om mogelijke problemen in te dammen, worden hier al in de praktijk gebracht. Het merendeel van deze maatregelen is impopulair en dat is volstrekt begrijpelijk. We hebben op dit moment echter geen betere oplossingen voor handen en we weten absoluut zeker dat het gigantisch misgaat als er niets wordt gedaan. Dit rapport is allicht maar één van de vele maar stapels andere rapporten en onderzoeken wijzen ook deze richting op. De indicatie is dus op basis van de huidige informatie dat de Nederlandse politici correct handelen.

Bron:
Global Financial Stability Report april 2012

Het moge duidelijk zijn na de vele publicaties over het onderwerp dat de overheid het jachtseizoen op bankiers geopend heeft. In de lange lijst (voorgestelde) maatregelen is nu een begin gemaakt met bankierseed en de maatregelen voor transparanter hypotheektarieven. Deze maken beide deel uit van het plan van 40 voorgestelde maatregelen om de financiële sector aan te pakken.

Bankierseed:
De bankierseed moet een soortement moreel-ethische verklaring worden die moet worden afgelegd door bankiers en mensen die werkzaam zijn voor een financiële instelling. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de eed zoals die op dit moment al geldt voor ambtenaren.

Van het dagelijks bestuur, wordt nu reeds vereist dat zij een geschiktheids- en betrouwbaarheidstoets doorlopen bij de AFM en DNB. Vanaf 1 juli van dit jaar zullen ook commissarissen en leden van de raad van toezicht deze toetsing doorlopen. Tevens zullen personen in andere sleutelfuncties bij verzekeraars op hun geschiktheid worden getoetst. Voor deze laatste groep is een wetsvoorstel in de maak wat met een beetje geluk voor het zomerreces ingediend is.

De bedoeling is dat de bankierseed deel gaat uitmaken van de geschiktheidstoetsprocedure. Daarvoor is in het wijzigingswetsvoorstel financiële markten 2013 een grondslagbepaling opgenomen die het mogelijk maakt om in een ministeriële regeling nadere regels te stellen over de eed. Het niet naleven of afleggen van de eed kan betekenen dat iemand niet langer geschikt kan zijn om zijn functie uit te oefenen.

Voor de overige groepen personen die hierboven niet zijn genoemd is de bedoeling dat financiële instellingen zelf een eed gaan afnemen van werknemers.

De bedoeling is dat de eed de volgende elementen zal omvatten, aldus de brief van de minister:

  • het integer en zorgvuldig uitoefenen van de functie
  • het maken van een zorgvuldige afweging tussen belangen van partijen die bij de onderneming betrokken zijn, in het bijzonder die van de klanten en de maatschappij
  • het centraal stellen van het belang van de klant
  • het naleven van wetten, reglementen en gedragscodes
  • het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector.

Voor de eerste groep personen zal exact worden omschreven hoe de eed dient te luiden. Voor de groep overige personen krijgen instellingen dus een zekere mate van beleidsvrijheid over hoe deze precies gaat luiden.

Effectiviteit:
De bankierseed wordt aangeprijsd als een middel om een cultuuromslag te bewerkstelligen. Ik heb altijd enige reserveringen bij het plan zoals het er nu ligt. Zoals het er nu ligt, is het de bedoeling dat iedereen die bij een financiële instelling komt te werken een dergelijke eed aflegt. Ik vraag me af of een dergelijke eed voor degenen die hem af moeten leggen een voelbaar moreel gewicht heeft als de eed van Hippocrates voor artsen of de eed die bijvoorbeeld advocaten en notarissen afleggen. Dit zijn beroepsgroepen waar mensen vaak jaren voor hebben gestreden en geleerd om erbij te horen. Er moet al sprake zijn van een aanzienlijke drive omdat er grote en zware en lange opleidingen aan vooraf gaan. Een eed is dan een soort moment suprème.

