Omdat we toch zo lekker bezig zijn met jaarverslagen, doen we er gewoon nog eentje. Vorig jaar is het jaarverslag van de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR) slechts terloops genoemd in de nieuwsbrief. Nu krijgt het jaarverslag een eigen artikel omdat er binnen de gesubsidieerde rechtsbijstand veel veranderingen aan de gang zijn. Enkele maatregelen zijn al in 2011 ingevoerd en er staan nog meer op stapel. Dit heeft alles te maken met het aspect van kostenbeheersing. Omdat gesubsidieerde rechtsbijstand noodzakelijk is voor het goed lopen van het juridisch systeem, vind ik het belangrijk genoeg om er een apart artikel aan te wijden.

Kostenbesparing als rode draad:
In dit jaarverslag wordt meteen in het voorwoord al voelbaar dat kostenbesparing alle overheidsonderdelen raakt. Dat is ook niet meer dan logisch nu het kabinet negen miljard extra zal moeten gaan bezuinigen. Het inzetten van van transparante en eenvoudige regelgeving is daarbij cruciaal waarbij als leidraad moet gelden wát we met gesubsidieerde rechtsbijstand willen bereiken. Het jaarverslag is onderverdeeld in drie stukken welke telkens door dit perspectief worden bekeken, dit zijn respectievelijk zelfredzaamheid van de burger, bedrijfsvoering en als laatste samenwerking binnen de keten.

Focus op het verkeerde?
De zinssnede dat het inzetten van transparante en eenvoudige regelgeving in combinatie met het thema zelfredzaamheid van de burger doet enigszins vermoeden dat de Raad meer problemen bij de burger zelf terug over de schutting wil gooien. We krijgen dan een situatie waar de nationale Ombudsman juist voor waarschuwde namelijk dat er veel aandacht is voor regelgeving en beleid maar te weinig aandacht voor de uitvoering ervan naar de burger toe. Gelukkig blijkt deze vrees volstrekt ongegrond.

De maatregelen zijn erop gericht om de zelfredzaamheid van de burger beter mogelijk te maken. Zo moet de berekening van kinderalimentatie eenvoudiger gaan worden omdat dat een onderwerp is waar relatief veel onnodig over geprocedeerd wordt. Dit laat zich ook zien in de cijfers over toevoegingen: personen- en familierecht staat op de tweede plaats qua aantal toevoegingen. Als de regelgeving beter wordt en daar minder over wordt geprocedeerd dan levert dat minder onnnodige processen op, voor betrokkenen is sneller duidelijkheid en er hoeven minder toevoegingen te worden verleend wat minder geld kost. Kortom is dat dus iets waar iedereen blij mee kan zijn.

Samenwerken met de ketenpartners
Samenloop tussen het vergroten van zelfredzaamheid en nauwere samenwerking met ketenpartners vinden we bijvoorbeeld bij het Juridisch loket. Deze spelen aan het begin van de keten al een belangrijke rol omdat dit één van de eerste locaties is waar mensen die juridische vragen hebben terecht komen. Met de maatregel Diagnose en Triage welke door de minister van Veiligheid en Justitie per 1 juli 2011 is ingevoerd, heeft het Juridisch Loket meer speelruimte gekregen om de vraag van de rechtzoekende te verhelderen onnodige procesvoering te voorkomen. Als het niet tot een rechtszaak komt is er ook geen gesubsidieerde rechtsbijstand nodig. Hoe meer ruimte het Juridisch Loket heeft om te bewegen hoe minder snel het tot een rechtszaak hoeft te komen.

De Raad en het Loket hebben hierover veel gecommuniceerd met elkaar. Onder meer over de werkwijze rondom het verwijzen van rechtzoekenden en over het diagnosedocument is veel gesproken. Met dit document worden rechtszoeken naar een advocaat verwezen als dat de beste oplossing lijkt te zijn. Met het document kan men een korting van € 51 op de eigen bijdrage krijgen.” De Raad beslist over het al dan niet toekennen van die korting. De effectiviteit van deze maatregel zal nog nader moeten worden bekeken.

