Het is niet ongebruikelijk dat mensen een testament laten opstellen voordat zij komen te overlijden om hun wereldse zaken te regelen. Het testament wordt opgesteld en neergelegd in een akte door de notaris op basis van de wensen van de erflater. Als vervolgens de erflater komt te overlijden, dient uitvoering te worden gegeven aan de bepalingen uit het testament. De bepalingen van het testament worden strikt uitgelegd. Achterliggende ratio daarbij is dat de erflater andere bepalingen had laten opnemen als hij iets anders had bedoeld en een en ander is ook zorgvuldig besproken met de notaris. Pogingen van erfgenamen om het testament anders uit te laten leggen omdat erflater mogelijk iets anders had bedoeld zijn dan ook vaak gedoemd om te mislukken. Eens in de zoveel tijd wordt er toch weer een poging gedaan in de rechtszaal, zo ook in onderhavige zaak.

De feiten:
In het geding is de uitleg van het testament van erflater. Uit zijn eerste huwelijk had hij kinderen met wie hij geen bijster harmonieuze relatie had. Erflater is vervolgens hertrouwd en komen te overlijden gedurende dit tweede huwelijk. De kinderen hebben recht op een legitieme portie uit de nalatenschap van erflater.

De vraag is of erflater mogelijk bedoeld heeft om een zogeheten 4:82 beding op te nemen in zijn testament. Dit is genoemd naar artikel 4:82 BW en maakt het mogelijk om te voorkomen dat de vorderingen van de legitimarissen opeisbaar zijn voor het overlijden van zijn vrouw.

Oordeel en overwegingen van het hof:
Het hof overweegt dat het strikte vormvereiste van notariële akte, waaraan een testament moet voldoen, is ingegeven door de gedachte:

  1. dat volstrekt duidelijk moet zijn dat deze erflater deze uiterste wil heeft gemaakt;
  2. dat hij de inhoud ook daadwerkelijk gewild heeft;
  3. dat de instrumenterende notaris kan zorgen voor een formulering die zo duidelijk mogelijk deze laatste wil onder woorden brengt, nadat aan de testateur de nodige voorlichting is gegeven.

Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient mede te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij die beschikking kennelijk heeft willen regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen uitleg en het aanvullen van uiterste wilsbeschikkingen. Eventuele daden of verklaringen van de erflater die niet in de uiterste wil zijn opgenomen kunnen slechts dan voor de uitleg worden gebruikt als het testament zonder die daden en/of verklaringen geen duidelijke zin zou hebben.

Het is op basis van de bewoordingen van het testament en gedragingen van de erflater niet duidelijk of hij zijn kinderen zo weinig mogelijk of helemaal niets heeft willen nalaten. Zo heeft erflater na het verlijden van zijn testament nog schenkingen gedaan aan zijn kinderen hoewel hij ze heeft uitgesloten als erfgenaam.

Dat erflater met zijn uiterste wil zodanige verhoudingen had willen regelen dat zijn kinderen hun legitieme portie eerst hadden kunnen opeisen bij overlijden van appellante, heeft het hof niet kunnen vaststellen. Gezien de strenge vormvereisten waaraan een uiterste wilsbeschikking dient te voldoen dient er naar het oordeel van het hof zeer grote terughoudendheid te worden betracht bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking op grond van omstandigheden en verklaringen van de erflater buiten het testament. De erflater kan immers niet meer om zijn mening worden gevraagd. De erflater moet bij het passeren van zijn uiterste wil erop kunnen vertrouwen dat zijn wil zoals neergelegd in de uiterste wil in beginsel strikt wordt nageleefd. Dit is de kern van het testamentaire erfrecht.

Dat erfgenamen en andere partijen ieder een andere mening zijn toegedaan over de nalatenschap van de erflater, is niet relevant. Door de vrouw zelf wordt erkend dat erflater niet op de hoogte was van artikel 4:82 BW. Hij heeft dus ook nooit een duidelijk oordeel kunnen vormen over de strekking van deze bepaling. Het niet opnemen van artikel 4:82 BW maakt niet dat de uiterste wil van erflater geen duidelijke zin heeft. De erfrechtelijke positie van de betrokken partijen is duidelijk en ondubbelzinnig geregeld door het testament.

