Een leuke zaak op de jurisprudentielijsten die precies laat zien waar een grens van de WOB ligt. Zoals bij zoveel wetten speelt in de WOB ook altijd een belangenafweging. De WOB geeft in de beginsel de burger het recht op informatie de overheid waaronder begrepen lokale overheden. Dit is echter niet een ongelimiteerd recht. Openbaarmaking van informatie kan namelijk andere partijen onevenredig benadelen, of onevenredig bevoordelen. Beide zijn redenen om niet openbaar te maken en precies die belangenafweging zijn we hier heel duidelijk in een vrij gemakkelijk leesbare uitspraak.

Een burger eist van een gemeente inzicht in taxatiekosten gemaakt in het kader van de WOZ. Hij start een WOB-procedure en krijgt 2 facturen waarop de tarieven onzichtbaar zijn gemaakt. De gemeente verweert zich met de stelling dat openbaarmaking van de kosten kan leiden tot onevenredige bevoordeling van derden die hun concurrentiepositie kunnen verbeteren bij een aanbesteding voor een vergelijkbare vorm van dienstverlening in de toekomst. De eiser stelt in beroep dat hij geen taxateur of concurrent is en derhalve geen voordeel van de tarieven kan hebben waardoor de weigeringsgrond onhoudbaar zou zijn.

De rechtbank is het hier niet geheel mee eens en kiest een middenweg. De gemeente krijgt een kleine tik op de vingers. De rechtbank vindt de vrees van de gemeente dat andere taxateurs hun tarieven zullen afstemmen op deze offertes en daarmee voordeel kunnen behalen, niet onbegrijpelijk. De gemeente heeft in het besluit helaas vergeten te motiveren dat bevoordeling in dit geval ook onevenredig is. Dit laatste is wel vereist door de WOB in artikel 10 lid 2 sub g.

Hoewel de motivering gebrekkig is komt de rechtbank toch niet tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven. De taxaties zullen ook in de toekomst nog moeten worden uitgevoerd, zodat het niet alleen om voltooide taxaties gaat, maar ook om gegevens die zien op nog te verrichten taxaties. De rechtbank vindt het aannemelijk dat de externe taxateurs benadeeld kunnen worden als hun tarieven en facturen voor die werkzaamheden openbaar worden gemaakt. Daarbij komt nog de mogelijkheid dat de gemeente bij openbaarmaking van de tarieven bij nieuwe taxaties niet de scherpst mogelijke biedingen zal krijgen. Op die wijze kan ook de gemeente worden benadeeld. Een soortgelijke overweging maakte de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 januari 2011 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BP1315) en 9 maart 2005 (LJN: AT6497). Gelet op dit alles hoeft de gemeente dus niet de gegevens openbaar te maken.

Bron:
LJN: BV6462, Rechtbank Amsterdam 20-10-2011

De overheid heeft haar voorlopige rekening van 2011 aan de Tweede Kamer gepresenteerd. De pers is momenteel nogal bezig met Friso, zodanig zelfs dat er buiten een summier stukje in enkele economische katernen nauwelijks aandacht voor is geweest. Dat is opvallend gezien het feit dat er toch best een aantal zeer relevante dingen in worden genoemd. Zo was het EMU-saldo bij de Najaarsnota nog 4,5% maar op basis van de voorlopige realisatiecijfers is dat inmiddels opgelopen tot 4,8%. De EMU schuld komt op 65% te liggen wat wel conform is met hetgeen is vastgesteld in de Najaarsnota.

De Rijksbegroting in enge zin (RBG- eng) wordt met 1.8 miljard onderschreden, geprojecteerd was 1,8 miljard ten tijde van de Najaarsnota. Dit is opvallend temeer de DNB vanwege onrust op de financiële markt heeft besloten geen interimdividend uit te keren. De rentelasten vallen ook mee omdat de effectieve rente lager was dan de rekenrente.

Bij Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) wordt een overschrijding geboekt van 0,2 miljard hetgeen nog altijd gunstiger is dan de 0,4 miljard die bij de Najaarsnota werd gesteld. De sectie Zorg is met 0,3 miljard naar boven bijgesteld ten opzichte van de Najaarsnota waardoor de totale overschrijding op 1,5 miljard komt. Dat is weinig verrassend gezien het feit dat zorg altijd een post is waar meer geld bij moet. Sectoren waar zich volgens het verslag tegenvallers zich af lijken te tekenen betreffen de huisartsen, tandheelkundige zorg, fysiotherapie, de GGZ en de medisch specialistische zorg. Dat is dus toch wel een aanzienlijk deel van de zorgsector.