Een financiële instelling heeft een hele waslijst aan personeel waarvoor ik mij afvraag of een dergelijke eed om te beginnen nuttig is en ten tweede dezelfde voelbare gravitas heeft. Overigens vermoed ik dat dat zeker wel het geval zal zijn bij functiebekleders van eerstgenoemde groep in de brief.

Aan de andere kant kan het nooit kwaad om mensen er goed van te doordringen waar ze precies voor werken en dit is een regeling van het soort baat het niet dan schaadt het niet. In dat opzicht is het dus prima regelgeving.

De enige bepaling die ik enigszins vreemd vind is die dat eednemers geacht worden de wet te volgen. Nu worden mensen sowieso geacht de wet te volgen ongeacht of ze een dergelijke eed hebben afgelegd of niet en ongeacht of ze het met de wet eens zijn of niet.

Aanpak hypotheektarieven:
De voorgestelde regelgeving omtrent hypotheken omvat een viertal elementen:

  • Variabele debetrente
  • Wegnemen oversluitdrempels
  • Eénsporig rentebeleid
  • Afsluitprovisie verbieden

Allereerst is het de bedoeling de transparantie over de opbouw van een hypothecair krediet op grond van een variabele rente te vergroten. Uit eerder onderzoek van de AFM blijkt dat consumenten over het algemeen nauwelijks een idee hebben van componenten die schommeling van de variabele rente beheersen. Daarbij is vaak weinig zicht op wat precies de maandlasten en uiteindelijke prijs van de hypotheek bepaalt.

Met de voorgestelde regelgeving worden aanbieders van hypotheken op basis van variabele rente verplicht gesteld om op hun website te tonen welke componenten van een hypotheekrente variabel zijn en bij wijziging van de rente door welke verandering in welke component dat precies wordt veroorzaakt.

Ten tweede moet het gemakkelijker worden voor degenen die een hypotheek hebben met een vaste rente om over te stappen aan het einde van de rentevaste periode. Daartoe zullen aanbieders op hun website verplicht de op dat moment geldende rentevoeten voor de verschillende rentevastperiodes openbaar te maken. Ook dient een consument voldoende tijd te krijgen om een goede beslissing te nemen. Hiervoor komt een termijn van drie maanden.

Ten derde is de bedoeling dat dezelfde rente wordt gehanteerd voor klanten met eenzelfde risicoprofiel. Dat wordt een éénsporig rentebeleid genoemd. Differentiatie van klanten op basis van risicoprofiel is allicht nog wel mogelijk. Het risicoprofiel is mede afhankelijk van de waarde van de woning of het inkomen van de desbetreffende consument in verhouding tot de hoogte van het uitstaande hypothecair krediet of het gebruik van garantieregelingen als de Nationale Hypotheekgarantie. Het achterliggende idee is dat op deze manier de markt overzichtelijker wordt.

Tenslotte is de minister van plan te bepalen dat aanbieders van hypothecair krediet geen andere kosten dan de advies- en distributiekosten in rekening mogen brengen bij de consument voor het tot stand brengen van een overeenkomst met betrekking tot het hypothecair krediet. Dit wordt de afsluitprovisie genoemd. Dit betekent niet dat tussenpersonen geen rekening mogen schrijven voor het geven van advies. Dit betekent dat een bank geen provisie meer mag geven aan een tussenpersoon ten aanzien van het aanbrengen van een nieuwe klant.

Het doel is dat alle maatregelen met betrekking tot de hypotheken op 1 januari 2013 in werking treden. Er zal voor die tijd nog consultatie plaatsvinden met marktpartijen.

Effectiviteit:
Het de facto verbieden van een afsluitprovisie ben ik een groot voorstander van omdat dat het verdienmodel van banken en tussenpersonen vele malen overzichtelijker maakt. Je weet precies hoeveel je kwijt bent en waaraan. Dat maakt gerommel met onoverzichtelijke constructies stukken lastiger.