Het testament wordt derhalve letterlijk uitgelegd en er wordt geen 4:82 beding aangenomen. De kinderen kunnen als legitimarissen hun portie opeisen en hoeven niet te wachten tot ook de vrouw is overleden.

Conclusie:
Het is bij het maken van een testament nodig om zorgvuldig na te denken over het doel wat je wilt bereiken. Als je de kinderen zo min mogelijk na wilt laten en er voor zorgen dat je echtgenote verzorgd achter blijft dan zul je dat kenbaar moeten maken. De notaris zal dan in ieder geval de mogelijkheid bespreken om een 4:82 beding op te nemen in het testament. Als de erflater dat dan vervolgens niet doet is het zijn keus.

De erfgenamen, legitimarissen en andere belanghebbenden kunnen altijd stellen dat de erflater iets gewild zou hebben maar zoals het hof constateert, kunnen we dat niet langer vragen aan de erflater. Daarom wordt altijd strik aangesloten bij de bewoordingen van het testament tenzij het testament onduidelijk is. Anders wordt de grens van het uitleggen van een testament overschreden naar het aanvullen van een testament en als we daar aan beginnen is het einde zoek.

Bron:
ECLI:NL:GHDHA:2014:2812

Het uitgangspunt van de zorgrelatie tussen een medisch hulpverlener en diens patiënt, is ex art. 7:454 BW dat geen mededelingen omtrent patiënt aan derden worden gedaan. De ratio van deze geheimhoudingsplicht is het verzekeren van een vrije toegang tot de gezondheidszorg en waarborging van de privacy van de patiënt. Slechts in een enkel geval kan de geheimhoudingsplicht worden doorbroken.

De feiten:
Op 25 maart 2011 is te Amsterdam de erflater overleden. Hij heeft bij testament van 10 oktober 2006 beschikt over zijn nalatenschap. Tot enige en algehele erfgenamen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd de Symforagroep en Het Schouw, deel uitmakende van de Stichting Fontis. Amstelring is de rechtsopvolger van de Stichting Fontis.

Nu vordert de halfzus van de erflater, in het vonnis aangeduid als A, vernietiging van het testament omdat Amstelring als verzorgende instelling volgens de wet geen voordeel mag trekken uit het testament. Volgens A was erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet in staat zijn wil te bepalen. Zodoende vordert A dat een onafhankelijke deskundige het zorgdossier zal mogen bekijken om vast te stellen of erflater inderdaad niet compos mentis was. Het zorgdossier resideert onder Amstelring waar erflater onder behandeling was.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:34 lid 1 BW bepaalt dat, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets verklaart, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken. Lid 2 maakt een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, zoals een testament, nietig.

De benoeming van een deskundige om het dossier te beoordelen, heeft tot gevolg dat inzage dient te worden gegeven in de medische gegevens van erflater. Op praktische gronden kan erflater zelf die toestemming niet langer geven. Uitgangspunt is dat een hulpverlener over de gegevens omtrent de patiënt waarover hij beschikt, geen mededelingen aan derden mag doen. De ratio achter de geheimhoudingsplicht – enerzijds de vrije toegang tot de gezondheidszorg en anderzijds de waarborging van de privacy van de patiënt – blijft ook na overlijden bestaan.

Onder heersende rechtspraak (Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001, 600) is een inbreuk op de geheimhoudingsplicht mogelijk indien indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. Er bestaan zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament;
  2. aannemelijk is gemaakt dat de overledene, ware hij nog in leven geweest, toestemming gegeven zou hebben
  3. deze wijze van gegevensopenbaring is de enige effectieve mogelijkheid om de gewenste opheldering te verschaffen.

