De rechtspraak aangaande boedelverdelingen na een echtscheiding is meestal weinig spectaculair. Gewoonlijk gaat het om de afwikkeling van wat simpele dingen als wie de lamp krijgt. In een dergelijke verder vrij standaard boedelscheiding stond een opmerkelijke zinsnede waarbij een website werd toegedeeld als deel van de boedel. Het is zeer waarschijnlijk de eerste keer dat een website deel uitmaakt van een boedelscheiding.

De uitspraak:
De relevante passage is vrij kort en er worden weinig woorden besteed aan de website als zodanig:

4.2. Goederen

4.2.1. Partijen zijn het er over eens dat de twee honden [hond 1] en [hond 2] die reeds in het bezit van de man zijn zonder verdere verrekening aan de man worden toebedeeld en dat de inboedel voor zover nog in het bezit van de vrouw zonder verdere verrekening aan haar zal worden toebedeeld. De rechtbank overweegt daarbij dat de schilderijen van [X] en het camerabewakingssysteem daar niet onder vallen, aangezien de vrouw verklaart dat deze niet in haar bezit zijn omdat de man deze goederen reeds heeft meegenomen. Verder is niet in geschil dat de website zonder verdere verrekening aan de vrouw kan worden toebedeeld.
De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.

Interessant is niet de toedeling van de website aan de vrouw. Aan de toedeling an sich zitten geen juridische haken en ogen. Wel interessant is de kwalificatie die website hier krijgt. De website wordt namelijk genoemd onder goederen.

De kwalificatie van de site:
De website wordt genoemd onder het kopje goederen waarmee we moeten aannemen dat de website als een goed kan worden gezien. Volgens artikel 3:1 BW zijn goederen alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel 3:2 BW definieert vervolgens een zaak als een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Een website is weliswaar voor menselijke beheersing vatbaar maar beslist geen stoffelijk object. Resteert artikel 3:6 BW welke vermogensrechten definieert als rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.

De definitie van vermogensrechten sluit zonder meer het meest aan bij het begrip “website”. De vraag ligt echter nog open of een website een vermogensrecht is, en daarmee een enkel goed of slechts een verzameling van vermogensrechten en eigenlijk een verzameling goederen. Anders gezegd: is een website meer dan de som der samenstellende delen?

Sowieso bestaat een website uit verschillende onderdelen waarop verschillende rechten van toepassing kunnen zijn. Zo kunnen de artikelen op een website onder de het auteursrecht van de schrijver vallen en kunnen en afbeeldingen onder het auteursrecht van de fotograaf vallen maar er kan ook sprake zijn afbeeldingen waarvoor een licentie is afgenomen door de maker van de website. Ook is er het recht op het gebruik van een domeinnaam. Dat derhalve op de samenstellende elementen van een website vermogensrechten van toepassing zijn is algemeen geaccepteerd.

Maar is de website zelf ook een zelfstandig goed? Moet de website zelf bijvoorbeeld worden gezien als een vermogensrecht in de zin van het auteursrecht? Dat kan verdedigd worden als het gaat om een website met een origineel ontwerp, maar wat als er een kant-en-klaar websiteontwerp wordt gebruikt? Een dergelijke site zal minder snel onder het bereik van het auteursrecht vallen. Is het antwoord op de vraag of een website een zelfstandig vermogensrecht is derhalve afhankelijk van de casuïstiek?

We kunnen ook nog de vraag stellen of we in dit verband het überhaupt wel wenselijk moeten vinden om een website als een zelfstandig vermogensrecht aan te merken en dat voor bijvoorbeeld toedeling bij een boedelscheiding altijd alle relevante vermogensrechten die met de website samenhangen toegedeeld moeten worden.

De uitspraak van de rechter geeft helaas geen verdere indicatie of een website als verzameling vermogensrechten of als zelfstandig vermogensrecht moet worden gezien. In ieder geval kan een website kennelijk geschaard worden onder kopje goederen. Daarmee wordt echter wel de deur opengezet naar veel vragen over hoe we een website moeten zien binnen het vermogensrecht.