Het beeld wordt nog wel iets genuanceerd door de opmerking dat de gegevens over met name 2011 een zeer voorlopig karakter hebben, waardoor het huidige inzicht nog opwaarts, maar in sommige gevallen ook neerwaarts kan worden bijgesteld. Zoals opgemerkt drukt zorg stevig op de balans dus of er veel naar beneden wordt bijgesteld durf ik te betwijfelen. We zullen het totale plaatje zien als de definitieve balans is opgemaakt.

Bron:
Voorlopige rekening 2011 (PDF)

Een interessante en naar mijn bescheiden mening ook belangwekkende uitspraak van de Hoge Raad in de recente jurisprudentielijsten. Het betreft hier de vraag of van een alimentatieplichtige gevergd kan worden om langer dan een voltijd werkweek te werken. Het gaat hier dus om een vraag naar arbeidsinkomen. Inkomen uit vermogen wordt buiten beschouwing gelaten maar speelt wel degelijk een rol voor het vaststellen van iemands draagkracht. Er wordt door de Advocaat-Generaal naast een principaal ook nog een incidenteel middel behandeld maar dat heeft weinig nieuwswaarde dus die laat ik buiten beschouwing.

Conlusie AG:
De feiten:
Verweerster heeft in de eerste aanleg een verzoek ingediend tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten laste van de verzoeker tot cassatie, de eiser. De bijdrage betrof kinderalimentatie voor de minderjarige zoon die uit het huwelijk van partijen in 1997 werd geboren. Partijen zijn in 2000 gescheiden maar hebben nog tot in 2008 in het kader van een relatie met elkaar verkeerd. De zoon woont bij verweerster.

Het middel:
In het principale cassatieberoep wordt geklaagd over een oordeel van het hof dat van eiser gevergd kan worden dat deze, naast de “voltijds”-dienstbetrekking die hij daadwerkelijk vervult, ook een bedrag aan inkomsten uit een nevenbetrekking verwerft. Bestreden wordt dat dit van alimentatieplichtige gevraagd zou mogen worden. Daarnaast zou het Hof onvoldoende rekening hebben gehouden met het feit dat tot het huidige gezin van eiser een jong kind behoort, en dat eiser een deel van de “zorgtaak” voor dit kind voor zijn rekening zou behoren te nemen. Ook wordt erop gewezen dat de zorg voor dit kind beperkingen oplegt aan de mogelijkheden van de nieuwe partner van eiser om inkomen te verwerven.

Beoordeling van het middel:
De draagkracht van een alimentatieplichtige wordt bepaald aan de hand van de middelen die deze daadwerkelijk ter beschikking heeft én de middelen waarover deze redelijkerwijs zou moeten kunnen beschikken. Het principale middel heeft vooral als strekking dat het onredelijk zou zijn om van een alimentatieplichtige meer dan één volledige werkweek te werken.
Dat standpunt moet zijn algemeenheid als onjuist worden beschouwd.Vaak zal het zijn dat de alimentatieplichtige die een volle werkweek aan het verdienen van een inkomen besteedt, daarmee datgene aan “draagkracht” inbrengt wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden. Uitzonderingen hierop kunnen aldus de A.G. worden gevormd door:

  • in de werksituatie van de betrokkene is “overwerk” algemeen gangbaar, of minstens gebruikelijk. Dat kan ertoe bijdragen dat ook van de betrokkene mag worden verlangd dat hij die mogelijkheid benut;
  • de betrokkene heeft lange tijd, zonder tekenen dat dat als uitzonderlijk of excessief werd ervaren of gevoeld, méér dan de met een “normale” werkweek gemoeide tijd gewerkt; en leefwijze, en ook de bestedingen voor hem en zijn naasten, zijn op de daarmee gepaard gaande tijdsindeling en op de daarmee gegenereerde inkomsten afgestemd geraakt;
  • de betrokkene heeft bijzondere lasten voor zijn rekening gekregen, bijvoorbeeld door het stichten van een tweede gezin en/of door het aangaan van aanzienlijke schulden. In zo’n situatie kan het zo zijn, dat een méér dan “doorsnee” arbeidsinspanning van de betrokkene gevergd mag worden

Of van deze omstandigheden sprake is zal met name een feitelijke vraag zijn. Hetzelfde geldt voor argumenten met betrekking tot het feit dat betrokkene in redelijkheid mag verlangen, over tijd te beschikken om voor zijn kinderen te kunnen zorgen.

Zowel voor het eerste als het tweede argument geldt dat zij niet in feitelijke instantie naar voren zijn gebracht en dat het Hof dus niet gehouden was om ze te toetsen. Op deze gronden kan het middel worden geacht ongegrond te zijn.