Het éénsporig rentebeleid ben ik wat minder zeker over. Ik waag het te betwijfelen of de markt daadwerkelijk overzichtelijker wordt. Ik heb niet voldoende kijk op de gang van zaken om daar veel zinnigs over op te merken anders dan dat bijvoorbeeld collectieve kortingsregelen onmogelijk worden. Het is bovendien dan ook niet ondenkbaar dat er zeer veel verschillende risicoprofielen opgesteld gaan worden om er toch onder uit te komen. De rente mag immers alleen binnen hetzelfde risicoprofiel niet anders zijn. Er zijn dus nog wel wat mogelijke problemen met betrekking tot effectiviteit.

Dat aanbieders van rentevastperiodes deze openbaar moeten gaan maken kan ik alleen maar toejuichen. Het is vrij eenvoudige en zeer bruikbare informatie. Dit maakt onderling vergelijk van verscheidene aanbieders vele malen gemakkelijker. Overigens kunnen oversluitbepalingen in de hypotheekovereenkomst nog steeds een probleem vormen dus dat is wel iets om in de gaten te houden.

Tot slot de te publiceren informatie over de variabele rentevoeten. Het is an sich nuttig dat dit soort informatie gepubliceerd moet worden maar variabele rente wordt door ontzettend veel componenten en omstandigheden beïnvloed. Daarnaast is het vaak ook moeilijke materie met een hoog abstractieniveau. Ik vraag mij af of het publiceren van die informatie de materie voor de gemiddelde consument inzichtelijker zal maken. Desalniettemin kan het zeer nuttige informatie zijn zeker voor degenen die weten waar het bruikbaar voor is.

Bron:
Brief over de bankierseed
Concept Ministeriële regeling Bankierseed
Brief over transparante hypotheektarieven
Aanpak financiële sector (40 punten)

PPS als modeverschijnsel:
Publiek-private samenwerking is de laatste jaren hot in ondernemingsland. Publiek-private samenwerking, afgekort tot PPS, is een label dat overal te pas en te onpas op wordt geplakt. Het houdt kort gezegd in dat overheidslichamen (publiek) en reguliere marktpartijen (privaat) samen een project opstarten, uitvoeren en beheren. Dit in tegenstelling tot vroeger waar de overheid vaak exclusief de zaken binnen haar eigen domein regelde en helemaal zelf de touwtjes in handen hield, private partijen werden dan slechts ingeschakeld om dingen te regelen die overheid zelf niet kon regelen.

Toen en nu:
Aanvankelijk was de gang van zaken bijvoorbeeld dat de Rijksgebouwendienst besloot een nieuw kantoor neer te gaan zetten. Er werd dan een private ondernemer ingeschakeld voor het daadwerkelijke materiële bouwwerk maar meer dan dat ook niet. De overheid regelde zelf het ontwerp, financiëring en beheer van de objecten.

Tegenwoordig is het niet ongebruikelijk om bepaalde zaken hiervan uit te besteden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat Rijkswaterstaat een nieuwe snelweg wil. Dan ontwerpt Rijkswaterstaat zelf de snelweg en geeft een private partij een vergunning om het ding te bouwen en te exploiteren (tolweg) maar daar zit dan ook een onderhoudsverplichting van de weg aan vast.

Dit soort contracten wordt samengevat onder de noemer contracten voor huisvesting en infrastructuur. Tegenwoordig moeten dit soort dingen door Europese regelgeving aanbesteed worden. De overheid maakt modelovereenkomsten zodat intekenaars ongeveer weten waar ze aan toe zijn als ze willen intekenen op een project van de overheid.

Modelovereenkomsten:
Van deze modelovereenkomsten zijn nu een paar nieuwe varianten gemaakt. Het gaat dan om de DBFM(O) overeenkomsten voor huisvesting en infrastructuur. In de branche van het bouwrecht is men dol op afkortingen en deze afkortingen geven aan wat er van een intekenaar wordt verwacht en wat hij mag. DBFMO staat voor Design-Build-Finance-Maintain-Operate. DBFM is allicht hetzelfde principe maar dan zonder Operate.