Bron:
LJN: CA0058, Rechtbank Roermond

Inbreken op een “geautomatiseerd werk” levert onder artikel 138ab Sr. computervredebreuk op. Het Hof oordeelde in 2011 nog dat een router niet aan de definitie van geautomatiseerd werk voldeed waardoor het meeliften op een netwerk van een ander niet strafbaar was. De Hoge Raad is echter een andere mening toegedaan.

De feiten en zaak bij het Hof:
Een jongen had via het netwerk van de buren op 4chan een doodsbedreiging geplaatst tegen zijn oude school, het Maerlant College in Den Haag. Om gebruik te maken van het netwerk van de buren moest hij zich toegang verschaffen tot het draadloze netwerk van de buren wat beveiligd was met een wachtwoord en geleverd wordt door een router. Er volgde een taakstraf van 120 uur voor de bedreiging maar ten aanzien van gebruikmaking van het netwerk had het Gerechtshof bepaald dat dit niet strafbaar was omdat niet voldaan aan de definitie van een geautomatiseerd werk.

Art 80sexies Sr. definieert een geautomatiseerd werk als: een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen. Het Hof las deze voorwaarden als cumulatieve voorwaarden. Een stuk elektronica wat enkel bestemd is om gegevens over te dragen en/of op te slaan valt dus buiten de wettelijke begripsomschrijving. Een router geeft gegevens slechts door en slaat ze niet op, derhalve volgde vrijspraak voor computervredebreuk.

Overwegingen en oordeel Hoge Raad:
De Hoge Raad kijkt naar de parlementaire geschiedenis om de uitleg van art. 80sexies Sr. te duiden. Met name de volgende passages zijn daarbij van belang.[r.o. 2.4.2.]

Aangaande cumulatieve voorwaarden:

De definitie spreekt van opslag, verwerking èn overdracht van gegevens. Het gaat hier om cumulatieve voorwaarden. Een inrichting die enkel bestemd is om gegevens over te dragen (een eenvoudig telefoontoestel, bepaalde zend- en ontvanginrichtingen) of op te slaan valt dus buiten de begripsomschrijving.”

Aangaande een geautomatiseerd werk:

“Artikel 80sexies Sr […] definieert geautomatiseerd werk als een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen. Met dit begrip worden op zichzelf staande computers aangeduid, maar ook netwerken van computers en geautomatiseerde inrichtingen voor telecommunicatie. Van belang is wel dat de inrichting zowel gegevens kan opslaan als deze verwerken én overdragen.”

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat geautomatiseerd werk geschikt moet zijn om drie functies te vervullen, te weten opslag, verwerking en overdracht van gegevens en dat het begrip geautomatiseerd werk niet beperkt is tot apparaten die zelfstandig aan deze drievoudige eis voldoen. Ook netwerken bestaande uit computers en/of telecommunicatievoorzieningen heeft de wetgever onder het begrip ‘geautomatiseerd werk’ willen brengen.[r.o. 2.5]

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak naar het Hof van ‘s-Gravenhage voor een nieuwe behandeling.

Conclusie:
Volgens de Hoge Raad bestaat er wel degelijk ruimte voor een veroordeling op grond van computervredebreuk. In hoger beroep heeft het Hof correct vastgesteld dat de definitie van een geautomatiseerd werk uit cumulatieve voorwaarden bestaat. Het Hof heeft echter miskend dat niet alle voorwaarden tegelijk van toepassing hoeven te zijn op één apparaat maar dat het ook kan gaan om een netwerk van apparaten wat gezamenlijk die functies kan vervullen.

Dit brengt met zich mee dat het netwerk van de buren ongetwijfeld onder de definitie valt. Er zal immers ongetwijfeld een pc aan het netwerk zijn gekoppeld wat de functie van opslag van gegevens wel vervult. De beantwoording van de vraag of de jongen daarmee daadwerkelijk computervredebreuk heeft gepleegd, is aan de feitenrechter om te beantwoorden.

