Betalingen op of rond de dag van een faillissement zijn vaak een aanleiding voor nauwkeurig onderzoek van de curator alsook van andere gedupeerden. Dit houdt onder meer verband met de terugwerkende kracht van het uitspreken van het faillissement tot 0.00u op de dag van faillietverklaring. De schuldenaar wordt vanaf dat moment beschikkingsonbevoegd. Wordt er toch beschikt over middelen, dan kan dat tot gevolg hebben dat je als bestuurder van een BV in persoon wordt aangesproken.

De feiten:
X is bestuurder en enig aandeelhouder van een holding met daaronder een werkmaatschappij. Op 5 juni 2013 vind ‘s ochtends een faillissementszitting plaats waarin het verzoek tot faillietverklaring van de werkmaatschappij wordt behandeld. X is bij die zitting aanwezig geweest. Vervolgens geeft X Rabobank opdracht om € 45.000,- over te boeken naar een buitenlandse bankrekening die toebehoort aan een partij waar dat bedrag oorspronkelijk vandaan kwam.

Later op de dag wordt de werkmaatschappij failliet verklaard. De curator verhaalt de € 45.000,- op Rabobank die dit bedrag ook heeft terugbetaald aan de boedel en dient dit bedrag in als concurrente vordering in het faillissement. Rabobank ontvangt van de curator de mededeling dat de boedel onvoldoende middelen bevat om een uitkering aan de concurrente schuldeisers te kunnen doen.

Vervolgens spreekt Rabobank X aan in privé uit hoofde van onrechtmatige daad.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechtbank oordeelt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat ingevolge artikel 23 Faillissementswet, de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer verliest over zijn tot het faillissement behorend vermogen. Dat betekent dat X op 5 juni 2013 niet meer de beschikking en het beheer had over het saldo van haar bankrekening bij de Rabobank. De Rabobank heeft in opdracht van X op 5 juni 2013 niettemin een betaling verricht voor een bedrag van € 45.000,– en was, op grond van geldend recht (HR 28 april 2006, NJ 2006, 503 en HR 23 maart 2012, LJN: BV0614), gehouden om dit bedrag aan de curator te vergoeden. Rabobank heeft daardoor schade geleden.

De rechtbank beantwoordt de vraag of X – door het geven van de opdracht tot betaling – onrechtmatig jegens de Rabobank heeft gehandeld, bevestigend. De rechtbank legt daaraan ten grondslag dat:

  • X wist of had moeten weten dat hij onbevoegd was tot betaling van een bedrag van € 45.000,– aan een derde op de dag van het uitspreken van het faillissement van de werkmaatschappij, omdat dit volgt uit de wet. Daarbij komt dat X op de hoogte was van het (naderende) faillissement, omdat de Rabobank onweersproken heeft gesteld dat X die dag zelf bij de behandeling van de aanvraag tot het uitspreken van het faillissement aanwezig was.
  • X evenzeer wist of had moeten weten dat de Rabobank op grond van geldend recht gehouden is om dit bedrag aan de curator c.q. de faillissementsboedel te vergoeden. Hiermee heeft hij een op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens de Rabobank geschonden. Het verweer dat hij slechts rekening hoefde te houden met de belangen van de schuldeisers en niet met de belangen van de Rabobank, stuit af op deze zorgvuldigheidsverplichting. Deze verplichting houdt in dat op X – net als op ieder ander – een verantwoordelijkheid rust met betrekking tot de belangen van anderen, waaronder de Rabobank. Het verweer van zal om die reden worden verworpen.

De rechtbank stelt vast dat de Rabobank schade heeft geleden voor een bedrag van € 45.000,–. Vanwege de betalingsopdracht gegeven door X is het causale verband gegeven. De Rabobank heeft dit bedrag, dat is afgeschreven van de bankrekening van de werkmaatschappij, uitbetaald aan de curator, terwijl zij dit bedrag (nog) niet teruggestort heeft gekregen van de derde naar wie het geld was overgemaakt. Het verweer van X dat de Rabobank (en/of de faillissementsboedel) niet is benadeeld, zal om die reden worden verworpen.