Hoewel erflater leed aan depressiviteit, epilepsie, verwardheid en oriëntatiestoornissen, hadden deze klachten volgens de rechtbank niet de omvang van een zodanige stoornis van de geestvermogens dat erflater zijn wil niet meer kon bepalen bij het opmaken van het testament. Evenmin is gebleken dat E leed aan deze klachten op het tijdstip dat het testament opgesteld werd. Het afgeven van zorgindicatie 2 alsmede een onderbewindstelling van erflater zijn pas op een later tijdstip geschied.

Alle omstandigheden bij elkaar bezien moet leiden tot de conclusie dat er onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen zijn dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament er niet toe in staat was zijn wil te bepalen en dat op grond van die aanwijzingen de geheimhoudingsplicht van Amstelring opzij gezet dient te worden. De rechtbank zal dan ook geen deskundige benoemen. Nu zonder een deskundige geen oordeel kan worden gevormd over de geestesgesteldheid van erflater, zijn er ook geen gronden voor nietigheid van het testament onder artikel 3:34 BW.

Ook de stelling dat Amstelring geen voordeel uit het testament mag genieten omdat zij een zorginstelling is (4:59 lid 2 BW) gaat niet op nu het testament werd opgesteld toen erflater niet in een instelling verbleef. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in artikel 4:59 lid 2 BW alleen dan geldt ten tijde van het verblijf van betrokkene in de instelling. Op het moment dat een persoon niet in een instelling verblijft, is er immers ook geen gevaar voor beïnvloeding van een erflater in spe vanuit die instelling. Bepalend is derhalve de locatie waar een erflater verblijft ten tijde van het opstellen van het testament.

Conclusie:
Het is in dit geval niet mogelijk om de geheimhoudingsplicht die zorginstelling heeft te doorbreken. De omstandigheden in overweging nemende zijn er onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten zoals geformuleerd in Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001, 600. In het verlengde daarvan wordt er geen deskundige benoemd. Dat houdt in dat wilsonbekwaamheid van erflater niet kan worden vastgesteld en er geen grond is voor aantasting van het testament door artikel 3:34 BW.

Bron:
Rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5828 NJF 2013/189 (MvM)

1 januari 2003 is een belangrijke datum in de notariële rechtspraktijk. Op die datum werd het vernieuwde boek 4 BW aangaande erfrecht ingevoerd. Er zijn tal van substantiële veranderingen ingevoerd waaronder wat je precies in een codicil kon opnemen. Voor 1 januari 2003 waren de regels daarvoor veel ruimer. Als er dan vervolgens na 1 januari 2003 een codicil wordt gemaakt wat niet aan de vereisten voldoet, dan kun je tegen problemen aanlopen.

Codicil:
Onder het huidige recht (art. 4:97 BW) is een codicil een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen waarmee zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt aangaande:

  • kleren
  • lijfstoebehoren
  • bepaalde lijfsieraden
  • bepaalde tot de inboedel behorende zaken
  • bepaalde boeken.

Bepaalde moet in deze context overigens worden gelezen als ‘nader omschreven.’ Het voordeel van een codicil is dat het maken laagdrempelig is, er komt immers geen notaris aan te pas om een codicil te maken. Een probleem is echter wel de relatief grote fraudegevoeligheid van codicils, dit is één van de belangrijkste redenen dat de mogelijkheden om een codicil te gebruiken zeer beperkt zijn.

Er kan dus tegenwoordig niet veel in een codicil worden geregeld. Wie meer wil regelen dan binnen het codicil mogelijk is, zal moeten uitwijken naar een testament hetgeen in de wetsterminologie een uiterste wilsbeschikking heet. Eén van de dingen die slechts bij uiterste wilsbeschikking geregeld kunnen worden, is het aanwijzen van een een executeur (art. 4:142 BW). Dat is waar het om draait in deze zaak.

De feiten:
In onderhavige zaak gaat het om een klacht tegen een notaris over de inhoud van de verklaring van erfrecht. Het stuk wat door erflater is opgesteld en waarop klager zich beroept dateert van 2006 en is getypt. In dit stuk werd een executeur aangewezen. Erflater had ook een testament laten opstellen, daarin werd echter geen executeur aangewezen.

