Weet je nog die goede oude tijd toen we nog dachten dat vastgoed altijd in waarde zou stijgen? Die tijd is helaas is voorgoed voorbij. Bij echtscheidingen was vroeger altijd de vraag wie in welke mate tot de overwaarde van de woning gerechtigd was, tegenwoordig is vaak de vraag wie in welke mate de onderwaarde van de woning moet dragen als de woning ‘onder water’ staat hetgeen wil zeggen dat de hypotheek hoger is dan de marktwaarde. We zien dan ook steeds meer rechtspraak verschijnen waar de vraag is wie de restschuld toebedeeld krijgt.

Net als bij het toebedelen van overwaarde is het uitgangspunt in beginsel dat ieder de helft van de onderwaarde krijgt. Ook hier zien we net als bij het toebedelen van de overwaarde rechtspraak ontstaan die daarvan afwijkt. In onderhavige zaak is dit aan de orde.

De feiten:
Echtgenoten gaan scheiden. Tot de gemeenschap van partijen behoren de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypotheekschuld. De woning heeft een onderwaarde.

Partijen hadden aanvankelijk de woning gehuurd van een woningbouwstichting. In december 2009 hebben zij deze woning van de stichting gekocht onder voortdurend recht van erfpacht. Blijkens de verkoopvoorwaarden kunnen partijen deze woning niet aan derden verkopen, maar hebben zij een terugverkoopverplichting aan de Stichting, waarbij volgens een bepaalde vastgelegde formule de terugkoopwaarde wordt berekend.

Standpunten van partijen:
De vrouw wenste aanvankelijk de woning aan de Stichting terug te verkopen, omdat zij daarna de woning wederom van de Stichting kon terughuren. Zij heeft echter verklaard dat zij geen middelen heeft om bij te dragen in de alsdan resterende restschuld. De man wil niet dat de woning aan de Stichting wordt terugverkocht, omdat hij vreest dat de bank bij hem de schuld gaat verhalen en hij dan in de schuldsanering terecht zal komen.

De man wenst dat de woning aan hem wordt toegedeeld. Hij heeft bij brief verklaard dat hij in staat is de woning over te nemen. Wel is hij van mening dat de vrouw aan hem de helft van de onderwaarde moet betalen. De vrouw kan op zichzelf instemmen met toedeling van de woning aan de man, echter onder de voorwaarde dat zij niet gehouden is aan de man de helft van de onderwaarde te vergoeden omdat zij daarvoor geen middelen heeft.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechtbank deelt de woning toe aan de man onder de verplichting om de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen. Ook hier is het uitgangspunt dat de vrouw de helft van de onderwaarde aan de man moet vergoeden. Echter de rechtbank oordeelt dat bijzondere omstandigheden een matiging van de
vergoeding rechtvaardigen.

Ten eerste was de vrouw tijdens het huwelijk fulltime huismoeder. Deze keus tijdens het huwelijk is door partijen gemaakt vanuit een gezamenlijke (geloofs)overtuiging. De vrouw heeft haar opleiding stopgezet en is zich volledig gaan wijden aan de zorg voor de kinderen. Mede daarom kan zij nu geen baan vinden en heeft zij geen liquide middelen. De vrouw kan een dergelijk bedrag niet kan betalen en ook niet kan lenen. Bovendien komt zij voor verhuiskosten te staan, nu de woning wordt toegedeeld aan de man.

Ten tweede wil de man langdurig in de echtelijke woning te gaan wonen. Er is geen concrete aanleiding om aan te nemen dat de man binnen afzienbare termijn de woning terug wil of moet verkopen aan de stichting, waardoor hij daadwerkelijk met genoemde restschuld geconfronteerd zou worden. Hij loopt weliswaar een prijsrisico de toekomst, maar de omvang van dat risico is afhankelijk van de ontwikkelingen op de woningmarkt en laat zich moeilijk inschatten.

De rechtbank oordeelt daarom dat de te vergoeden onderwaarde voor de vrouw slechts een kwart van de onderwaarde bedraagt. Bovendien wordt de schuld pas opeisbaar als de vrouw weer over voldoende inkomsten beschikt. Vanaf dat moment moet zij het bedrag in termijnen aan de man voldoen.