De Algemene Bankvoorwaarden 2009 geven Rabobank de bevoegdheid om creditering van een rekening van een cliënt door een beschikkingsonbevoegde of handelingsonbekwaam persoon ongedaan te maken. Een beroep hierop komt de Rabobank echter niet toe omdat de rekening waarnaar de € 45.000 was overgemaakt, een rekening betreft bij een buitenlandse bank.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het aan X moet worden toegegeven dat de Rabobank er óók voor had kunnen kiezen om te proberen het bedrag van € 45.000,– terug te vorderen van de derde naar wie dit bedrag is overgemaakt. Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid van de Rabobank om er voor te kiezen om X aan te spreken nu X onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rabobank. Dit klemt eens te meer daar X zelf de betalingsopdracht heeft gegeven en nu kennelijk van Rabobank inspanningen verwacht om dit weer ongedaan te maken.

Conclusie:
Voor wat betreft handelingen in de dagen die de opmaat vormen richting het faillissement en de daadwerkelijke dag van het faillissement zelf, gelden strikte regels. Uitspraken zoals deze bewijzen eens te meer dat het als bestuurder van een vennootschap zaak is om voorzichtig met dergelijke situaties aan te gaan want bij verkeerd handelen is het zeer goed mogelijk om in persoon te worden aangesproken.

Bron:
ECLI:NL:RBOVE:2015:1011

Bestuurders van een vennootschap zijn gehouden een administratie te voeren waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. Reeds enige tijd bestaat onduidelijkheid over de invulling van het criterium door de jurisprudentie en of de resultaten daarvan wel helemaal in lijn zijn met de wettelijke bepaling. De Hoge Raad geeft in onderhavige zaak verduidelijking.

De feiten:
De curator van de failliete vennootschap FSM heeft de verweerders in cassatie aansprakelijk gesteld voor een faillissementstekort op grond van artikel 2: 248 BW. Deze vordering van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling wordt onderbouwd op grond van artikel 2:10 BW. De curator stelde dat verweerders de zogenaamde boekhoud- of administratieplicht hadden geschonden.

Jurisprudentie en wettelijke bepaling:
In cassatie stelt de curator zich op het punt dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de boekhoudplicht. Het hof wees de vordering af met het het arrest Brens q.q./Sarper (HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993/713) in de hand. Kernoverweging uit dat arrest heeft geleid tot de volgende Kernoverweging heeft geleid tot volgende standaard in jurisprudentie:

de administratie moet zodanig zijn dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en dat deze posities en stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie.

Volgens de curator omvat de administratieplicht niet slechts het bieden van een snel inzicht in de vermogenspositie maar dient er ook sprake te zijn van een juiste weergave van het vermogen en het resultaat. Door aansluiting te zoeken bij de beperktere liquiditeits- en vorderingsgegevens uit Brens q.q./Sarper zou het hof dit hebben miskend.

Oordeel Hoge Raad:
De Hoge Raad verduidelijkt dat zij in het arrest Brens q.q./Sarper geen van artikel 2:10 BW afwijkende maatstaf heeft geformuleerd, maar slechts geoordeeld heeft dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud)BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft dus geen afwijkende maatstaf geformuleerd maar geoordeeld dat de het oordeel van de feitenrechter in cassatietechnische optiek correct was. De klacht faalt

Conclusie:
In de literatuur werd met enige regelmaat gedebatteerd over hoe de formule van de Hoge Raad in het Brens q.q./Sarper arrest moest worden uitgelegd. Meer specifiek ging het daarbij om de vraag of de Hoge Raad een minder breed criterium had geformuleerd dan in de wet stond. De Hoge Raad verschaft met dit arrest duidelijkheid dat de formule slechts in cassatietechnische zin moet worden gezien. Daarmee is in ieder geval weer één vraag beantwoord.