De verklaring van erfrecht vermelde derhalve: “In dit testament heeft de overledene geen executeur benoemd. De erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil met een benoeming van een executeur.”

Na wat discussie over en weer volgt een klacht tegen de notaris en diens protocolopvolger. Klager stelt dat de hiervoor weergegeven passage van de verklaring van erfrecht onjuist is, aangezien erflater in februari 2006 de tekst heeft getypt en ondertekend.

Overwegingen en oordeel:
Vóór 1 januari 2003 kon bij codicil een executeur-testamentair worden aangewezen (artikel 982 van het oude Burgerlijk Wetboek). Op grond van het nu geldende recht kan bij codicil geen executeur meer benoemd worden. Dit dient bij uiterste wilsbeschikking te geschieden. Het stuk waarop klager zich beroept dateert van na 1 januari 2003 en is niet handgeschreven. In de onderhavige verklaring van erfrecht is dan ook terecht opgenomen dat er geen sprake is van een codicil.[r.o. 5.2.]

Dit is in onderlinge correspondentie uitvoerig uiteen gezet. De enkele omstandigheid dat dit gegeven ook op een andere manier in de akte had kunnen worden verwoord, kan niet leiden tot de conclusie dat de notaris klachtwaardig heeft gehandeld. Daarbij is in de overweging genomen dat een dergelijke manier van verwoording niet ongebruikelijk is. [r.o. 5.3.]

Bovendien heeft de eerste notaris om klager tegemoet te komen nog aangeboden om de verklaring van erfrecht aan te passen, door onder de door klager gewraakte passage één zin toe te voegen. Dit aanbod is al gedaan ruimschoots voordat de klacht werd ingediend maar klager is daar nooit op ingegaan.[r.o. 5.4.]

Conclusie:
Deze zaak gaat in de kern om juridisch taalgebruik wat verkeerd begrepen is. Het is niet onbegrijpelijk dat klager, gezien de formulering van de zinssnede, denkt dat de notaris voorbij gaat aan het stuk dat door erflater is opgesteld in 2006. Klager lijkt in de veronderstelling te verkeren dat het stuk een codicil is maar daar kan zowel onder het oude BW als onder thans geldig recht geen sprake van zijn.

Er is derhalve geen sprake van een rechtsgeldige aanwijzing van een executeur in de zin van de wet. Een dergelijke suggestie moet in de verklaring van erfrecht zorgvuldig worden vermeden. Dit gezien de bevoegdheden die een executeur kan hebben, waarbij juridisch, met name bij de afwikkeling van de nalatenschap de erfgenamen niet zelfstandig kunnen handelen met betrekking tot de af te wikkelen nalatenschap. De wet bepaalt dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Het frappante is dat uit de correspondentie blijkt dat er kennelijk niets aan in de weg staat om feitelijk te handelen zoals er in het stuk van erflater vermeld staat. De correspondentie richting klager is, mijns inziens, ook niet bijzonder moeilijk leesbaar of technisch van aard. Klager heeft dan ook terecht bakzeil gehaald bij zowel de Kamer als bij het hof dat het vonnis van de Kamer bekrachtigt.

Bron:
ECLI:NL:GHAMS:2013:1905, Hof Amsterdam

Wel eens van een Guan Yuan gehoord? Geeft niks, ik moest ook eventjes googlen om te kijken wat het precies is. Een Guan Yuan is een zeldzame, zeer waardevolle Chinese pot. Dat soort dingen zijn best leuk om te erven, maar zoals je weet moet er over een erfenis erfbelasting worden betaald. Maar wat nou als blijkt dat je die zeldzame Chinese pot even later kan verpatsen voor een aanzienlijk hoger bedrag dan waarvoor hij in de aangifte was opgenomen? Hierover gaat onderhavige zaak waarin AG IJzerman een lezenswaardige conclusie presenteert.