Bron:
LJN: BP7080, Gerechtshof ‘s-Gravenhage
LJN: BY9718, Hoge Raad
Onbevoegd gebruik router is strafbaar via rechtspraak.nl
Hoge Raad: inbreken op router is wel strafbaar via tweakers.net

Op 7 maart heeft het HvJEU een arrest gewezen over het begrip (weder)doorgifte in de zin artikel 3 Auteursrechtrichtlijn. Dit arrest geeft behoorlijk wat stof tot nadenken en moet misschien zelfs gekwalificeerd worden als een mijlpaalarrest waar het op IE-recht aankomt. Omdat het een vrij lang arrest is, zal ik slechts de mijns inziens meest belangrijke elementen behandelen.

De feiten:
Het conflict gaat tussen enkele commerciële TV-zenders en een internetstreamingdienst genaamd TVCatchup (TVC). Middels TVC kunnen inwoners van het Verenigd Koninkrijk streams van gratis televisie-uitzendingen ontvangen, waaronder de door de commerciële TV-zenders uitgezonden televisie-uitzendingen.

TVC zorgt er voor dat gebruikers enkel toegang krijgen tot een inhoud waarnaar zij op grond van hun kijkvergunning reeds gerechtigd zijn te kijken in het Verenigd Koninkrijk. De gebruikers moeten akkoord gaan met voorwaarden welke onder meer omvatten het bezit van een geldige kijkvergunning en de beperking van het gebruik van de diensten van TVC tot het Verenigd Koninkrijk. Met de internetsite van TVC kan worden nagegaan waar de gebruiker zich bevindt, en wordt de toegang geweigerd wanneer de aan de gebruikers opgelegde voorwaarden niet zijn vervuld.

De activiteiten van TVC worden gefinancieerd met reclame welke wordt afgespeeld voordat de TV-uitzending zichtbaar is.

De rechtsvraag:
De centrale vraag is of een organisatie als TVC een “mededeling aan het publiek” doet, indien op internet televisieprogramma’s worden uitgezonden voor leden van het publiek die recht zouden hebben gehad op toegang tot het oorspronkelijke omroepsignaal, wanneer zij thuis op hun eigen televisietoestellen of draagbare computers deze programma’s zouden hebben bekeken. Dit alles terwijl TVC zich volledig bewust is van de gevolgen van haar handelingen en met het doel om een publiek voor haar eigen doorgiften en reclame aan te trekken.

Overwegingen en oordeel van het HvJEU:
Het Hof is van oordeel dat de activiteiten van TVC als een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn moeten worden gezien. De redenering hiertoe wordt in twee stappen opgebouwd.

Eerst stelt het Hof de reikwijdte van het begrip mededeling vast. Het recht van mededeling aan het publiek dekt elke overbrenging of doorgifte van een werk aan het publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de communicatie vandaan komt,
per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Daarnaast leidt machtiging van het uitzenden van beschermde werken aan het publiek niet tot uitputting van het recht om andere mededelingen/uitzendingen aan het publiek toe te staan ​​of te verbieden in de zin van artikel 3 lid 3 Auteursrechtenrichtlijn. Bijgevolg kan een dergelijke wederdoorgifte niet gebeuren zonder de toestemming van de auteurs van de wederdoorgegeven werken wanneer zij aan het publiek worden medegedeeld.

Anders gezegd, er moet worden vastgesteld dat elke (weder)doorgifte van een beschermd werk middels gebruik van specifieke technische middelen in de regel apart moeten worden goedgekeurd door de auteur.[punt 23 t/m 26]

Ten tweede stelt het HvJEU vast of de werken daadwerkelijk zijn medegedeeld aan een publiek. Volgens vaste jurisprudentie verwijst het begrip “publiek” naar een onbepaald aantal potentiële ontvangers en moet het bovendien gaan om een vrij groot aantal personen. Het Hof wijst erop dat er rekening gehouden moet worden met het cumulatieve effect van het beschikbaar maken van de werken voor potentiële afnemers. In dat verband moet er rekening worden gehouden met het aantal personen wat op hetzelfde moment toegang heeft en het aantal personen wat achtereenvolgens toegang heeft. [punt 30 t/m 33]