ECLI:NL:HR:2014:2932

Bij herstructurering of verkoop van (een deel van) een concern moeten er altijd veel administratieve zaken afgehandeld worden. Te denken valt aan ontvlechting fiscale eenheden, fusies of splitsingen van bedrijfsonderdelen in de tussenfase, afrekenen van onderlingen vorderingen die nog tussen bedrijfsonderdelen bestaan enzovoorts. Het is niet voor niets dat voor herstructureringen altijd een draaiboek wordt gemaakt met een checklist.

De 403-verklaring:
In het rijtje civielrechtelijke checks is de 403-verklaring van belang. Een 403-verklaring is genoemd naar artikel 2:403 BW en geeft de voorwaarden waaronder een rechtspersoon, behorende tot een groep van vennootschappen, kan worden vrijgesteld van de verplichting een jaarrekening op te stellen. Deze vrijstelling staat ook wel bekend onder de naam concernvrijstelling. Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat de consoliderende vennootschap een schriftelijke verklaring afgeeft bij het handelsregister, waarin zij verklaart hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de schulden van de vrijgestelde rechtspersoon. Normaliter is de consoliderende maatschappij de moedermaatschappij en de vrijgestelde vennootschap een dochtermaatschappij.

De 403-verklaring strekt zich slechts uit tot schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de dochter. Verbintenissen welke hun aard vinden in de wet zoals bijvoorbeeld onrechtmatige daad, vallen er derhalve niet onder.

Een 403-verklaring is daarmee een mes wat snijdt aan twee kanten. Enerzijds hoeft de moedermaatschappij geen aparte jaarrekening op te laten stellen voor de dochtermaatschappij wat veel administratieve lasten scheelt omdat er een geconsolideerde jaarrekening wordt opgesteld. Anderzijds krijgt zij wel aansprakelijkheden die in de regel voortvloeien uit de normale bedrijfsuitoefening van de dochter. De achterliggende ratio is dat derden als gevolg van deze consolidatie niet meer de mogelijkheid hebben om de ‘eigen’ cijfers van de dochtervennootschap in te zien. Ze kunnen dus niet beoordelen of de dochtervennootschap zelf het goed of slecht doet, ze zien slechts het resultaat van het gehele concern. Ter compensatie van die onzekerheid verkrijgen zij een verhaalsmogelijkheid op de moeder.

Het belang van het intrekken van de verklaring:
Onder omstandigheden is het van belang om de 403-verklaring in te trekken. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de verkoop van een dochtermaatschappij aan een derde. De moedermaatschappij zal er weinig voor voelen om aansprakelijk te zijn voor de rechtshandeling welke door een voormalige dochter worden verricht. De intrekking van de 403-verklaring gebeurt middels deponering van een intrekkingsverklaring bij de KvK. De aansprakelijkheidstelling wordt hiermee ingetrokken vanaf het moment van deponering van de intrekkingsverklaring.

De moedermaatschappij blijft nog wel aansprakelijk de gevolgen van rechtshandelingen uit de periode voorafgaand aan de intrekking van de 403-verklaring. Deze residuele aansprakelijkheid kan worden opgeruimd als de rechtspersoon waarvoor de aansprakelijkheid bestond niet langer tot het concern behoort. Daarnaast dient een mededeling van het voornemen tot beëindiging van de aansprakelijkheid ten minste twee maanden ter inzage te hebben gelegen ten kantore van de KvK en zijn ten minste twee maanden verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de mededeling ter inzage ligt. Ten slotte mag er geen schuldeiser zijn die zich tijdig en succesvol tegen het voornemen heeft verzet. Het verzet van een schuldeiser kan overigens door de schuldeiser worden ingetrokken of ongegrond worden verklaard door de rechtbank.

Problemen bij niet tijdig intrekken:
Het niet tijdig indienen van een intrekking van de 403-verklaring en opruimen van de residuele aansprakelijkheid kan nare gevolgen hebben. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van een recente uitspraak van de Ondernemingskamer.