Ook wordt er nauwer samengewerkt de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) welke te maken heeft met de volgende stap in de keten, de advocaat. Het gaat hier bijvoorbeeld om de aanpak van multiproblemen: er zijn veel gezinnen waar incasso’s, jeugdzorg, uitkeringsproblemen en meer van dat soort dingen bij elkaar komen. Er hoeft dan echt niet voor ieder probleem apart een advocaat toegevoegd te worden. Om dit soort dingen te voorkomen gaan de Raad en de Orde nauwer samenwerken en meer informatie uitwisselen.

Kritische zelfblik
Het kan de RvR niet ontzegd worden dat er ook in het eigen vlees flink gesneden wordt. Er gaan veel medewerkers uit en er wordt flink geïnvesteerd in ICT waardoor de verwerkingscapaciteit voor het aantal zaken flink omhoog moet gaan. Belangrijk is dat ook de reactietijden flink korter moeten worden op die manier.

Deze aanpak lijkt ook te werken. De overhead van de RvR bedraagt 19% wat ruimschoots lager is dan het gemiddelde van dit soort organisaties. Ook is het personeelsbestand vermindert met ruim 12% wat ruimschoots meer is dan de aanvankelijk beoogde 10%. Er is echter ook wel ruimte voor verbetering want het nieuwe informatiesysteem is momenteel nog te traag.

Conclusie:
De RvR heeft een belangrijke taak namelijk het voor de burger toegankelijk maken en houden van het recht. Daarbij moet de zelfredzaamheid van de burger een grotere rol gaan spelen. Dat is gelukkig geen eufemisme voor het feit dat burgers het zelf maar uit moeten zoeken. Er worden daadwerkelijk stappen gezet om onnodige juridisering van conflicten te voorkomen. Daarbij is meer beweegruimte voor het Juridisch Loket zeer belangrijk omdat dit een ingangspartij is in de keten van betrokken partijen. Ook als het toch tot procederen komt dan moet betere samenwerking met de Orde er voor zorgen dat er niet onnodig veel advocaten op één zaak worden gezet.

Loffelijk is dat de Raad al flink bezig is met het eigen huis op te ruimen. Voor de volledigheid moet er overigens bij worden gemeld dat de Raad al sinds 2007 behoorlijk aan het klussen is om gestroomlijnder te worden en het werpt ook resultaat af. Dat is zonder meer keurig te noemen want er zijn veel overheidsorganisaties die aanmerkelijk minder kritisch zijn ten opzichte van zichzelf. Het zal wel eventjes kijken worden hoe de vorig jaar ingevoerde en dit jaar in te voeren maatregelen gaan werken maar als ze op deze weg doorgaan dan gaat het goed.

Bron:
Jaarverslag Raad voor Rechtspraak 2011 via RVR.nl
 

Het is weer lente, de tijd dat bloemen gaan bloeien, vogels gaan fluiten en alle jaarverslagen gepubliceerd worden. Een paar dagen geleden passeerde al het jaarverslag van de NMA de revue, nu is het de beurt aan het jaarverslag van de Nationale ombudsman. De ombudsman behandelt klachten over de overheid van de burgers en dit jaar was er nog al wat te doen.

Rode draad:
Het centrale thema van dit jaarverslag is vertrouwen. Vertrouwen als smeermiddel van de maatschappij. De burger moet meer vertrouwen kunnen hebben in de overheid. Nu klinkt dit wellicht alsof er weer een nieuw buzzword is gevonden maar het is wel degelijk een zeer belangrijke en terechte opmerking. Zonder vertrouwen kan een samenleving niet functioneren. Kijk bijvoorbeeld naar wat er gebeurde ten tijde van de economische crisis omdat het vertrouwen wegviel. Allicht zitten er wel grenzen aan het vertrouwen. De overheid moet niet iedere burger onvoorwaardelijke vertrouwen en de burger hoeft de overheid ook niet onvoorwaardelijk te kunnen vertrouwen. De kernvraag is dan ook: Wat kunnen burgers en overheid in redelijkheid over en weer van elkaar verwachten?