Grote complexiteit:
De overeenkomsten zijn leuk om eens door te kijken omdat ze laten zien wat voor pakketten papier je voor je neus krijgt als je ooit eens iets met vastgoed wilt gaan doen. De overheid is namelijk niet de enige die dit soort overeenkomsten gebruikt. Ook in de wereld van commercieel vastgoed zijn ze mateloos populair. Zoals met alle overeenkomsten geldt dat ze uitermate nuttig kunnen zijn wanneer ze goed gebruikt worden. Alleen heeft dit soort overeenkomsten de vervelende bijkomstigheid dat ze vanwege hun hoge complexiteit voor gigantisch vervelende rechtszaken kunnen duren op het moment dat het misgaat.

Als de publieke sector om de hoek komt kijken dan komt er als complicerende factor het aanbestedingsrecht bij. Dat zorgt er voor dat er nog veel grotere problemen kunnen optreden als het misgaat.

Tips tot besluit:
Vanwege het feit dat er bij deze overeenkomsten zo ontzettend veel verschillende rechtsgebieden bijeen komen, kunnen ze ietwat lastig te lezen zijn. Wees dan ook niet verbaasd als er bepalingen tussen staan die je niet kunt plaatsen. Ze zijn echter zeker de moeite waard om naar te kijken. Voor wie dit leuk vindt, is een vak als bouwrecht in Leiden of aan de TU Delft een aanrader. Voor wie geen apart onderwijs er voor wil volgen maar het wel een leuk onderwerp vindt, is het boek “Bouwrecht in kort Bestek” een aanrader.

Bron:
Bouwrecht in kort bestek
Modelovereenkomsten Huisvesting en Infrastructuur

Het welbekende zonnebrillenmerk Ray-Ban is wellicht het meest bekend van de Aviator zonnebrillen. In 1952 werd echter door een ontwerper genaamd Raymond Stegman van het moederbedrijf Bausch&Lomb een stijl geïntroduceerd welke minstens net zo populair is geworden: de wayfarer.

Tot die tijd werden zonnebrillen vrijwel uitsluitend gemaakt met dunne metalen frames. Het was een van de weinige materialen die licht en klein genoeg gemaakt konden worden in serieproductie en toch stevig genoeg waren om de zware glazen in te plaatsen. Dat veranderde met de komst van de nieuwe mogelijkheden die plastic als materiaal bood. Het resultaat was een ontwerp met trapeziumvorm wat voor die tijd revolutionair was.

Een schets uit het patent voor de Wayfarer (US D16/329)

In de jaren ’50 en ’60 was de Wayfarer mateloos populair maar het succes kon niet eeuwig duren en de verkopen liepen rap terug. De afgelopen decennia raakte de stijl af toe weer in zwang om vervolgens weer uit beeld te verdwijnen. Daarmee laten de wayfarers als lijn een wat grilliger beeld zien in populariteit dan de aviators welke eigenlijk alleen in de jaren ’90 minder populair waren.

Sinds ongeveer 2005 zijn de wayfarers weer bezig aan een opkomst. De lijn bestaat tegenwoordig uit drie verschillende varianten van wayfarers. Ten eerste is er nog steeds het oermodel. Hier is duidelijk de enorm sterke trapezium vorm aanwezig.

In de jaren ’80 werd een nieuwere en modernere variant van de wayfarer geïntroduceerd welke de weinig originele naam “new wayfarer” meekreeg. Qua stijl nog steeds onmiskenbaar een wayfarer maar met een frame wat een stuk afgeslankt is.