Een moeder hield tot 1992 alle aandelen in de dochtermaatschappij. In het concern werden een schildersbedrijf en autoschadebedrijf uitgeoefend. X was werkzaam voor het schildersbedrijf en tussen hem en een dochtervennootschap bestond een arbeidsovereenkomst die in al 1975 was aangegaan. In 1987 is door de moedermaatschappij een 403-verklaring gedeponeerd bij de Kvk.

De 403-verklaring is ingetrokken op 16 september 2013 en op 24 september 2013 door de KvK verwerkt, ruimschoots 20 jaar nadat de moedermaatschappij was gestopt aandeelhouder te zijn van de dochtermaatschappij. Op 30 oktober 2013 heeft de moedermaatschappij de mededeling van het voornemen de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage gelegd bij de KvK.

X wilde zijn arbeidsovereenkomst ontbinden en heeft op 7 november 2013 een verzoek met die strekking ingediend bij de rechtbank. Dit verzoek is op 23 december 2013 toegewezen onder toekenning aan X van een vergoeding van € 113.000 ten laste van de dochtermaatschappij. In tussenliggende periode is op 15 november 2013 door X verzet aangetekend tegen beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Vervolgens werd op 21 januari 2014 de dochtermaatschappij failliet verklaard.

Te beantwoorden rechtsvragen:
Aan de ondernemingskamer worden de volgende twee rechtsvragen ter beantwoording voorgelegd:

  1. X wist dat de dochtermaatschappij al sinds 1992 niet meer werd gehouden door de moedermaatschappij. Is het daarom onredelijk dat zij zich beroept op de 403-verklaring?
  2. Kan de moedermaatschappij aansprakelijk worden gehouden voor de schuld van de dochtermaatschappij?

Beoordeling door de Ondernemingskamer:
Ten aanzien van de eerste vraag oordeelt de Ondernemingskamer dat een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen behoort te worden gehonoreerd. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid en een redelijke verdeling van verantwoordelijkheden en risico’s dient naar het oordeel van de Ondernemingskamer meer gewicht toe te komen aan het niet-intrekken van de 403-verklaring dan het feit dat X had kunnen weten dat de aandelen niet langer werden gehouden gehouden door de moedermaatschappij en dat deze geen reden meer had om de aansprakelijkheid voor de dochtermaatschappij te handhaven. [r.o. 3.10.]

Ten aanzien van de tweede vraag stelt de Ondernemingskamer dat de arbeidsovereenkomst valt binnen de tijdsspanne waarin de moedermaatschappij aansprakelijk was voor de schulden van de dochtermaatschappij. Uit de rechtspraak volgt dat de aansprakelijkstelling zich ook uitstrekt tot duurovereenkomsten (zoals een arbeidsovereenkomst) als deze duurovereenkomst is aangegaan vóór de 403-verklaring bij de Kvk werd gedeponeerd. Ook de ontslagvergoeding van € 113.000,- valt binnen de tijdsspanne omdat deze toegekend toen aan de voorwaarden voor het opruimen van de residuele aansprakelijkheid nog niet was voldaan.

De moedermaatschappij is dus aansprakelijk (gebleven) voor de schulden van de dochtermaatschappij.

Conclusie:
De moedermaatschappij heeft vergeten om bijtijds de 403 verklaring in te trekken en betaalt daar nu letterlijk de prijs voor. X is zo slim geweest om bijtijds verzet in te stellen tegen het opruimen van de residuele aansprakelijkheid want anders had zij nu een vordering gehad op een failliete vennootschap en zie dan je ontslagvergoeding nog maar eens betaald te krijgen.

De Ondernemingskamer demonstreert duidelijk dat veel gewicht wordt toegekend aan het afgeven van een 403-verklaring. Wie zich aansprakelijk stelt voor een dochtermaatschappij moet daar dus niet over denken als slechts een administratieve formaliteit.

Bron:
ECLI:NL:GHAMS:2014:2887

Artikel 2:11 BW regelt de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder. In het kader van de reikwijdte van dit artikel werd een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld welke de moeite van het behandelen waard is.