De feiten:
Tot de nalatenschap van erflater behoorde een zeldzame Chinese pot. Bij de aangifte successierecht op 31 juli 2004 werd de pot gewaardeerd op € 12500,- De aangegeven waarde is bij het vaststellen van de aanslag gevolgd. Erfgenamen hebben zich vervolgens gezamenlijk gewend tot het veilinghuis Christie’s om de pot te verkopen. Dat heeft op 1 december 2004 aan de Chinese pot een geschatte waarde toegekend van € 80.000 tot € 100.000 en op 17 december 2004 van € 300.000 tot € 400.000. De pot oversteeg echter alle verwachtingen en werd verkocht voor € 23 miljoen.

Vervolgens legde de inspecteur een navorderingsaanslag successierecht op. In geschil is nu voor welke waarde de pot belast is voor de erfbelasting. Hof Den Haag oordeelde dat bij de waardebepaling van de pot op overlijdensdatum de tot uitgangspunt kan worden genomen. In verband met de gestegen marktprijzen voor dergelijk klassiek Chinees keramiek in de periode tussen de overlijdensdatum en veilingdatum, wordt de waarde op overlijdensdatum door het hof geschat op € 10 miljoen.

Conclusie AG:
De AG volgt dezelfde lijn die het hof ook hanteerde. De waarde in het economische verkeer op het waarderingstijdstip moet worden vastgesteld aan de hand van de op dat moment bestaande en voorzienbare waardebepalende feiten en omstandigheden, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden die daar een licht op kunnen werpen. Daarbij doet het er niet toe of die feiten of omstandigheden pas bekend zijn geworden na het waarderingstijdstip. Daaraan kan niet afdoen dat die prijs voordien door deskundigen niet werd voorzien.

De erfgenamen stellen dat het Hof gehouden was de overgelegde deskundigenrapporten mede ten grondslag te leggen aan zijn waardering. Deze waarderingen lagen aanzienlijk lager, tussen de € 300000,- en € 400000,-, dan de waarde die het hof vaststelde. De AG merkt te dien aanzien op dat in het belastingrecht de zogenoemde ‘vrije bewijsleer’ geldt. Dit houdt in dat de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter is overgelaten. Het is vaste jurisprudentie dat de waardering van de bewijsmiddelen aan het Hof is voorbehouden. De rechter mag zelfstandig conclusies trekken uit de vaststaande feiten. Naar de mening van de AG brengt dit niet met zich mee dat de rechter gehouden is deskundigenrapporten te volgen. Doordat de pot daadwerkelijk werd verkocht, wordt het mogelijk om voor een waardebepaling bij de gerealiseerde verkoopprijs aansluiting te zoeken.

De AG concludeert dat genoemde middelen zijns inziens niet tot cassatie kunnen leiden.

Conclusie:
Deze conclusie van de AG heeft ook het NTFR gehaald (Conclusie A-G IJzerman 27 maart 2013, 12/02319, NTFR 2013/1050). Daar merkt Vrenegoor twee dingen op:

  1. De Hoge Raad heeft al eerder beslist dat een kort na sterfdatum gerealiseerde verkoopprijs moet worden gezien als de waarde ten tijde van overlijden (HR 31 juli 2001, nr. 36.164, NTFR 2001/1040).
  2. Bij waardevaststelling op de overlijdensdatum mag in beginsel ook rekening mag worden gehouden met na de sterfdatum gebleken feiten en omstandigheden die een licht werpen op de waarde ten tijde van de sterfdatum (HR 14 juli 2000, nr. 35.059, NTFR 2000/1055)

Deze uitspraken van de Hoge Raad kunnen het standpunt van de AG met name ten aanzien van de invulling van de vrije bewijsleer steunen. Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze zaak te buigen en een uitspraak te doen. Al met al acht ik de kans groot dat, gezien de eerdere uitspraken van de Hoge Raad, de conclusie van de AG gevolgd zal worden.