De vraag of de potentiële kijkers via een een-op-een verbinding toegang tot de medegedeelde werken hebben niet relevant nu deze niet belet dat een groot aantal personen tegelijk tot hetzelfde werk toegang heeft. In casu richt de wederdoorgifte van de werken via internet zich tot alle personen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, over een internetverbinding beschikken en beweren dat zij over een kijkvergunning beschikken. Deze personen kunnen tegelijk toegang tot de beschermde werken hebben. Er is derhalve sprake van een mededeling aan het publiek. [punt 34 t/m 36]

Nieuw is dat kennelijk niet hoeft te worden getoetst of er sprake is van een nieuw publiek. Volgens het HvJEU was die vraag slechts relevant in eerdere situaties. (SGAE (punt 40), Football Association Premier League e.a. (punt 197), alsook Airfield en Canal Digitaal(punt 72)). [punt 37 t/m 39]

Het belang van het winstoogmerkcriterium wordt ook nog enigszins naar beneden bijgesteld. Het is niet irrelevant maar in casu is het niet van belang of de wederdoorgifte wordt gefinancieerd door reclame en dus een winstoogmerk heeft of dat deze gebeurt door een organisatie die direct concurreert met de oorspronkelijke omroeporganisatie.[punt 41 t/m 47]

Conclusie:
Dit arrest is één van de vele in de lange reeks uitspraken waarmee het HvJEU de Auteursrechtenrichtlijn weer een stukje verder inkleedt. Opmerkelijk is dat het belang van het winstoogmerkcriterium behoorlijk wordt ingeperkt om niet te zeggen dat in deze zaak bijna gemarginaliseerd wordt. Het HvJEU houdt echter wel een slag om de arm door te stellen dat het winstoogmerkcriterium niet irrelevant is. Het belang van mededeling aan het publiek als primair criterium wordt hiermee nog eens bevestigd.

Opvallender is dat er niet onderzocht hoeft te worden of er sprake is van wederdoorgifte aan een nieuw publiek. Het verschil zit hem er volgens het HvJEU in dat in eerdere arresten situaties onderzocht werden waarin een ondernemer door zijn bewuste interventie een uitzending met beschermde werken toegankelijk had gemaakt voor een nieuw publiek waarmee de betrokken auteurs geen rekening hebben gehouden toen zij de betrokken uitgezonden doorgifte hebben toegestaan. Het is mij niet geheel duidelijk waarom een dergelijk subjectief criterium niet op deze situatie van toepassing zou zijn.

Tot slot merkt Micha Schimmel in een blog van SOLV op dat deze zaak mogelijk gevolgen heeft voor de uitspraak in de Nederlandse zaak tussen Nederland.FM en BUMA omdat: “naar analogie van deze uitspraak kan gesteld worden dat de radiostreams die door de radio-omroepen worden aangeboden op hun websites, zich dus ook richten tot alle personen die in Nederland wonen en over een internetverbinding beschikken.”

Dit wordt echter haast terloops genoemd en het is dan ook te hopen dat daar nog een apart blog aan wordt gewijd. Het is in ieder geval wel aanbevelenswaardig om het blog van SOLV hierover te lezen.

Geconcludeerd kan worden dat dit arrest van het Hof toch weer behoorlijk wat materie geeft om over na te denken.

Bron:
HvJ EU 07/03/2013, zaaknr. C-607/11, ITV / TV Catch Up via curia.europa.eu
Samenvatting zaak C-607/11 via curia.europa.eu
HVJ wijst fundamenteel arrest over openbaarmaking via internet via SOLV

Whatsapp is een populaire messagingdienst met wereldwijd enkele honderden miljoenen gebruikers. Het succes van Whatsapp is te danken aan een lekker lage aanschafprijs van € 0,89 (voor de iPhone variant) en het feit dat het via de databundel werkt. Daardoor is het een perfect alternatief voor de relatief dure sms. Daarnaast kunnen gebruikers ook foto’s, video’s en geluidsbestanden verzenden en ontvangen (MMS).