Conclusie HR:
De Hoge Raad is vrij snel klaar met het cassatieberoep. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep en de conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot verwerping van het beroep. Omdat de klachten irrelevant zijn voor de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, wordt het beroep afgedaan met artikel 81 RO. en is geen verder motivatie nodig.

Kort samengevat hangt het dus van de feiten en omstandigheden af of iemand meer dan voltijd zal moeten werken. De AG schetst een drietal voorbeeldsituaties waarin méér dan één werkweek van een alimentatieplichtige gevergd kan worden. Het is in ieder geval niet per definitie onredelijk.

Vandaag aan de orde een wetsvoorstel ter bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Het gaat hierbij dus om transacties tussen ondernemers onderling of tussen overheid en ondernemer. Dit wetsvoorstel is een uitvloeisel van de nieuwe richtlijn (PbEU L 48/1). De nieuwe Richtlijn is uitgevaardigd omdat de huidige richtlijn (PbEG L 200/35) in de praktijk niet adequaat bleek te zijn. Met het voorstel wordt bovendien het beleid van de overheid om binnen 30 dagen te betalen vastgelegd in de wet. Momenteel bevind deze beleidsbepaling zich alleen nog in het regeerakkoord.

Het voorstel heeft met name ten doel de positie van het MKB te verstevigen met wettelijke middelen. Uitstel van betalingen kan een bedrijf in liquiditeitsproblemen brengen, zeker waar het gaat om MKB bedrijven die grote orders moeten vervullen. Dat kost verhoudingsgewijs veel en als er geen geld binnenkomt leidt dat al snel tot problemen omdat het MKB vaak weinig middelen heeft om betalingsachterstanden op te vangen en nauwelijks beschikking heeft over alternatieve bronnen van kasgeld.

De belangrijkste bepalingen uit de richtlijn zijn:
1. een minimumvergoeding van 40 euro voor invorderingskosten
2. een maximumbetaaltermijn voor overheidsinstanties van in beginsel 30 dagen
3. een maximumbetaaltermijn voor handelstransacties tussen onderne-mingen van in beginsel 60 dagen
4. een maximum verificatieperiode van in beginsel 30 dagen
5. een verhoging van de wettelijke handelsrente met 1 procentpunt
6. het stellen van grenzen aan de contractsvrijheid met de introductie van een regeling van kennelijk onbillijke contractbepalingen en kennelijk onbillijke praktijken.

Met name met betrekking tot deze laatste bepaling blijkt hoe vooruitstrevend het Nederlands Burgerlijk Wetboek destijds is geweest. In artikel 6:248 lid 2 BW kennen we immers al de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Deze moet worden gelezen als geldende voor zowel bepalingen als praktijken. Een prettige bijkomstigheid van de richtlijn is wel dat dit straks in heel Europa geldt. Dat maakt grensoverschrijdende transacties een stuk makkelijker en zekerder voor ondernemers.

Bronnen:
Richtlijn PbEU L 48/1 via eur-lex.europa.eu
Voorstel van wet (Kamerstukken II 2011-2012, 33171 nr. 2)
MvT (Kamerstukken II 2011-2012, 33171 nr. 3)
Advies Raad van State (Kamerstukken II 2011-2012, 33171 nr. 4)
te vinden via: officielebekendmakingen.nl

Advocaten die werkzaam zijn binnen het personen- en familierecht worden per 1 juli 2012 geconfronteerd met inschrijvingsvoorwaarden bij de Raad voor de Rechtsbijstand. De eisen zijn geformuleerd door een werkgroep bestaande uit advocaten, mediators, rechters en de Raad zelf. Deze werkgroep concludeerde dat er een behoorlijk aantal advocaten is dat zonder voldoende kennis van het personen- en familierecht echtscheidingszaken behandelt. Hetzelfde probleem doet zich vaak bij mediators voor. De kwaliteitseisen waar de werkgroep toe is gekomen zijn zodanig ingesteld dat ze een groep specialisten oplevert die het merendeel van alle zaken zal kunnen behandelen. Dat neemt niet weg dat er altijd nog een aantal zaken zal zijn dat zulke specialistische kennis vergt dat iemand met zeer specifieke expertise zal moeten worden geraadpleegd.

Advocaten moeten de basisopleiding personen- en familierecht hebben afgerond bij een geaccrediteerde instelling en minstens tien zaken per jaar op dit gebied te behandelen. Daarnaast moeten participerende advocaten zich houden aan een gedragscode welke ze aan cliënt ter beschikking moeten stellen. Deze code is gericht op conflictdeëscalatie en onnodig procederen te voorkomen.

Bron:
Persbericht NOVA via Nederlandse Orde Van Advocaten
Eindrapportage echtscheidingswerkgroep 3 via Nederlandse Orde Van Advocaten