Conclusie:
Ook in het geval een restschuld resteert geldt als hoofdregel dat deze in gelijke mate aan de echtgenoten wordt toebedeeld. Echter, in het geval van bijzondere omstandigheden kan de rechter hier vanaf wijken.

Bron:
ECLI:NL:RBGEL:2014:7010

Bij een echtscheiding gebeurt het geregeld dat partners gescheiden gaan leven. Als de gezamenlijke woning een koophuis is dan zal het in de regel verkocht moeten worden in het kader van de boedelverdeling. Bij een huurhuis kan eenvoudigweg de huur opgezegd worden. Wat gebeurt er echter, als beide partijen het exclusief gebruiksrecht van de gezamenlijk woning willen hebben?

De feiten:
In onderhavig kort geding zijn beide partijen, de gewezen echtgenoten in spe, gezamenlijk huurders van een woning. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren welke beiden nog minderjarig zijn. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw de woning verlaten en is zij bij haar moeder ingetrokken. De man is in de woning gebleven met de kinderen.

De vrouw vordert nu in kort geding het exclusieve gebruiksrecht van de woning omdat de man beloofd zou hebben dat hij na een aantal maanden het pand zou verlaten en ter beschikking zou stellen aan de vrouw. Volgens de vrouw is de huidige situatie onhoudbaar omdat de woning van de moeder veel te klein is. Bovendien kampt haar moeder met hartklachten en heeft zij behoefte aan rust. De vrouw is van mening dat de man kan intrekken bij zijn ouders of zijn zus die in de nabijheid wonen.

Oordeel en overwegingen van de voorzieningenrechter:
De man heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat er een afspraak was inhoudende dat hij de woning een paar maanden later zou verlaten. Volgens de man wilde de vrouw de woning verlaten en zou zij een ander huis zoeken. Omdat dit mislukt is, wil zij nu de zaak omdraaien. De man stelt dat hij de huurwoning langdurig bewoont en zijn familie te klein woont om daar met de kinderen bij in te trekken. .

Het bestaan van de afspraak is niet aannemelijk gemaakt door eiseres. Daar de situatie van beide partijen zowel voor wat betreft huisvestingsmogelijkheden als de zorg voor de kinderen vrijwel identiek is, ziet de voorzieningenrechter geen reden om de huidige situatie te wijzigen.

Conclusie:
Uit deze korte uitspraak komen een aantal elementen naar voren welke ook in soortgelijke jurisprudentie een rol spelen bij het bepalen van aan welke echtgenoot een gezamenlijke huurwoningen toekomt.

  1. Huur: het belangrijk wie op het contract staat als huurder. In het geval dat er sprake is van mede-huur zullen beide partners er samen uit moeten komen. Als zij hiertoe niet in staat zijn dan kan de rechtbank om een beslissing worden verzocht.

    In het geval dat er slechts één huurder op de overeenkomst staat dan is deze de enige die rechten kan doen gelden ten aanzien van de huurwoning. De ander zal het pand dan moeten verlaten.

  2. Kinderen: als er kinderen in het spel zijn en er is sprake van medehuur dan is de vraag wie het onderhoud van de kinderen op zich neemt. In het geval van co-ouderschap speelt dit geen rol omdat beide ouders de kinderen dan verzorgen maar als één van de ouders voor de kinderen zorgt dan is de kans groot dat deze de woning toegewezen krijgt.
  3. Is er reeds iemand vertrokken? Als de verblijfssituatie van beide ouders ongeveer gelijk is dan het huis worden toegewezen aan degene die daar is blijven wonen. Slechts als er een grondige reden is om de situatie te veranderen (zoals bijvoorbeeld de zorg voor kinderen) zal de rechter de woning aan de partner toewijzen die eerder uit huis ging.