Tot slot is er nog de ‘wayfarer folding’ Deze ziet er precies hetzelfde uit als de originele wayfarer maar kan worden opgevouwen. Het nadeel hiervan is dat er een scharnier zit bij de neusbrug dus dit model zal niet comfortabel op iedereens hoofd passen.

Alle wayfarers zijn verkrijgbaar in een variëteit aan framekleuren en glaskleuren zodat er altijd wel eentje tussenzit die bij je garderobe past. Ray-ban maakt goede zonnebrillen met goede glazen dus dat is nooit een probleem. De wayfarers gaan tussen de € 100,- en € 120,- over de toonbank. Daarmee zijn ze stukken minder duur dan een heel aantal designerzonnebrillen en krijg je veel waar voor je geld. Als je dus houdt van een klassieke stijl en niet teveel geld kwijt wilt zijn dan is een paar wayfarers zeker het overwegen waard.

In december 2011 is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 7 BW en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte ingediend. Dit wetsvoorstel strekt er toe voor woningen uit de gereguleerde huursector een jaarlijkse extra huurverhoging mogelijk te maken die afhankelijk is van het huishoudinkomen van de huurder en de overige bewoners van een woonruimte. Het drempelinkomen daarvoor wordt op € 43.000 gesteld. De ratio is dat een dergelijke maatregel doorstroming op de huurmarkt bevordert en scheefwonen tegengaat. Om nu te voorkomen dat huurders ieder jaar een verklaring van de Belastingdienst moeten vragen en mogelijke fraude dergelijke verklaring tegen te gaan, is het de bedoeling dat woningcorporaties inkomensgegevens regelrecht van de fiscus kunnen opvragen.

De wet die dat mogelijk zou moeten maken is momenteel nog niet van kracht dus de staatssecretaris heeft een ontheffingsbesluit gemaakt wat het mogelijk zou moeten maken voor woningcorporaties om nu al gegevens op te vragen van de fiscus. De staat wil namelijk wel al graag dat verhuurders de mogelijkheid hebben om per 1 juli van dit jaar (beoogde inwerkingstredingsdatum van de wet) van de verhogingsmogelijkheid gebruik te maken. Een aantal huurders vond dit niet kunnen en stapten naar de voorzieningenrechter.

De eis:
Eisers willen dat de Staat verboden wordt op de wet vooruit te lopen en te gelasten de Belastingdienst op te dragen geen inkomensgegevens aan verhuurders te verstrekken, dan wel de Staat te verbieden belastinggegevens van eisers aan hun verhuurders te verschaffen zolang daarvoor geen wettelijke basis bestaat. Voor zover er al verklaringen zijn verstrekt moet de Staat concrete stappen nemen om het gebruik van de verklaringen te voorkomen.

Daartoe voeren eisers aan dat bij invoering van het wetsvoorstel op onaanvaardbare wijze inbreuk zal worden gemaakt op het recht op privacy als onder artikel 8 EVRM, artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en artikel 10 van de Grondwet.

Het wetsvoorstel moet echter nog door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld, zodat nog niet zeker is dat het huidige ontwerp zal worden aangenomen.Er wordt veel kritiek geuit op het wetsvoorstel, zodat aannemelijk is dat er nog wijzigingen in het ontwerp zullen worden aangebracht. De Staat handelt momenteel onrechtmatig jegens eisers, omdat een inbreuk op het recht op privacy slechts is toegestaan bij formele wet en wanneer dit noodzakelijk is in het belang van doelen zoals het economisch welzijn van het land. Het ontheffingsbesluit van de staatssecretaris voldoet niet aan voornoemde eis.

Beoordeling door de rechter:
De rechter beoordeelt het geschil aan de hand van art. 8 Wbp. Het gaat hier immers om doorzending van persoonsgegevens en die mogen slechts worden verwerkt in de daar limitatief opgesomde gevallen. De Wbp moet worden uitgelegd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Naar de bedoeling van de wetgever moet bij elke gegevensverwerking zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De Staat beroept zich op de rechtvaardigingsgrond van artikel 8 aanhef en onder f Wbp. Hier staat dat persoonsgegevens uitsluitend mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert. Met andere woorden; de staat meent dat het recht op persoonlijke levenssfeer in dit geval niet prevaleert.