De klachten
Er kwamen bijna 14.000 klachten binnen en 30.000 telefoontjes en emails. Hiervan was 78% (deels) gegrond, 19% ongegrond en is in 3% van de gevallen (nog) geen oordeel gegeven. Verreweg de meeste klachten werden ontvangen over de Belastingdienst. Bij elkaar bezien is dit een behoorlijk aantal klachten maar het zijn er nog altijd minder dan in 2010 (1,7%).

Oorzaken
In het jaarverslag geeft de ombudsman een leuke kijk op een oorzaak van klachten. De burger maakt een ontwikkeling door. Toenemende individualisering brengt meer zelfbewustzijn mee waardoor de burger zich minder vanzelfsprekend door systemen laat leiden dan vroeger het geval was. Er is een grotere neiging om op informatie van deskundigen en de overheid af te gaan en die te gebruiken als startpunt voor verder onderzoek. Dit leidt tot een kritischer opstelling van burgers dan voorheen. De overheid is dus enerzijds steeds meer aanwezig in het dagelijks leven van de burger en
anderzijds stelt de burger zich kritischer op. Dit leidt tot een spanningsveld.

Het werk van de Nationale ombudsman is niet primair gericht op
rechten en financiële aanspraken, maar, op grond van de Awb op de behoorlijkheid van het overheidshandelen. Een groot gedeelte van de wetgeving is echter gebaseerd op regels en dus op de rechtmatigheid van een onderwerp. De behoorlijkheid is een minder harde factor dan de rechtmatigheid. Rechten zijn afdwingbaar, behoorlijkheid is dat niet. Deze relativering doet geen recht aan de betekenis van de behoorlijkheid voor burgers. Als mensen niet behoorlijk behandeld worden dan raakt dit mensen vaak emotioneel en dat is vaak de reden van klachten en juridische procedures. Als mensen zich geraakt voelen dan slinkt ook het vertrouwen wat de overheid zo hard nodig heeft om te kunnen functioneren. Een behoorlijke behandeling is dan ook een belangrijke randvoorwaarde voor het vertrouwen van burgers.

De ZZP zaak
Een paar grote en ook vrij belangrijke zaken passeerden bij de ombudsman. De ZZP zaak was een behoorlijke waarvan de aanvang wel breed in de pers uitgemeten maar de nasleep is bijna niet belicht geweest. Na een bestandsvergelijking tussen de Belastingdienst en het UWV voor vanuit de WW startende ZZP’ers werd in de media aangekondigd dat er grootschalige fraude was gepleegd door zzp’ers en volgden duizenden bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties. Het ging hierbij om een vergelijking van gegevens voor de fiscale zelfstandigenaftrek enerzijds en de opgave van gewerkte uren voor de WW anderzijds.

De bestandsvergelijking bleek echter structurele fouten te bevatten en een aanzienlijk deel van de werkcoaches van het UWV had onjuiste informatie aan de ZZP’ers gegeven. Dit leidde er uiteindelijk toe dat er in ongeveer 65% van de gevallen onterecht een sanctie was gegeven. Dat zijn in verhouding tot reguliere beroepsprocedures extreem hoge cijfers, die aantonen dat er inderdaad iets mis was met de beoordeling van deze zaken door het UWV.

Het moge duidelijk zijn dat dit een weinig chique zaak was met name omdat er al publiekelijk conclusies werden getrokken voordat lopende zaken waren afgerond. Sterker nog; ZZP’ers werden gewoon oplichters genoemd. Daarbij komt nog dat het UWV ten onrechte geweigerd heeft
correctiemogelijkheden te benutten en dat politiek gesteggel geleid heeft tot twee herbeoordelingsronden die zeer veel tijd kostten.

Oplossingen:
Bij de overheid ligt veel nadruk op betrouwbare systemen: het “vertrouwen op” staat in ons openbaar bestuur centraal. Er is veel aandacht voor regelgeving en beleid en minder voor de uitvoering ervan. Het systeem als zodanig eist nu de hoofdrol op. Dat betekent overigens niet dat goede regelgeving en beleidsvoering niet of minder belangrijk is dan uitvoering. Uitvoering blijft momenteel alleen onderbelicht.