Alles pivoteert dus op de vraag of er sprake is van medehuur. Als dit niet het geval is dan houdt het meteen op omdat slechts de huurder rechten en verplichtingen ten aanzie van de huurwoning heeft. Als er wel sprake is van medehuur, wordt er gekeken naar de omstandigheden van de beide huurders. Daarbij is van belang of één van beide reeds de woning heeft verlaten alsmede wie eventueel de zorg voor de aanwezige kinderen zal dragen.

Bron:
ECLI:NL:RBOBR:2014:2351

Na een echtscheiding wordt er vaak partneralimentatie toegewezen. Op grond van artikel 1:160 BW eindigt deze verplichting wanneer de ex-partner opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak duidelijk gemaakt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd vanwege het definitieve en onherroepelijke karakter ervan.

De feiten:
De vrouw en de man zijn in 2007 met elkaar gehuwd. De man heeft de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft geen verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen, de rechtbank heeft vervolgens echtscheiding uitgesproken. De vrouw tekende hoger beroep aan waarbij zij verzocht om partneralimentatie ter hoogte van € 2.250,– per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek om partneralimentatie.

Bij het hof:
De man stelde dat de vrouw al geruime tijd met een ander samenwoonde als ware zij gehuwd. De man stelt dat de vrouw in 2011 zwanger is geraakt van een ander en een kind heeft gekregen. Het staat vast dat de man niet de biologische vader is. Voorts zou de vrouw op 1 september 2011 een e-mail heeft gestuurd aan de ouders van de persoon met wie zij samenwoont en staat zij slechts voor de vorm ingeschreven op het adres van haar vader. De man heeft nauwkeurig aangegeven vanaf welke datum de vrouw met een ander samenwoont. De vrouw heeft het standpunt van de man niet (gemotiveerd) weersproken.

Het hof heeft overwogen dat er een duidelijk bewijsvermoeden bestaat dat de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. De vrouw heeft dit bewijsvermoeden niet weersproken, hetgeen wel op haar weg lag. Het hof stelt dat voldaan is aan de vereisten van artikel 1:160 BW en de onderhoudsplicht voor de man eindigt.

Oordeel van de Hoge Raad:
De vrouw ging in cassatie. Zij voert aan dat het hof heeft miskend dat art. 1:160 BW definitief een einde maakt aan de onderhoudsplicht en daarom restrictief dient te worden toegepast, terwijl strenge motiveringseisen gelden voor de rechterlijke beslissing om een beroep op art. 1:160 BW te honoreren.

De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van artikel 1:160 BW het enkele samenwonen met een ander niet voldoende is. Er dient sprake te zijn van een affectieve relatie tussen samenwoners van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Gezien het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de bepaling moet deze restrictief wordt uitgelegd, niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen.

Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door enkel genoemde vaststellingen te gebruiken om het bewijsvermoeden dat voldaan is aan de eisen van art. 1:160 BW te onderbouwen. Het hof heeft slechts gekeken naar het feitelijk samen wonen en niet getoetst of ook sprake was van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en die ander.

Er volgt verwijzing naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling

Conclusie:
De man zal niet blij zijn maar een dergelijke uitslag viel wel te verwachten. De term ‘samenwonen als ware zij gehuwd’ als bedoeld in artikel 1:160 BW omvat meer dan het feitelijk samenwonen. Er moet een affectieve relatie van duurzame aard zijn tussen samenwoners die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Hiermee wordt aangesloten bij de verplichtingen die tussen echtelieden bestaan ingevolge 1:81 BW; Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen.

Deze uitleg door de Hoge Raad behoort ook tot de vaste jurisprudentie. Zij verwijst in dat verband onder meer naar HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603, NJ 2001/586 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961, NJ 2005/381.

Wat in de hele gang van zaken wel merkwaardig is, is dat de vrouw bij het hof kennelijk niet heeft gesproken over de relatie in de zin dat er geen affectieve relatie is met wederzijdse zorgplicht en dat dit door de man evenmin gesteld is. Beide partijen hadden zich een nodeloos lange procesgang kunnen besparen door aspect wel mee te nemen.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1246

De rechtspraak aangaande boedelverdelingen na een echtscheiding is meestal weinig spectaculair. Gewoonlijk gaat het om de afwikkeling van wat simpele dingen als wie de lamp krijgt. In een dergelijke verder vrij standaard boedelscheiding stond een opmerkelijke zinsnede waarbij een website werd toegedeeld als deel van de boedel. Het is zeer waarschijnlijk de eerste keer dat een website deel uitmaakt van een boedelscheiding.