Artikel 2:11 BW:
Artikel 2:11 BW is een anti-ontgaansbepaling in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. Het bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Als natuurlijk persoon-bestuurder van een vennootschap kun je aansprakelijk worden gesteld als je de taak als bestuurder niet behoorlijk hebt vervuld op grond van artikel 2:9 BW (alsmede andere artikelen afhankelijk van het soort fouten dat is gemaakt). Artikel 2:11 BW zorgt ervoor dat deze aansprakelijkheid niet makkelijk te ontlopen is door er een vennootschap ‘tussen’ te stoppen.

De feiten:
De prejudiciële vraag wordt gesteld tegen de achtergrond van bestuurdersaansprakelijkheid in een faillissementssituatie. Er is een Nederlandse BV failliet verklaard. Van deze vennootschap zijn bestuurder geweest was een Zwitserse vennootschap rechtspersoon-bestuurder van de Nederlandse B.V. Gedaagde in het hoofdgeding was bestuurder van die Zwitserse vennootschappen.

De curator vordert in hoofdgeding gedaagde te veroordelen tot betaling van het tekort in het faillissement. Hij baseert de aansprakelijkheid van de beide Zwitserse vennootschappen op art. 2:248 lid 1 BW en die van gedaagde op art. 2:11 BW.

De prejudiciële vraag:
De rechtbank vraagt aan de Hoge Raad:

Is artikel 11 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing in het geval waarin een Nederlandse rechtspersoon bestuurd wordt door een buitenlandse rechtspersoon, in die zin dat de aansprakelijkheid van die buitenlandse, besturende rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op hen die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de besturende rechtspersoon daarvan bestuurder zijn?”

Het antwoord:
De Advocaat-Generaal Vlas heeft het standpunt ingenomen dat de Hoge Raad zal afzien van beantwoording van de gestelde vraag aangezien deze al eens eerder was beantwoord door de Hoge Raad. Geheel in deze lijn handelend stelt de Hoge Raad vast dat dit inderdaad het geval is.

In het arrest van 18 maart 2011, LJN BP1408, NJ 2011/132, is door de Hoge Raad een beslissing genomen in een zaak die betrekking had op de aansprakelijkheid van een buitenlandse rechtspersoon in haar hoedanigheid van bestuurder van de Nederlandse vennootschap D Freight, die op haar beurt bestuurder was van enkele gefailleerde Nederlandse besloten vennootschappen.

Daar is overwogen dat de vraag of artikel 2:11 BW toepassing kan vinden in een geval waarin buitenlandse rechtspersonen zijn betrokken, dient te worden beantwoord aan de hand van het Nederlandse internationaal privaatrecht. De vraag wie uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid naast de corporatie aansprakelijk is, wordt naar Nederlands internationaal privaatrecht beheerst door het op die corporatie toepasselijke recht (thans art. 10:119, aanhef en onder e, BW). Daaruit volgt dat een bestuurder slechts op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk kan worden gehouden, indien de door hem bestuurde aansprakelijke rechtspersoon-bestuurder een Nederlandse rechtspersoon is.

De Hoge Raad concludeert vervolgens dat voor beantwoording van de prejudiciële vraag op de voet van art. 392 e.v. Rv geen aanleiding is.

Conclusie:
Hoewel dit arrest niet vernieuwend is omdat de rechtsvraag al was beantwoord, is het wel de moeite waard om te bekijken. In een paar korte en overzichtelijke overwegingen wordt geschetst dat een bestuurder slechts op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk kan worden gehouden, indien de door hem bestuurde aansprakelijke rechtspersoon-bestuurder (de tussenschakel) een Nederlandse rechtspersoon is.

Overigens is dit ook een fantastisch voorbeeld van hoe juristen kunnen zeggen dat ze geen antwoord gaan geven en dat ondertussen toch doen.