Naar aanleiding van de wijze waarop Whatsapp functioneert en de gebruikersrechten die de app vraagt, heeft het Nederlandse CBP in samenwerking met de Canadese OPC een onderzoek uitgevoerd naar de app. Blijkens het onderzoek was Whatsapp in overtreding van zowel Nederlandse als Canadese privacyregelgeving. Naar aanleiding van het onderzoek zijn op moment van schrijven al enkele wijzigingen aangebracht aan de app.

Het onderzoek:
Het CBP is bij het onderzoeken van het functioneren van Whatsapp bijzonder grondig te werk gegaan. Het CBP heeft digitaal onderzoek verricht naar de app. De privacy policy en de voorwaarden zijn forensisch vastgelegd. De app is geïnstalleerd op smartphones op naam van het CBP en er zijn foto’s/screenshots gemaakt van het installatieproces en de gebruiksmogelijkheden van de app. Er zijn berichten uitgewisseld tussen de smartphones en de beveiliging van het berichtenverkeer is geanalyseerd met packet analyse software. Dit is gedaan met tal van besturingssystemen waaronder iOS, Android en Symbian.

Bevindingen:
In het kader van overzichtelijkheid blijft dit overzicht beperkt tot de belangrijkste bevindingen van het onderzoek. Voor zover de bevindingen van het onderzoek al tot aanpassingen hebben geleid, zal dat hier meteen worden meegenomen.

  • Voor het gebruikt van Whatsapp moet verplicht toegang worden gegeven tot het volledige elektronische adresboek. Deze functionaliteit wordt gebruikt om te tonen wie van de contactpersonen ook Whatsapp gebruikt. Whatsapp bewaart daarbij ook de mobiele telefoonnummers van niet-gebruikers. Dit is bovenmatig gebruik van persoonsgegevens en derhalve in strijd met zowel Nederlands als Canadees recht. Om het verzenden van berichten mogelijk te maken, hoeft WhatsApp namelijk niet alle telefoonnummers uit hun adresboek te bewaren. Daarbij moet overigens worden opgemerkt dat gebruikers van iOS 6 de mogelijkheid hebben om handmatig contacten met wie zij willen whatsappen toe te voegen in plaats van dat zij verplicht toegang moeten geven tot hun volledige adresboek.
  • WhatsApp verwerkte en verstuurde de berichten op onversleutelde wijze. Dat maakte het onderscheppen van berichten in leesbare vorm door derden mogelijk. Inmiddels is het berichtenverkeer via Whatsapp versleuteld.
  • WhatsApp genereerde voor het inloggen met de app op de server wachtwoorden door gebruik te maken van het gehashte wifi-MAC-adres op iPhones en van het gehashte IMEI-toestelnummer op andere typen smartphones. Bij hashen kan de juistheid van een ingevoerd wachtwoord kan worden gecontroleerd door de hashwaarde van de invoer te vergelijken met de hashwaarde van het wachtwoord zoals die reeds in de database is opgeslagen. Voor zo’n controle hoeft men het
    wachtwoord zelf niet te kennen. Met de implementatie zoals Whatsapp die had gekozen, lopen gebruikers het risico dat hun wachtwoord wordt nagemaakt c.q. achterhaald waarna namens hen berichten zouden kunnen worden verstuurd en gelezen. Inmiddels heeft Whatsapp een nieuwe methode om wachtwoorden te genereren. Gebruikers dienen een update te installeren om een nieuw wachtwoord toegewezen te krijgen. Voor degenen die dit niet doen blijft het risico bestaan.