Er moet meer nadruk komen te liggen op het “vertrouwen in” van de burger naar overheid. Daartoe heeft de ombudsman een framework ontwikkeld wat rust op drie pijlers:

  • Persoonlijk contact: Veel kan schriftelijk en via ICT-systemen geregeld worden maar soms is het noodzakelijk om gewoon de telefoon te pakken.
  • Burgers serieus nemen en met respect behandelen.
  • Niet over de burger beslissen maar met de burger.

Dit alles natuurlijk binnen de grenzen van redelijkheid. Veel contact zal nu eenmaal schriftelijk moeten verlopen omdat het onmogelijk is om 16 miljoen burgers telefonisch te benaderen voor elk wissewasje. Er zijn ook scenario’s waar het noodzakelijk kan zijn om over de burger te beslissen in plaats van met de burger. Soms vereist het algemeen belang dat nu eenmaal. Neem bijvoorbeeld wegwerkzaamheden aan de snelweg in de avonduren. Protesteren tegen die vergunning omdat iemand zijn nachtrust wil is onzinnig omdat als overdag aan de weg wordt gewerkt het enorme files tot gevolg zou hebben.

De ombudsman heeft hiermee overigens wel een uitstekend punt te pakken. Dit framework wordt door de ombudsman ook toegepast in het contact naar mensen zelf toe en de werkwijze wordt over het algemeen met een acht beoordeeld.

De toekomst:
Het jaarverslag laat wat mij betreft zien dat de ombudsman een nuttig instituut is dat door veel betrokkenen wordt gewaardeerd. In dit jaarverslag geeft de ombudsman ook systematische wijze en vrij nauwgezet aan waar de schoen wringt: te veel aandacht voor regelgeving en beleid en te weinig aandacht voor de praktische uitvoering ervan. Het zal interessant zijn om te zien of daar nog wat mee gaat gebeuren.

Wat betreft de werkzaamheden van de ombudsman blijkt ook dit jaar weer dat het gewoonweg goed gaat. Overheden luisteren over het algemeen naar de ombudsman en volgen adviezen vaak op (90% in 2011 tegenover 94% in 2010). Het is een nuttig en over het algemeen goed functionerend instituut waar de overheid nog jarenlang heel veel profijt van kan hebben.

Bron:
Jaarverslag Nationale ombudsman 2011 via jaarverslag.nationaleombudsman.nl

Twee dagen geleden is een vonnis gepubliceerd van de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg ten aanzien van een beleggingsadviesrelatie. Kern van de zaak is eigenlijk wat de belegger redelijkerwijs mag vergen van zijn beleggingsadviesrelaties.

De feiten
Het proces wordt gevoerd tegen drie partijen te weten ABN Amro, ING en BDO (een accountantskantoor) Eiser had een beleggingsrelatie met ABN Amro waarbij is uitgegaan van een matig defensief risicoprofiel. Het merendeel van de orders werd via BDO aan ABN Amro doorgegeven. Vervolgens werd begin 2007 een overeenkomst effectendienstverlening getekend met ABN Amro. Eind 2007 heeft eiser de relatie met ABN Amro beëindigd en is de gehele portefeuille in tranches overgeboekt naar Gilissen Bankiers.

Eiser heeft vanaf april 2002 tot eind 2007 een beleggingsadviesrelatie onderhouden met ING, waar bij aanvang is uitgegaan van een gematigd offensief risicoprofiel met 50% aandelen en 50% obligaties, vanaf 2005 is uitgegaan van een gematigd defensief risicoprofiel met 20% aandelen en 80% obligaties en vervolgens per oktober 2006 weer is uitgegaan van een gematigd offensief risicoprofiel met 50% aandelen en 50% obligaties. ING communiceerde zowel met eiser afzonderlijk als met BDO over de beleggingen en ook hier werd het merendeel van de orders via BDO geplaatst.

In mei 2007 is een deel van de effectenportefeuille bij ING overgedragen aan zijn holdingvennootschap ., waarna ten aanzien van de achtergebleven effecten van een defensief risicoprofiel (30% aandelen en 70% obligaties) is uitgegaan en ten aanzien van de aan de holding overgedragen effecten van een zeer offensief profiel (90% aandelen en 10% obligaties) is uitgegaan. Uiteindelijk zijn in 2008 ook al deze beleggingen overgeboekt naar Gilissen.