Bron:
ECLI:NL:PHR:2013:BZ8588,(Conclusie A-G IJzerman 27 maart 2013, 12/02319, NTFR 2013/1050)
ECLI:NL:HR:2001:AB2597, Hoge Raad (HR 31 juli 2001, nr. 36.164, NTFR 2001/1040)
HR 14 juli 2000, nr. 35.059, NTFR 2000/1055 (helaas niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)

Wanneer iemand komt te overlijden, zullen de erfgenamen voor een aantal soms lastige keuzes worden gesteld. De laatste wensen van de overledene zullen moeten worden uitgevoerd, waaronder een eventueel aanwezige uiterste wilsbeschikking. Afhandeling van de nalatenschap is daar een belangrijk deel van. In dit kader deed de kantonrechter van Roermond recentelijk een opmerkelijke uitspraak.

Drie keuzes:
Erfgenamen hebben drie keuzes ((4:190 lid 1 BW) ten aanzien van een nalatenschap. Zij kunnen deze of:

  1. zuiver aanvaarden of
  2. beneficiair aanvaarden of
  3. verwerpen

De standaardsituatie is zuivere aanvaarding waarbij de saisine-regel onverminderd in werking treedt. De erfgenaam/erfgenamen treden vermogensrechtelijk in de plaats van de overledene. Anders gezegd: er treedt rechtsopvolging op onder algemene titel. Sec gezegd betekent dit dat een erfgenaam alle baten maar ook alle lasten uit de nalatenschap krijgt. Dat betekent dat een erfgenaam bij zuivere aanvaarding met zijn privévermogen aansprakelijk kan worden voor schulden die door de erflater zijn gemaakt.

Bij beneficiaire aanvaarding verkrijgt een erfgenaam alleen de goederen van de nalatenschap die zijn overgebleven na voldoening van de schulden van de erflater. De erfgenaam hoeft slechts schulden van de erflater te voldoen voor zover het geërfde vermogen daarvoor toereikend is. Dit maakt beneficiaire aanvaarding uitermate geschikt om nalatenschappen te aanvaarden waarvan de “inhoud” onbekend is. Met dit mechaniek kan een een erfgenaam voorkomen dat hij met zijn privévermogen aansprakelijk wordt voor schulden van de erflater.

Tot slot wordt bij verwerping een erfgenaam met terugwerkende kracht geacht nooit een erfgenaam te zijn geweest.

Het probleem:
Een erfgenaam kan uitdrukkelijk aangeven dat hij de erfenis zuiver aanvaard. Hij kan zich ook als zodanig gedragen, bijvoorbeeld door eigendommen van de erflater mee te nemen of zonder voorbehoud schulden te voldoen (artikel 4:192, eerste lid, BW). Hierin schuilt het gevaar, veel erfgenamen zijn niet of onvoldoende op de hoogte van geldende regelgeving en gedragen zich als zuiver aanvaardend erfgenaam waardoor zij zuiver aanvaarden, hoewel dit soms helemaal hun bedoeling niet is.

Het vervelende is dat in beginsel e keuze die een erfgenaam voor zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping maakt, onomkeerbaar is (art. 4:190 lid 4 BW). Tal van mensen wordt op deze manier aansprakelijk voor schulden uit de nalatenschap zonder dat zij het beseffen. Nu is dat geen heel erg solide excuus aangezien iedereen geacht wordt de wet te kennen, maar het is wel degelijk een probleem.

In een beperkt aantal gevallen is het toch nog mogelijk om via art. 4:194 BW na zuivere aanvaarding alsnog beneficiair te aanvaarden. Hiervoor is dan wel een machtiging van de kantonrechter nodig.

De feiten:
Na het overlijden van erflaatster hebben enkele erven [hierna: Y] de nalatenschap zuiver aanvaard. Enkele andere erven [hierna: X] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Laatstgenoemde erven waren weliswaar op de hoogte van de uiterste wil van de erflater, maar niet hadden voorzien dat de nalatenschap van moeder zo gering was dat niet alle vorderingen voldaan konden worden. Saillant detail daarbij is dat X met eigen vermogen het erfdeel van Y aan zou moeten vullen.

De erven X trachten hun gelijk te halen via twee argumenten: ten eerste is er een beroep gedaan op artikel 4:194 BW en ten tweede wordt betoogd dat een dergelijke situatie onredelijk is.