Wat volgt:
In Nederland zal de handhavingsfase ingaan. Het CBP zal hierin bekijken in hoeverre de geconstateerde overtredingen voortduren en beslissen of handhavende maatregelen nodig zijn. Het Canadese OPC heeft geen mogelijkheid om sancties op te leggen maar de ervaring leer dat bedrijven over het algemeen netjes meewerken. Overigens heeft heeft WhatsApp naar aanleiding van het onderzoek aangekondigd dat het restrisico in de wachtwoordbeveiliging aangepakt zal worden voor degenen die niet updaten naar een recentere versie. Er zal betere informatie komen over de bewaartermijnen van persoonsgegevens en het toevoegen van een waarschuwing/pop-up over de verspreiding van statusberichten – als gebruikers hun statusbericht aanpassen – staat ook op de agenda voor productontwikkeling. Daarbij heeft Whatsapp nog geen termijnen genoemd over wanneer implementatie verwacht kan worden.

Bron:
Rapport ‘De verwerking van persoonsgegevens door WhatsApp’ via cbpweb.nl

Netneutraliteit is een hot onderwerp. Onder deze term vinden de discussies plaats over de vrijheid en openheid van het internet. Na een lang traject is Nederland het eerste land in Europa dat netneutraliteit in de wet heeft vastgelegd. Dit gebod staat overigens in artikel 7.4a Telecommunicatiewet en niet in de grondwet.

WCIT, ITU en ITR:
Het meest recente onderwerp wat de revue passeerde was de World Conference on International Telecommunications (WCIT) van de International Telecommunication Union (ITU) van de VN. Deze conferentie had tot doel de bestaande International Telecommunications Regulations (ITR’s) uit het verdrag van 1988, waarin afspraken zijn gemaakt over de besturing van het internationale telecommunicatieverkeer, te herzien.

In 1988 was de telecommmarkt in de meeste landen nog niet geliberaliseerd en de financiële afwikkeling van het telefonie- en eenvoudige dataverkeer vond plaats via een stelsel van tariefafspraken tussen overheden en staatsbedrijven. Nu is dat absoluut niet meer aan de orde en Europa had zich dan ook eigenlijk op het standpunt gesteld dat kon worden volstaan met beëindiging van het bestaande verdrag. Tal van landen wilden echter herziening van het bestaande verdrag dus daar werd een topoverleg over georganiseerd.

Het probleem:
Het nieuwe verdrag bevat onder meer bepalingen die de consument ten goede moeten komen. Daarbij moet gedacht worden aan zake als meer transparantie over roamingtarieven. Daarnaast heeft het verdrag tot doel connectiviteit voor mensen met beperkingen bevorderen. Het grote probleem waar het om gaat is het verdrag bepalingen bevat die zo uitgelegd kunnen worden dat landen controle over het internet zouden kunnen verkrijgen. Daarbij is het gebruik en een eventueel recht op toegang tot internet nauw verweven met mensenrechten zoals de vrijheid van meningsuiting. Overigens moet in deze context wel worden opgemerkt dat in de pre-ambule van het verdrag is opgenomen dat:

“Member States affirm their commitment to implement these Regulations in a manner that respects and upholds their human rights obligations”.

Momenteel valt een groot deel van de controle van het internet onder een Amerikaanse non-profitorganisatie, het gaat dan om de mogelijkheid om IP-adressen uit te delen. Veel deelnemers aan de conferentie wilden de controle over het internet overzetten naar individuele landen. De Verenigde Staten vinden dat echter onacceptabel, en ook de Europese Unie is tegen. De ITU zelf had overigens al eerder aangegeven dat er geen maatregelen zouden worden genomen, die het VN-lichaam meer controle over het web gaven of de lidstaten de mogelijkheid zouden geven om content te censureren.

Rommelig verloop:
De conferentie verliep uitermate rommelig. Normaliter worden bij de ITU alle beslissingen genomen op basis van consensus. Hoewel stemmen mogelijk is komt dit zelden of nooit voor. Toch is in Dubai twee keer gestemd, waaronder over een resolutie over uitbreiding van het verdrag naar internet. Daarbij was het op een gegeven moment zelfs volstrekt onduidelijk of er gestemd was. Er was een resolutie door de voorzitter Mohammed Nasser Al Ghanim aangenomen zonder officiële stemming. Hij peilde naar eigen zeggen de sfeer in de ruimte. Daarbij was onduidelijk wat de inhoud van de resolutie dan precies was en of deze echt aangenomen was.