De doelstelling en vordering
De eiser stelt dat hij met zijn beleggingen wilde kunnen voorzien in zijn levensonderhoud of pensioen. De obligaties waaruit zijn beleggingen mede bestonden werden echter in één klap stukken minder waard door de economische crisis die we gehad hebben. Eiser stelt dat ABN Amro en ING tekort zijn geschoten omdat de gestructureerde obligaties zoals hij die had niet geschikt waren voor dit doel. Producten met een lange looptijd (zoals veel van de obligaties) kennen een hoger risico van koersschommelingen en omdat in verband met zijn korte beleggingshorizon reeds bij aankoop voorzienbaar was dat op termijn onttrekkingen van kapitaal uit de portefeuille zouden plaatsvinden (voor levensonderhoud), hebben zij hun werk niet goed gedaan.

Loopduur obligaties
ABN AMRO voert succesvol verweer door te stellen dat langlopende obligaties met een hoge rente, zoals de obligaties in de portefeuille van eiser, uitstekend passen bij een pensioendoelstelling, mede gelet op de aandelen en liquiditeiten in de portefeuille van eiser. Bij een totaal vermogen van 8,2 miljoen bestond er 3,2 miljoen nominaal uit obligaties. Uit niets blijkt dat eiser bij de opdracht duidelijk heeft gemaakt dat obligaties snel geliquideerd moeten kunnen worden.

(on)geschiktheid van gestructureerde obligaties
Ook het verweer dat het alleen klassieke obligaties zouden mogen zijn en geen gestructureerde producten faalt. Er is zelfs een deskundige bijgehaald door eiser (overweging 4.3) maar dat staat er niet aan in de weg dat de gestructureerde producten prima geschikt zijn om rente en risico te spreiden alsmede dat ze prima passen bij zelfs het meest terughoudende risicoprofiel dat eiser heeft gehad. Zelfs bij het nog defensiever risicoprofiel (zeer defensief) staat het gebruik van gestructureerde producten toe.

Spreiding en communicatie
Een volgende aantijging is dat de spreiding van aandelen in de portefeuille niet groot genoeg zou zijn. De banken brengen hier tegenin dat problemen in de financiële sector voor 2008 dermate onvoorzienbaar waren dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur mocht adviseren om nagenoeg uitsluitend obligaties van financiële instellingen op te nemen in het in obligaties belegde deel van de portefeuille. Zijn stelling dat een beleggingsadviseur altijd spreiding voorop moet stellen en dus obligaties van bedrijven uit verschillende sectoren moet adviseren, is onvoldoende mede omdat de financiële sector onder toezicht staat.

Een laatste verwijt is dat de banken niet voldoende contact hebben gehad met hem zelf en dat het teveel via BDO liep. Weinig verrassend faalt ook dit verweer omdat eiser zelf BDO heeft ingeschakeld.

Conclusie
De eiser krijgt dan ook ongelijk van de rechtbank en wordt veroordeeld in de kosten van het geding. Laat dit dus een les zijn voor iedereen die gaat beleggen met welke omvang portefeuille ook. Zorg dat er duidelijke afspraken gemaakt zijn over het hoe, wat en hoe lang. Beleggen is gewoon risico nemen en dat kan behoorlijk misgaan. Achteraf komen klagen bij de rechtbank heeft weinig kans van succes tenzij de adviseurs er echt een puinhoop van hebben gemaakt. Zoals te zien is in de uitspraak is de rechtbank dan ook weinig soepel richting de eiser.

Bron:
LJN: BV9292, Rechtbank Amsterdam

Het ministerie van financiën is gestart met de evaluatie van de werkkostenregeling (wkr). Het einddoel is een goed beeld te maken van wat bedrijven precies verstrekken en vergoeden aan hun werknemers. Overigens is dit jaar het laatste jaar dat de ‘oude’ regeling nog mag worden toegepast. Vanaf 1 januari 2014 moeten alle bedrijven over op de WKR. Het is belangrijk dat hier zoveel mogelijk werkgevers aan mee doen, hoe meer er mee doen hoe betrouwbaarder het beeld dat kan worden verkregen.