De rechter stelt dat in dit geval het recht op persoonlijke levenssfeer prevaleert. Doorslaggevend daarbij is dat de verstrekking van de inkomensgegevens niet meer ongedaan te maken valt als de beoogde wettelijke verplichting tot het verstrekken van die gegevens het Staatsblad niet voor 1 juli 2012 haalt. Verhuurders moeten wel verklaren dat zij de gegevens zullen vernietigen, maar daarmee wordt de eerdere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer nog niet ongedaan gemaakt.

Ten aanzien van het ontheffingsbesluit wordt bovendien een nog fundamenteler probleem geconstateerd dan het de kracht van formele wet niet heeft. Het is gebaseerd op art. 67 lid 3 AWR wat een limitatieve opsomming bevat voor situaties waarin gegevensuitwisseling mogelijk is. Het genoemde besluit heeft geen aansluiting met de situaties die worden genoemd. Er is geen sprake van een ruime, onbeperkte ontheffingsbepaling die ruimte laat voor verschillende uitleg, aldus de parlementaire geschiedenis. Dit doet de rechter concluderen dat de staatssecretaris zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is verleend. Dat is strijdig met artikel 3:3 van Awb, het verbod van détournement de pouvoir.

De Staat krijgt hier dus op alle punten ongelijk en dus mag de Belastingdienst vooralsnog geen gegevens over huurders vrijgeven.

Conclusie:
In deze zaak doet zich precies hetgeen voor waar in juridische nieuwsbladen al enige aandacht aan is besteed: de Staat gaat op de zaken vooruit lopen. Wanneer het gaat om zeer belangrijke zaken die van levensbelang kunnen zijn voor een land of bevolking dan heeft de Staat vrij veel speelruimte. Dat is ook logisch, snel handelen kan soms noodzakelijk zijn om erger te voorkomen.

In dit geval gaat de Staat echter haar boekje te buiten volgens de voorzieningrechter. Er wordt al vooruitgelopen op een privaatrechtelijke grondslag voor het opvragen van gegevens en eigenlijk is de enige waarborg in het ontheffingsbesluit dat huurders moeten verklaren de gegevens te vernietigen. Er heeft dan echter al een inbreuk op de privacy plaatsgevonden.

Aan dat soort inbreuken wordt terecht zeer zwaar getild. Het is niet voor niets een recht wat is vastgelegd in talloze verdragen en richtlijnen. De rechter merkt in deze context op:

Tegenover het belang waarop de Staat zich in deze zaak beroept, staat het belang van individuele burgers om niet zonder de waarborgen die deze bepaling (art 8 Wbp.) biedt te worden geconfronteerd met de gevolgen van een wetsvoorstel dat nog bij de Staten-Generaal aanhangig is. Dit laatste belang dient te prevaleren wanneer het gaat om een voorgestelde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, hoe beperkt en gerechtvaardigd die in het licht van de doelstellingen van het betrokken wetsvoorstel mogelijk ook is.

Zelfs een kleine inbreuk is al een inbreuk. Hieruit blijkt goed hoe zwaar rechters tillen aan het recht op privacy.

Het is de vraag of de Staat in hoger beroep zal gaan. Wellicht kan met een aanpassing van het ontheffingsbesluit en een andere grondslag voor het ontheffingsbesluit alsnog doorgang van overdracht van persoonsgegevens plaatsvinden. Zolang de wet nog niet door de Eerste Kamer is, is de kans groot dat dan weer een nieuwe zaak zal plaatsvinden. Zodra de wet er door is, zal er echter geen houden meer aan zijn en zal de overdracht van gegevens plaatsvinden.