Uiteindelijk is een tekst geconcludeerd, waarna diverse landen (Nederland en alle andere EU-landen, de VS, Japan, Australië en Canada) hadden aangekondigd deze niet tijdens de slotceremonie van de WCIT te zullen ondertekenen.

Onderliggende reden is de verbreding van de scope van het verdrag naar het internetdomein in combinatie met een aantal bepalingen die voor tweeërlei uitleg vatbaar, waardoor diepgaande controle en censuur op het internet door overheden gerechtvaardigd zou kunnen worden.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de toevoeging van enkele Afrikaanse landen welke luidt:

‘These regulations recognise the right of access of member states to international telecommunication services’.

Protesterende landen zagen dit als een poging om het beheer over het internet bij het verdrag te betrekken. Ook de bepalingen over het voorkomen van spam en het borgen van veiligheid van netwerken laten ruimte voor overheidscontrole op het internet. Ook is in een nieuwe definitie van “authorized operating agencies” niet duidelijk of hieronder ook private aanbieders of aanbieders van overheidsnetwerken vallen. Authorized operating agencies zijn aanbieders die onder het verdrag vallen.

Er is op de WCIT moeilijk onderhandeld over dergelijk passages maar wijzigingen waren niet bespreekbaar. Daardoor is niet geheel duidelijk wat de intenties van dergelijke passages zijn en is het verdrag uiteindelijk niet aangenomen door veel landen. Uiteindelijk hebben 89 landen van de 152 het verdrag ondertekend.

De directe gevolgen:
Voor de landen die niet ondertekend hebben gaat er niet veranderen. Zij blijven gebonden aan het verdrag uit 1988. Landen die zich bedenken kunnen het verdrag desgewenst later nog ondertekenen en ratificeren.

Conclusie:
De verwachtingen waren van tevoren hooggespannen en uiteindelijk is het min of meer met een sisser afgelopen. Internet en telecommunicatie zijn zo nauw met elkaar verweven dat ze eigenlijk niet meer als twee aparte werelden te zien zijn. Hoewel er voldoende valt aan te merken op de huidige organisatie van het internet zou een verdrag als dit met bijzonder vage bepalingen en een inconsistente benadering van het multi-stakeholder model weinig goeds bijdragen.

De secretaris-generaal van de ITU, Hamadoun Touré, sprak zijn teleurstelling uit over de opstelling van de weigeraars. Volgens hem heeft het verdrag geen gevolgen voor het beheer over het internet noch over het beheer van content; iets waar de protesterende landen voor vreesden. Daarnaast is de resolutie die de werking van het nieuwe verdrag uitbreidt tot internet niet-verbindend.

Hoewel het nieuwe verdrag enkele nuttige bepalingen bevat, blijft het simpelweg een te dubieus construct. Op korte termijn zal er niets veranderen. Wat de gevolgen op lange termijn zullen zijn als dit conflict doorsleept, is extreem moeilijk te voorzien. Vooralsnog kunnen staat in mei 2013 wordt het World Telecommunications Policy Forum van de ITU op de agenda. Ook daar heeft internet een prominente plek op de lijst van te bespreken onderwerpen en de messen zullen ongetwijfeld geslepen zijn. Daarna volgt in 2014 in Zuid-Korea een nieuwe onderhandeling over het ITU-verdrag. Zowel de overheid van de V.S. als grote internetbedrijven maken zich daar, terecht, ernstig zorgen over.

We gaan ongetwijfeld interessante tijden tegemoet en het is afwachten wat de toekomst van het internet gaat zijn.

Bron:
Enkele bronnen zijn voor het overzicht in de tekst gelinkt. Voor de Nederlandse reactie op de conferentie zie de brief van het ministerie van Economische Zaken aan de Tweede Kamer.