De overwegingen en uitspraak van de kantonrechter:
Op basis van de tekst van artikel 4:194 BW wordt het eerste argument afgewezen. De tekst luidt immers: “Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil[…]” In casu waren de erven X al bekend met de uiterste wil voordat de nalatenschap zuiver werd aanvaard. Het eerste argument gaat derhalve niet op.

Ter zitting hebben de erven X herhaald dat het de uitdrukkelijke wens van erflaatster was dat alle kinderen gelijk bedeeld zouden worden. De verdeling zoals die optreedt tengevolge van zuivere aanvaarding zou niet overeenstemmen met de uiterste wil en zou bovendien onredelijk zijn. Dit is niet met zoveel woorden weersproken door erven Y.

De kantonrechter is van oordeel dat door het vooroverlijden van echtgenoot van erflater alsmede het overlijden van erflaatster een onverdeelde gemeenschap is ontstaan zoals bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW, welke toekomt aan de erfgenamen. Uit lid 3 van ditzelfde artikel vloeit voort dat op de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten (in dit geval de erven) artikel 6:2 BW van toepassing is. Dit artikel verklaart dat de rechtsbetrekking tussen deelgenoten wordt beheerst door redelijkheid en billijkheid.

Redelijkheid en billijkheid kunnen inbreuk kunnen maken op hetgeen uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit. De kantonrecht is van oordeel dat het in het dit geval redelijk en billijk is om aan de erven X machtiging te verlenen om de nalatenschap van erflaatster alsnog beneficiair te aanvaarden. Op deze wijze worden de kinderen allen gelijkelijk bedeeld zodat de feitelijke situatie in overeenstemming kan worden gebracht met de uiterste wil van erflaatster.

Conclusie:
Dit is een vrij opmerkelijke uitspraak van de kantonrechter aangezien het wettelijke stelsel hiermee bijzonder hard onderuit wordt gehaald. Het zou zonder meer zeer interessant zijn om te zien of de gebruikte redenering de toets der kritiek van een hoger beroep zou kunnen doorstaan.

Een direct beroep op artikel 4:194 BW kan niet slagen omdat erven X al zuiver aanvaard terwijl zij bekend waren met de uiterste wil van erflaatster. De wettekst is bijzonder duidelijk over het feit dat in dat geval artikel 4:194 BW geen toepassing kan vinden. Uit hoofde van de wet kunnen de erven X dus eigenlijk niet langer beneficiair aanvaarden. De oplossing wordt gevonden in een omweg via een gemeenschap welke verdeeld moet worden en onder het bereik valt van redelijkheid en billijkheid.

Redelijkheid en billijkheid is in juridisch opzicht een paardenmiddel omdat het zelfs de wet buiten werking kan stellen. De kantonrechter merkt dan ook zeer terecht op dat met het middel terughoudend moet worden opgetreden. Het is echter in dit geval gerechtvaardigd omdat met gebruik hiervan alsnog kan worden voldaan de uiterste wil van erflaatster.

Mijns inziens wordt hier dus een testament gebruikt om het wettelijke stelsel buiten werking te stellen. Deze redenering kan alleen opgaan omdat de erven het kennelijk met elkaar eens zijn over de inhoud van de uiterste wil. Opmerkelijk daarbij is wel dat erven Y de stellingen van erven X kennelijk “niet met zoveel woorden” tegengesproken hebben. De vraag is dan met hoeveel woorden de stellingen eventueel wel zijn tegengesproken. Dat is echter iets wat we nooit zullen weten.

Een redenering als hier gehanteerd wordt, zal nooit op kunnen gaan als het niet de bedoeling is geweest van erflater om alle erven gelijk te bedelen.

Tot slot moet nog gemeld worden dat de staatssecretaris bezig is met het ontwerpen van een plan om erfgenamen beter te beschermen tegen onverwachte schulden uit een nalatenschap. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het systeem zoals beschreven in artikel 4:194 BW. Zie hiervoor ook het eerdere artikel op legallife.nl

Bron:
LJN: BZ0690,Sector kanton Rechtbank Roermond