Met de resultaten van de evaluatie kan dan vervolgens verder worden gekeken naar of en zo ja hoe de regeling verder verbeterd kan worden. De WKR is in ieder geval al een heel stuk overzichtelijker dan het huidige systeem van vrije vergoedingen en verstrekkingen. Dit bestaat een kleine 30 bepalingen in de wet Loonbelasting 1964 en de daarbij behorende regelingen. Al deze verschillende regelingen zijn dan ook altijd een dankbaar onderwerp van discussie met de Belastingdienst. Dit brengt natuurlijk de nodige administratieve lasten met zich mee alsmede het feit dat de regelingen soms lastig controleerbaar zijn en onoverzichtelijk. Het is dus wel logisch dat daar iets aan moet veranderen.

De werkkostenregeling staat helemaal aan het andere kant van het spectrum. In de WKR kan maximaal 1,4% van het totale fiscale loon worden besteed aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers, dit is de zogenaamde vrije zone. De werkgever is vrij om te beslissen hoe hij deze invult.

Natuurlijk zou het mooi zijn als de regeling daadwerkelijk zo simpel is als hij klinkt maar dat valt nog tegen. Naast de vrije ruimte zijn er ook nog een aantal gerichte vrijstellingen welke bestaan naast de vrije ruimte. Denk aan met name het zakelijk vervoer en de kosten van scholing en opleiding voor het personeel. Voor zover vergoedingen of verstrekkingen de gerichte vrijstellingen te boven gaan, kan de werkgever ze onderbrengen in de vrije zone of ze in de belasting laten vallen.

Een ander ietwat merkwaardig en naar mijn mening vrij gecompliceerd punt is de wijze van waarderen van loon in natura. De waarde van
loon in natura is het bedrag inclusief BTW van de inkoopfactuur. De dingen die hieronder vallen zullen over het algemeen in de vrije ruimte vallen maar er bestaan op deze regel ook weer stapels uitzonderingen welke ervoor zorgen dat de waardering praktisch op nul uitkomt. Het gaat dan om verstrekkingen van werkplekgerelateerde voorzieningen en die zijn zeer breed. Om maar eens een aantal dingen op te noemen: voorzieningen op de werkplek zoals bedrijfsfitness, gereedschappen, de vaste computer, het kopieerapparaat en de vaste telefoon en ter beschikking gestelde mobiele telefoon, blackberry of smartphone als het zakelijke gebruik meer dan 10% is.

Al met al resulteert dit dus nog steeds in een lijst waar best nog behoorlijk wat discussie over mogelijk is en dit zullen dan hopelijk ook punten zijn welke bij evaluatie door het ministerie kritisch tegen het licht zullen worden gehouden.

Bron:
Evaluatie werkkostenregeling van start via Ministerie van Financiën
De werkostenregeling Inleiding vrije vergoedingen en verstrekkingen via Van Oppen en partners

Geschiedenis:
René Lacoste begon La Chemise Lacoste in 1933 samen André Gillier welke eigenaar was van het op dat moment grootste Franse breisel bedrijf. Ze begonnen met het produceren van de voor het merk zo kenmerkende tennispolo welke door Lacoste zelf ontworpen was en welke hij ook had gedragen op de tenniscourts. Tot 1927 droegen tennisspelers over het algemeen een dikke, zware blazer van stug materiaal. Het model werd L.12.12 genoemd. L naar de eerste letter van de naam van Lacoste. 1 voor het nieuwe soort katoen materiaal wat werd gebruikt: het zogenaamde katoen petit pique. 2 voor het feit dat het shirt korte mouwen had en 12 voor het uiteindelijke versienummer dat werd gekozen voor productie. Naast de succesvolle shirts voor tennis ging Lacoste vervolgens ook shirts voor golf en zeilsport maken.

In 1951 begon Lacoste met een uitbreiding van het assortiment van puur witte tennisshirts naar ook gekleurde shirts. In 19592 werd gestart met export naar de Verenigde Staten waar zij werden geïntroduceerd als ‘the statussymbol of the competent sportsman’. Het werd een daverend succes en de shirts werden zeer populair bij de upper-class.