De uitspraak:
De relevante passage is vrij kort en er worden weinig woorden besteed aan de website als zodanig:

4.2. Goederen

4.2.1. Partijen zijn het er over eens dat de twee honden [hond 1] en [hond 2] die reeds in het bezit van de man zijn zonder verdere verrekening aan de man worden toebedeeld en dat de inboedel voor zover nog in het bezit van de vrouw zonder verdere verrekening aan haar zal worden toebedeeld. De rechtbank overweegt daarbij dat de schilderijen van [X] en het camerabewakingssysteem daar niet onder vallen, aangezien de vrouw verklaart dat deze niet in haar bezit zijn omdat de man deze goederen reeds heeft meegenomen. Verder is niet in geschil dat de website zonder verdere verrekening aan de vrouw kan worden toebedeeld.
De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.

Interessant is niet de toedeling van de website aan de vrouw. Aan de toedeling an sich zitten geen juridische haken en ogen. Wel interessant is de kwalificatie die website hier krijgt. De website wordt namelijk genoemd onder goederen.

De kwalificatie van de site:
De website wordt genoemd onder het kopje goederen waarmee we moeten aannemen dat de website als een goed kan worden gezien. Volgens artikel 3:1 BW zijn goederen alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel 3:2 BW definieert vervolgens een zaak als een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Een website is weliswaar voor menselijke beheersing vatbaar maar beslist geen stoffelijk object. Resteert artikel 3:6 BW welke vermogensrechten definieert als rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.

De definitie van vermogensrechten sluit zonder meer het meest aan bij het begrip “website”. De vraag ligt echter nog open of een website een vermogensrecht is, en daarmee een enkel goed of slechts een verzameling van vermogensrechten en eigenlijk een verzameling goederen. Anders gezegd: is een website meer dan de som der samenstellende delen?

Sowieso bestaat een website uit verschillende onderdelen waarop verschillende rechten van toepassing kunnen zijn. Zo kunnen de artikelen op een website onder de het auteursrecht van de schrijver vallen en kunnen en afbeeldingen onder het auteursrecht van de fotograaf vallen maar er kan ook sprake zijn afbeeldingen waarvoor een licentie is afgenomen door de maker van de website. Ook is er het recht op het gebruik van een domeinnaam. Dat derhalve op de samenstellende elementen van een website vermogensrechten van toepassing zijn is algemeen geaccepteerd.

Maar is de website zelf ook een zelfstandig goed? Moet de website zelf bijvoorbeeld worden gezien als een vermogensrecht in de zin van het auteursrecht? Dat kan verdedigd worden als het gaat om een website met een origineel ontwerp, maar wat als er een kant-en-klaar websiteontwerp wordt gebruikt? Een dergelijke site zal minder snel onder het bereik van het auteursrecht vallen. Is het antwoord op de vraag of een website een zelfstandig vermogensrecht is derhalve afhankelijk van de casuïstiek?

We kunnen ook nog de vraag stellen of we in dit verband het überhaupt wel wenselijk moeten vinden om een website als een zelfstandig vermogensrecht aan te merken en dat voor bijvoorbeeld toedeling bij een boedelscheiding altijd alle relevante vermogensrechten die met de website samenhangen toegedeeld moeten worden.

De uitspraak van de rechter geeft helaas geen verdere indicatie of een website als verzameling vermogensrechten of als zelfstandig vermogensrecht moet worden gezien. In ieder geval kan een website kennelijk geschaard worden onder kopje goederen. Daarmee wordt echter wel de deur opengezet naar veel vragen over hoe we een website moeten zien binnen het vermogensrecht.

Bron:
LJN: CA0058, Rechtbank Roermond

Vandaag een interessante zaak over de vraag of verkoopgegevens van woningen die in het kader van de afwikkeling van een echtscheiding of erfenis zijn verkocht bruikbaar zijn voor de WOZ-waardering.