Bron:
ECLI:NL:HR:2013:CA3958, Hoge Raad

Sinds 1 januari 2007 bestaat voor de kleine ondernemingen de mogelijkheid om te kiezen uit verschillende modellen voor het vormgeven van de jaarrekening. Dit zijn de jaarrekening op fiscale grondslagen die wordt gebruikt om verschuldigde belasting te bepalen, het Nederlands jaarrekeningenrecht (RJ) en het internationale jaarrekeningrecht(IFRS). Nyenrode en de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) hebben onderzoek verricht naar de vraag in hoeverre kleine ondernemingen gebruik maken van de mogelijkheid om de jaarrekening vorm te geven op grond van het fiscale regime.

Het systeem:
Normaliter heeft een onderneming twee sets jaarrekeningen. Er is een fiscale jaarrekening om de verschuldigde belasting te bepalen en er is een jaarrekening op grond van titel 9 boek 2 BW welke is vormgegeven volgens RJ-richtlijnen of IFRS (IFRS is overigens verplicht voor beursgenoteerde ondernemingen) beiden werken op basis van bedrijfseconomische principes.

Dit systeem heeft te maken met verschillende inzichten die verworven moeten worden. Financiële verslaggeving op basis van bedrijfseconomische grondslagen heeft tot doel gebruikers te
ondersteunen bij het nemen van economische beslissingen. Daarentegen is het primaire doel van fiscale grondslagen het bepalen van de juiste belastinglast. Voor kleine bedrijven kan het prettig zijn om te kiezen voor één jaarrekening op basis van fiscale grondslagen. Het bespaart tijd en kosten van het maken van een bedrijfseconomische jaarrekening en voor kleine bedrijven is een bedrijfseconomische jaarrekening vaak minder relevant omdat een fiscale jaarrekening voldoende inzicht in geeft in de onderneming.

Het onderzoek:
De Raad brengt sinds 2004 elk jaar een nieuwe editie uit van de „Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving voor kleine rechtspersonen‟ Deze richtlijnen geven een nadere invulling voor de jaarverslaggevingsregels van kleine rechtspersonen op basis van titel 9 boek 2 BW. Aanleiding voor het onderzoek was de vraag of er nog behoefte is aan deze publicatie nu toepassing van fiscale grondslagen mogelijk is.

Het onderzoek laat zien dat het marktaandeel van rapportage op fiscale grondslagen nog niet bijzonder groot is. Het begon in 2007 met 0,5% en had een aandeel van 10% in 2010. Voor het boekjaar 2013 zal het marktaandeel naar verwachting ongeveer 13% – 22% bedragen. Er zit dus een duidelijk stijgende lijn in het aantal kleine ondernemingen dat fiscale grondslagen hanteert.

Uit onderzoek onder accountants blijkt dat 69% van de accountants cliënten heeft geadviseerd over vrijwillige toepassing
van fiscale grondslagen. Actieve benadering door cliënten valt mee, maar is wel hoger dan de actieve benadering van de accountant bij bedrijfseconomische grondslagen.

De overwegingen bij het toepassen van fiscale grondslagen lijken overeen te komen met de kosten en baten die samenhangen met de externe financiële verslaggeving. Bij vrijwillige toepassing van fiscale grondslagen zijn er minder externe belanghebbenden die om bepaalde redenen een voorkeur geven aan bedrijfseconomische verslaggeving.

Een volgens de onderzoekers opvallend gegeven is dat het
onderzoek lijkt uit te wijzen dat micro-ondernemingen relatief minder vaak fiscale grondslagen lijken toe te passen. Een mogelijke verklaring daarvoor kan worden gevonden in het feit dat veel micro-ondernemingen amper activiteiten ontplooien die grote discrepantie tussen fiscale en bedrijfseconomische grondslagen tot gevolg hebben. Hierdoor is het kostenvoordeel om over te gaan op fiscale grondslagen beperkt.

Het onderzoek zal over twee jaar opnieuw worden uitgevoerd.

Bron:
Toepassing van Fiscale Grondslagen door Kleine Rechtspersonen in Nederland via rjnet.nl