In 1963 nam Bernard Lacoste de taken van zijn vader over. Onder zijn leiding groeide het bedrijf verder en werd de productlijn fors uitgebreid met onder meer shorts, diverse schoenen, een geurenlijn en verscheidene lederwaren.

Collectie:
Zonder twijfel het meest bekende kledingstuk van Lacoste de welhaast iconische polo met het krokodillenlogo op de linkerborst. Het wordt gemaakt van een lichtgewicht, in hoge mate ademend katoen en is verkrijgbaar voor zowel heren als dames in een regenboog aan kleuren. Hoewel oorspronkelijk gemaakt als sportkledingstuk, is het uit reguliere kledingkast haast niet meer weg te denken. Het is een ongelooflijk veelzijdig kledingstuk omdat het een tijdloos ontwerp is en voor vele gelegenheden inzetbaar. Draag het bijvoorbeeld in de zomer met shorts voor de heren of met een capri voor de dames om een relaxte look te creëren. Trek voor een casual chic look donkere jeans aan met een blazer voor de heren of een bolero jasje voor de dames. Koop twee polo’s in neutrale kleuren en je kunt tijden vooruit. Het is weliswaar vrij prijzig maar de kwaliteit is enorm goed dus ze gaan lang mee en vanwege het weinig modegevoelige ontwerp kun je ze jaar na jaar aan.

Natuurlijk is de polo niet het enige in het assortiment van Lacoste. Er is een breed assortiment aan kleding welke overwegend casual van aard is. Er zijn enkele uitzonderingen welke zich uitstekend lenen voor een casual chic look waarbij met name moet worden gedacht aan de neutraal gekleurde overhemden alsmede de sweaters en cardigans met v-hals.

Voor de heren is er ook een uitgebreide collectie aan schoenen welke overwegend uit sneakers bestaat. Geschikt voor mooi lenteweer en weinig anders. Voor de dames is collectie summier. Lacoste heeft daarnaast ook horloges in het assortiment. Deze worden onder licentie gemaakt door Movado group inc. Over het algemeen zijn ze met name duur en weinig anders dan dat hoewel kwalitatief niet slecht. Er zijn voor de vraagprijs echter veel beter horloges te verkrijgen dus tenzij je echt en Lacoste fan bent, is het beter om ze links te laten liggen. Hetzelfde geldt voor de zonnebrillen.

Aftershave is altijd wat lastiger te beoordelen omdat dit veel sterker nog dan kleding afhankelijk is van persoonlijke voorkeuren en het lastiger om er kwaliteitskenmerken aan toe te kennen. Het is immers niet tastbaar of zichtbaar. De geurenlijn is in ieder geval redelijk uitgebreid al neigen de meeste geuren naar een sportieve, aqua achtige geur. Denk onder meer aan Acqua di Gio of Davidoff Cool Water. De geurlijn is momenteel exclusief voor mannen en ruim verkrijgbaar bij vrijwel elke parfumerie.

Tot slot zijn er nog de tassen en leerproducten. Er zitten een aantal leuke ontwerpen tussen maar wederom niets wat ik het geld waard zou vinden tenzij je echt een enorme Lacoste fan bent. Zo doet op moment van schrijven een leren billfold portemonnee om en nabij de € 80,- afhankelijk van de leverancier. Voor dat geld is al ruimschoots een vergelijkbaar product van Castelijn en Beerens te koop waarbij de keus groter is en de afwerking ook ruimschoots beter is. Zo zijn bijvoorbeeld bij Castelijn en Beerens de stiksels gedaan met een hogere kwaliteit draad en dubbele stiksels en zijn vakken aan de binnenkant vaak blind gestikt wat bij Lacoste niet het geval is.

Verkrijgbaarheid in Nederland
De verkrijgbaarheid in Nederland is over het algemeen redelijk. Lacoste zelf heeft twee flagshipstores waarvan eentje in Rotterdam en eentje in Amsterdam. Daarnaast zijn er ook nog boutiques in Den Haag, Rotterdam, Amsterdam, Utrecht en Maastricht. Ook een heel aantal kledingzaken in het duurdere segment heeft Lacoste in huis dus de kans dat er redelijk dicht bij huis iets te vinden is, is redelijk groot.

Site:
Lacoste