De WOZ-waarde:
Ik heb al vaker vermeld dat de WOZ waarde van groot belang is voor eigenaren van huizen. De WOZ-waarde van een woning is de geschatte marktwaarde op de waardepeildatum. In januari of februari krijgt een eigenaar een WOZ-beschikking. Hierin staat de WOZ-waarde van de woning zoals vastgesteld door de gemeente. De gemeente baseert de WOZ-waarde van een woning onder meer op de ligging, inhouds- en oppervlaktegegevens en met vergelijksobjecten. De WOZ-waarde is belangrijk omdat er meerdere belastingen op gebaseerd zijn. De WOZ is de grondslag voor onder andere:

  • Eigenwoningforfait
  • Onroerendezaakbelasting
  • Afvalstoffenheffing
  • Rioolheffing
  • Watersysteemheffing
  • Erfbelasting
  • Schenkbelasting

De zaak:
Zoals gebruikelijk bij WOZ zaken spitst het geschil zich hier toe op gebruikte vergelijkingsobjecten om de waarde vast te stellen. De heffingsambtenaar heeft een vergelijkingsobject buiten beschouwing gelaten omdat het door een echtscheiding onder marktwaarde is verkocht.

De rechtbank overwoog [rov. 4.4.] aangaande het verkoopcijfer van het vergelijkingsobject:

“Deze transactie is, naar verweerder onbestreden heeft gesteld, tot stand gekomen na een echtscheiding. Vanwege deze omstandigheid staat niet vast dat is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.”

In hoger beroep stelt de belanghebbende dat de Heffingsambtenaar ten onrechte het object buiten beschouwing heeft gelaten op grond van de omstandigheid dat dit object door echtscheiding onder de marktwaarde verkocht is. Er was weliswaar sprake van een echtscheiding van de verkopers, maar de uiteindelijke verkoopprijs is op normale wijze tot stand gekomen. Er is overigens niet in het geding dat het object vergelijkbaar is met de woning van belanghebbende zelf. [rov. 4.5.]

De Heffingsambtenaar stelt dat verkoopgegevens van objecten, die in het kader van de afwikkeling van een echtscheiding of erfenis zijn verkocht, niet bruikbaar zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt gebruikt hij standaard jurisprudentie en voorschriften van de Waarderingskamer. [rov. 4.6.]

Overweging van het Hof:
Het standpunt van de Heffingsambtenaar is niet juist. Het enkele gegeven dat een onroerende zaak wegens een echtscheiding van de verkopers is verkocht, brengt nog niet mee dat de bij verkoop gerealiseerde marktprijs niet voldoet aan de voor de vaststelling van de WOZ waarde geldende normen. Dit is slechts anders als de Heffingsambtenaar stelt (en bij betwisting aannemelijk maakt) dat de echtscheiding een (neerwaartse) invloed heeft gehad op de prijsvorming.

In dit geval is er volstaan met een constatering dat de verkopers van het vergelijkingsobject gingen scheiden. Derhalve neemt het Hof het vergelijkingsobject mee bij het vaststellen van een nieuwe WOZ-waarde. [rov. 4.7.]

Conclusie:
Dat verkopers van een pand gaan scheiden betekent nog niet dat het pand als vergelijksobject op enkel en alleen die grond buiten beschouwing gelaten moet worden. De bij verkoop gerealiseerde marktprijs kan immers best voldoen aan de normen die gelden voor de vaststelling van de WOZ-waarde. Dit kan anders zijn als de echtscheiding een (neerwaartse) invloed heeft gehad op de prijsvorming.

Een dergelijke beslissing is niet onlogisch van het Hof. Het enkele feit dat er een echtscheiding plaatsvindt hoeft niet direct tot gevolg te hebben dat de prijsvorming niet voldoet aan de eisen van de WOZ-prijsvorming. Dit betekent dat de Heffingsambtenaar bij de motivatie van een beschikking/bezwaar/beroep weer een extra punt heeft om op te letten.

Bron:
LJN: BZ5027, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch