De waardebepaling van woningen bij erfbelasting blijft een heikel punt. In wordt met artikel 21 lid 5 SW aangesloten bij de WOZ-waarde van een huis. Deze WOZ-waarde is echter gebaseerd op de waarde van de woning per 1 januari van het voorafgaande jaar. In een sterk dalende markt betekent dat er soms een fors gat zit tussen de waarde op de peildatum en wat het huis daadwerkelijk waar is op het moment van overlijden. Erfgenamen moeten dan eigenlijk belasting betalen over vermogen wat ze niet daadwerkelijk erven en hebben veelal geen liquiditeiten om een belastingbedrag op te hoesten. Onder omstandigheden zal de rechter een correctie toepassen als er sprake is van een buitensporige last voor belanghebbende. In onderhavige zaak paste de rechtbank een dergelijke correctie toe. Dit behandelde ik reeds in een artikel dat ik in 2012 schreef. Hof Amsterdam is echter een andere mening toegedaan

De feiten:
Belanghebbenden erfden in 2010 een woning. De WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2010, naar de waardepeildatum 1 januari 2009, bedraagt € 840.000. De WOZ-waarde van de woning is voor het kalenderjaar 2011, naar de waardepeildatum per 1 januari 2010, vastgesteld op € 762.500. In de aangifte voor de erfbelasting is aan de woning een waarde van € 762.500 toegekend, zijnde de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2010. Met het oog op artikel 21 lid 5 SW heeft de inspecteur de waarde gecorrigeerd naar € 840.000. Net als in het eerdere artikel is in geschil of artikel 21, vijfde lid, Successiewet 1956 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Oordeel en overwegingen van het hof:
Artikel 1 van het Eerste Protocol garandeert het recht op ongestoord genieten van eigendom maar bevestigt ook expliciet het recht van Staten om belasting te heffen zolang daarbij de rechten die het EVRM geeft maar worden gerespecteerd. Het begrip eigendom moet ruim worden uitgelegd en ook rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen moeten hieronder worden begrepen.

Het Hof is van oordeel dat er weliswaar een recht is op het ongestoorde genot van de geërfde woning en dat de onderhavige heffing van belasting daarop een inbreuk vormt, maar dat deze inbreuk gerechtvaardigd is. De wetgeving is op regelmatige wijze tot stand gekomen en is voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening. Met de nationale wetgeving wordt bovendien een legitiem algemeen belang nagestreefd.

Het vonnis van het hof laat vervolgens duidelijk de proportionaliteitstoetsing op twee niveaus zien. Het gaat hierbij om de vraag of er een redelijke proportionaliteit bestaat tussen het individuele belang van de door deze heffing getroffen belastingplichtigen en het algemeen belang. Allereerst op het niveau van regelgeving en vervolgens op individueel niveau.

Het hof geeft geheel in lijn met vaste jurisprudentie van het HvJEU aan dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) toekomt wat betreft de beoordeling van wat in het algemeen belang is, alsmede bij de keuze van de middelen om dit belang te dienen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het gebruik van de WOZ-waarde leidt tot een belangrijke vereenvoudiging in de wet, zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen. Voor deze vereenvoudiging is essentieel dat de WOZ-waarde in zoveel mogelijk gevallen wordt gebruikt en dat daarmee discussies over de waarde worden vermeden.

Het Hof is van oordeel dat de vereiste ‘fair balance’ tussen het algemene belang en de bescherming van de met deze wetgeving gemoeide individuele belangen van betrokken belastingplichtigen niet is geschaad. De wetgever heeft als doel gehad een praktische en eenvoudige regeling voor de waardering van eigen woningen te treffen. Daarbij is aanvaard dat de relevante waarderingsdatum minimaal 12 en maximaal 24 maanden ligt vóór de overlijdensdatum. Van de afwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan deze keuze kan niet worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontberen.

Dan gaat het hof over tot het toetsen van proportionaliteit op individueel niveau. In dat kader wordt gekeken of belanghebbenden als gevolg van de onderhavige heffing een buitensporige last dragen (‘individual and excessive burden’). Zo er al sprake is van een vervluchtigde waarde, bedraagt deze hooguit € 40.000. Dit is gering in vergelijking met de verkrijging als geheel (waarin begrepen de woning). Er is dan ook geen sprake van een buitensporige last voor belanghebbenden. De woning moet dus in de aangifte erfbelasting worden opgenomen voor de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2010 (waardepeildatum 1 januari 2009).

Conclusie:
Met deze uitspraak wordt eens te meer geïllustreerd hoe casuïstisch de toepassing van artikel 21 lid 5 SW is. De rechter zal vrijwel altijd van oordeel zijn dat de belastingheffing een gerechtvaardigde inbreuk is op artikel 1 Eerste Protocol en dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven waar het gaat om de proportionaliteitstoets aan de wet. Het breekpunt is vrijwel altijd of er sprake is van een buitensporige last voor belanghebbenden tengevolge van toepassing van de regelgeving. In het eerdere artikel wat ik schreef was de rechter nog van oordeel dat de last buitensporig was, het hof ziet dit anders omdat de vervluchtiging van de waarde minimaal is in verhouding tot de totale waarde van de nalatenschap.

Of dit nu als een buitensporige last gezien moet worden, kan uren over gediscussieerd worden. Zelf ben ik de mening toegedaan dat een gat van minstens 12 maanden en maximaal 24 maanden tussen het moment van waardebepaling en moment van overlijden wel erg groot is met name in de rap fluctuerende marktwaardes in het huidige economische klimaat. Aan de andere kant valt er ook wel wat te zeggen voor eenvoud van het systeem.

Het vonnis is in ieder geval zeer de moeite waard om eventjes na te lezen. Het is heel goed zichtbaar hoe het Hof stapsgewijs te werk gaat met de toetsing van de regelgeving.

Bron:
Gerechtshof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2013:4593

Op woensdag 18 december hebben de ministers van Financiën van de Europese lidstaten een akkoord bereikt over de bankenunie. Het voorstel leidt tot oprichting van een nieuwe Europese toezichthouder, het Single Supervisory Mechanism, en een nieuwe noodfonds, het Single Resolution Mechanism. De nieuwe toezichthouder zal opereren onder de naam Single Resolution Board en krijgt een centrale rol bij de afwikkeling van banken die in zwaar weer verkeren in de bankenunie. De regels die gaan gelden binnen de bankenunie zijn op 11 december al beklonken tussen de Raad en het Parlement. Deze regels zijn al behandeld in nieuwsbrief 26 dus voor een uitgebreid overzicht verwijs ik daar naar terug. Het uitgangspunt van de regelgeving is dat verliezen of kosten van het voor het versterken van kapitaalbuffers zoveel mogelijk worden afgewenteld op investeerders in de bank.

Het Single Resolution Mechanism moet de vorm krijgen van een Europees resolutiefonds dat privaat wordt gefinancieerd door de banken. Over een periode van 10 jaar wordt het fonds volgestort door alle banken die deelnemen in de bankenunie. Het totaalbedrag zal uiteindelijk 55 miljard bedragen. Dit is de achtervang voor kosten die niet door middel van het bail-in systeem gefinancieerd kunnen worden. Het fonds kan op zijn vroegst van af januari 2016 ingezet worden na een minimale bail-in van 8% van het balanstotaal.

Naar huidige verwachtingen is de bail-in eis van 8% afdoende om eventuele problemen van individuele banken op te lossen. Als het goed is zal het fonds dus niet vaak gebruikt worden. Desondanks gaat komende jaren toch nog doorgewerkt worden aan een publieke achtervang voor het fonds. Volgens dit systeem moet mogelijk worden om in absolute noodsituaties geld te lenen aan het resolutiefonds wat vervolgens terugbetaald moet worden door alle banken die deelnemen aan de bankenunie.

Bron:
December summit – Council Conclusions via europa.eu (PDF)
Main results of the Economic and Financial Affairs Council via europa.eu (PDF)
Council agrees general approach on Single Resolution Mechanism via europa.eu (PDF)

Vandaag duiken we andermaal in het internationale belastingverkeer met de zaak over de teruggaaf van dividendbelasting aan een Fins open-end beleggingsfonds. In nieuwsbrieven nrs. 10 en 11 van dit jaar is er al kort aandacht aan besteed. Ik besloot toen met de opmerking dat de Hoge Raad er waarschijnlijk aan te pas zou komen vanwege de grote financiële belangen voor de Staat. Dat bleek een correcte observatie te zijn. Nog geen drie dagen later werd in de Tweede Kamer gesproken over de mogelijkheid dat de uitspraak van het Hof kan leiden tot een aanzienlijk gat in de overheidsfinanciën. De staatssecretaris antwoordde dat er inderdaad een gat in de overheidsfinanciën kan ontstaan. De staatssecretaris was het evenmin eens met de vergelijking van het Finse beleggingsfonds en Nederlandse rechtspersonen die eveneens niet zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting.

De cassatie is er gekomen en op 15 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan.

Open-end fondsen:
Voor degenen die niet zo bekend zijn met de financiële wereld is het handig om eerst even uit te leggen wat een open-end fonds precies is en wat ze te maken hebben met vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Wie dit niet interessant vind kan deze paragraaf overslaan en verdergaan bij het kopje: De feiten.

Zoals eerder vermeld is een fonds gewoonlijk een kapitaalvennootschap welke dient als knooppunt van het vermogen van beleggers. De totale som geld is het fondsvermogen en daarmee wordt belegd. Beleggers kopen aandelen in het fonds en beleggen daarmee indirect in de onderliggende bedrijven. Het fonds heeft inkomsten (bijvoorbeeld dividend) en kosten (bijvoorbeeld beheerskosten) en er zijn waardeschommelingen in de aangekochte aandelen. Positieve en negatieve resultaten worden vervolgens doorgegeven aan de belegger als koersschommelingen van het fonds en bij goede prestaties ook als dividend.

Een open end beleggingsfonds is een beleggingsfonds waarbij het aantal aandelen gedurende de looptijd van het fonds niet vast staat, dit in tegenstelling tot een closed-end beleggingfonds wat niet zomaar nieuwe aandelen uit kan geven. Technischer gesteld gaat het om een fonds waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de belegger ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Er is dus een doorlopende verplichting tot inkoop en uitgifte van deelnemingsrechten (vaak aandelen maar het kunnen ook andere deelnemingsrechten zijn). Deze verplichting kent een vast stramien.

De waarde van het deelnemingsrecht voor inkoop of uitgifte periodiek komt tot stand tegen de intrinsieke waarde van het fonds. Dit komt omdat er bij een open-end fonds precies zoveel aan waarde aan deelnemingsrechten wordt buigegeven als er nieuw geld in het fonds stroomt. De intrinsieke waarde is de theoretische waarde van een deelnemingsrecht welke bestaat uit het verschil tussen de de bezittingen en de vorderingen op korte en lange termijn. Het beoogde gevolg is externe invloed op de prijsvorming van de vraag en aanbod op dat moment te minimaliseren.

Zoals gezegd geldt voor fondsen vaak dat het kapitaalvennootschappen zijn en als zodanig zijn zij gewoonlijk in het land van vestiging onderworpen aan vennootschapsbelasting. Wel is er vaak een gunstig regime voor fondsen omdat een land er economisch belang bij heeft dat er tegen gunstige voorwaarden belegd kan worden. Alles wat niet aan de fiscus hoeft te worden betaald komt de waarde van het fonds ten goede, belastingen zijn immers een kostenpost voor het fonds. Over dividenden die het fonds ontvangt wordt vaak dividendbelasting ingehouden. Als hoofdregel is het mogelijk om dividendbelasting af te trekken van verschuldigde vennootschapsbelasting.

De feiten:
Belanghebbende is een in Finland gevestigd “open-end” beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Er is in Nederland dividendbelasting geheven over uitgekeerde dividenden. In Finland heeft belanghebbende deze dividendbelasting niet kunnen verrekenen omdat hij aldaar is vrijgesteld van belastingheffing naar de winst. Als het fonds in Nederland zou zijn gevestigd, zou het aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

Onder omstandigheden kunnen Nederlandse rechtspersonen die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting wel een deel van de ingehouden dividendbelasting terugvragen van de Belastingdienst op grond van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965. Dit is om economische dubbele belasting over de winst van een in Nederland gevestigde vennootschap te voorkomen, voor zover deze winst bij wijze van dividend wordt uitgekeerd aan in Nederland gevestigde lichamen die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Lichamen die gevestigd zijn in andere lidstaten van de EU kunnen ook de dividendbelasting terugvragen als zij in hun eigen land niet onder een winstbelasting vallen en bij vestiging in Nederland ook zouden zijn vrijgesteld.

Het fonds verzocht de Nederlandse fiscus om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. De fiscus weigerde dit en het fonds ging in beroep. De vraag is of de ingehouden dividendbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 56 EG, thans artikel 63 VWEU.

Bij het hof:
Het hof oordeelde dat de omstandigheden van het Finse fonds te vergelijken waren met de situaties waarvoor de teruggaafregeling is bedoeld. De fiscus moest teruggaaf verlenen, anders zou sprake zijn van strijd met artikel 56 EG.

Oordeel in cassatie:
De Hoge Raad stelt dat eerst moet worden beoordeeld of de situatie belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde vennootschap die onder het bereik van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 valt. Uit vaste jurisprudentie van het HvJEU volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een lidstaat bij belastingheffing vennootschappen uit een andere lidstaat discrimineert, in de regel niet van belang is hoe die baten door die andere lidstaat fiscaal worden behandeld. Een lidstaat heeft geen verplichting om bij belastingheffing (automatisch) een door een andere lidstaat aan een daar gevestigde vennootschap verleende fiscale faciliteit over te nemen.

De enkele omstandigheid dat het fonds in Finland is vrijgesteld van winstbelasting maakt nog niet dat het vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtspersoon die niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting. Indien het fonds in Nederland gevestigd zou zijn, zou het wel zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting. Het behoort daardoor niet tot de groep waarvoor de tegemoetkoming van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 bedoeld is. Hierin ligt geen discriminatie besloten.

De bepaling heeft als doel om zowel geen vennootschapsbelasting als ook geen dividendbelasting te doen drukken op dividenden voor bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Het doel van die bepaling strekt zich niet uit tot andere rechtspersonen.

Conclusie:
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie hoeven we in de regel niet te kijken naar hoe andere staten hun belastingheffing hebben geregeld noch hoeven we gelijke fiscale faciliteiten te bieden. Dat het fonds in Finland is vrijgesteld betekent niet dat je het één op één kunt vergelijken met een rechtspersoon die in Nederland is vrijgesteld. De regeling van artikel 10 lid 1 DB is bedoeld om er voor te zorgen dat als je in Nederland naar de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting, je niet over ontvangen dividenden alsnog dividendbelasting moet betalen. Als je bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting dan heb je immers niets om de dividendbelasting mee te verrekenen.

Het Finse fonds zou in Nederland gewoon onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting dus het heeft pech. De dividendbelasting blijft gewoon in de Nederlandse knip en de Tweede Kamer en staatssecretaris hebben vooralsnog weer één probleem minder. Het fonds kan hooguit nog in beroep gaan bij het HvJEU.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1128
Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9630

Op 13 november heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Amsterdam het goedkeuringsbesluit van het CBP over de Gedragscode Zorgverzekeraars vernietigd.

Een zorgverzekeraar zal nu eenmaal persoonsgegevens moeten kunnen verwerken om zijn primaire taak goed uit te kunnen voeren. Met de verkregen persoonsgegevens dient echter bijzonder zorgvuldig te worden omgesprongen mede omdat het om medische gegevens gaat. Het is op grond van artikel 16 Wbp in beginsel verboden om persoonsgegevens aangaande iemands gezondheid te verwerken. Het is echter mogelijk om onder artikel 23 een ontheffing te krijgen van het CBP voor zover verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en er passende waarborgen worden getroffen om de persoonlijke levenssfeer te beschermen.

Het CBP heeft een goedkeurend besluit afgegeven ten aanzien van de Gedragscode Zorgverzekeraars waarmee zij de mogelijkheid kregen om (medische) persoonsgegevens te verwerken zoals vermeld staat in deze code. Stichting KDVP was het met dit goedkeuringsbesluit niet eens en spande een zaak aan. De doelstelling van stichting KDVP is het behoud van privacy en vertrouwelijkheid binnen de GGZ door het beheer van privacygevoelige informatie geheel te laten bij cliënt en hulpverlener.

Strijd met het EVRM:
De rechtbank oordeelt dat de Gedragscode in strijd is met privacybeginselen, neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Er zijn geen eenduidig omschreven doelstellingen in de Gedragscode Zorgverzekeraars voor de verwerking van de medische persoonsgegevens opgenomen. De verwerking van medische gegevens vormt een inbreuk op de privacy van patiënten en het beroepsgeheim van zorgverleners. Er is voor de doelstellingen niet (voldoende) getoetst op proportionaliteit en subsidiariteit zoals het EVRM vereist. Tevens is er ten onrechte geen onderzoek gedaan naar alternatieve methodes voor gegevensverwerking die geen inbreuk vormen op privacy en het beroepsgeheim.

Function creep:
Een ander struikelpunt is de mogelijkheid van de functioncreep. De persoonsgegevens zijn beschikbaar voor meerdere bedrijfsprocessen en de mogelijkheid voor het gebruik van medische gegevens voor marketingactiviteiten onder de noemer zorgbemiddeling zelfs mogelijk zou zijn. Er is weliswaar een doelbindingsbeginsel opgenomen in de gedragscode maar het uitzonderingsartikel is volgens de rechtbank onvoldoende gespecificeerd. Het is hierdoor niet duidelijk onder welke omstandigheden door wie en op welke gronden het doelbindingsbeginsel opzij kan worden gezet. Er is dus een risico op oneigenlijk gebruik van verkregen persoonsgegevens.

Strijd met eerdere rechterlijke uitspraken:
De rechtbank overweegt ten slotte dat het CBP voorbij gaat aan eerdere uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) met betrekking tot de betekenis van privacy, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim bij de behandeling van psychische klachten. Deze uitspraak had betrokken moeten worden bij een verbijzondering van bepalingen voor geestelijke gezondheidszorg in de Gedragscode.

De uitspraak van het CBB gaat er over dat bij de behandeling van psychische klachten moet bezwaar kunnen worden gemaakt tegen de verplichte uitwisseling van diagnose-informatie tussen zorgverlener en zorgverzekeraar. Overigens is een dergelijke verplichting als uitgangspunt voor elektronische verwerking van het dataverkeer tussen zorgverzekeraar en zorgverlener niet per saldo onrechtmatig mits er uitzonderingsmogelijkheden zijn ingebouwd. Het gaat namelijk wel om informatie die wordt verkregen onder het medisch beroepsgeheim en op dergelijke wijze onder ogen komt van mensen die niet zijn gebonden door het medisch beroepsgeheim noch onder het medisch tuchtrecht vallen. Bij psychische gezondheidszorg gaat het om informatie die de kern van het privé-leven raakt en daarom zeer privacygevoelig is.

De rechtbank stelt vast dat de Gedragscode onvoldoende waarborgen bevat aangaande de verwerking van dergelijke persoonsgegevens. Daarmee bestaat er een kans dat de geheimhoudingsplicht ten aanzien van gezondheidsgegevens niet wordt nageleefd wanneer er een overstap plaatsvindt naar een digitaal systeem. De rechtbank acht daarbij van belang dat digitale verwerking van persoonsgegevens de mogelijkheid met zich meebrengt dat derden tot die gegevens toegang krijgen en de gegevens worden gebruikt voor bijvoorbeeld marketingdoeleinden. Hiermee is de doelbinding onvoldoende verzekerd.

Oordeel van de rechtbank:
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt het CBP om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over door vereniging Zorgverzekeraars Nederland te maken aanpassingen aan de Gedragscode.

Conclusie:
Er is volgens het vonnis van de rechtbank behoorlijk wat mis met de Gedragscode. Door de verwerking van medische persoonsgegevens aan te wenden voor verschillende bedrijfsprocessen is er geen sprake van helder en limitatief omschreven doelstellingen van gegevensverwerking zoals het EVRM vereist. Dit werkt functioncreep en het oneigenlijk gebruik van persoonsgegevens in de hand. Ook is het CBP voorbij gegaan aan een uitspraak van het CBB omdat er onvoldoende waarborgen zijn getroffen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens welke betrekking hebben op geestelijke gezondheidszorg.

De vereniging Zorgverzekeraars Nederland moet dus terug naar de tekentafel en het CBP zal een nieuw oordeel moeten gaan vellen. Dit alles zal binnen zes weken plaats moeten vinden. Het verhaal is dus lang nog niet afgelopen. De stichting KVDP heeft echter patiënten in het algemeen en die van geestelijke gezondheidszorg in het bijzonder een dienst bewezen.

Rechtbank Amsterdam vernietigt het CBP goedkeuringsbesluit van de Gedragscode Zorgverzekeraars wegens strijdig zijn met privacybeginselen en negeren van een eerdere rechterlijke uitspraak via KVDP.nl
Rb. Amsterdam 13/11/2013, zaaknr. AMS 12/984 via KVDP.nl

Vorige week werd al bekend dat de bouwer van de Fyra treinen, AnsaldoBreda, bot had gevangen in het kort geding tegen NS en NMBS. De uitspraak was door de rechter vanwege de korte termijn nog niet voorzien van motivatie. Op 8 juli is dit wel gebeurd dus nu kunnen we een kijkje nemen op welke gronden dit is gebeurd.

De feiten en vorderingen:
De aanloop zal iedereen wel bekend zijn. De NS en NMBS hebben bij AnsaldoBreda de Fyra besteld welke met name bekend staat vanwege het feit dat zijn niet rijdt. De toestand met de treinen leidde er uiteindelijk toe dat de Belgische spoorautoriteit DVIS een verbod legde op het rijden van de treintoestellen langs de Belgische L4-lijn, de NMBS de overeenkomst ontbond en de NS vooralsnog haar verplichtingen opgeschort.

AnsaldoBreda was daar niet blij mee en vordert nu voor de rechter in een kort geding dat NS en NMBS moeten meewerken aan de benoeming van deskundigen door de voorzieningenrechter met als opdracht onderzoek te verrichten naar:

  • de veiligheid en kwaliteit van de treinen
  • de gebreken die onder de warranties vallen
  • een realistisch tijdsschema voor het herstel van gebreken en het in commercieel gebruik nemen van de treinen

Dit alles onder vaststelling van een uiterste rapportagedatum.

Daarnaast vordert AnsaldoBreda nog dat NS en NMBS worden geboden om direct na het ter beschikking komen van het deskundigenrapport met AnsaldoBreda in overleg te treden over de mogelijkheden en wijze van uitvoering van de Overeenkomsten en dat NS en NMBS worden verboden om, tot twee maanden na de datum van het deskundigenrapport, uitvoering te geven aan hun ontbindingsverklaring c.q. opschortingsverklaring met betrekking tot de Overeenkomsten.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Allereerst overweegt de rechter dat hier sprake is van een internationaal geschil. De rechter onderzoekt ambtshalve of hij bevoegd is in deze zaak. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het in dit kort geding tussen hen aan de orde zijnde geschil onder de reikwijdte valt van de forumkeuze zoals uit de overeenkomst blijkt. Op grond van deze forumkeuze geldt dan ook dat de voorzieningenrechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

Volgens artikel 3 van de Rome-I verordening geldt als hoofdregel dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat zij voor het Nederlandse recht met uitsluiting van het Weens Koopverdrag hebben gekozen. Het geschil zal derhalve naar Nederlands recht worden beoordeeld.

Ten aanzien van de eis om deskundigen aan te wijzen stelt de voorzieningenrechter vast dat er in de overeenkomst geen bepalingen staan die een dergelijke strekking hebben. De aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid zouden wel een grondslag voor een dergelijke vordering kunnen vormen als NMBS en NS zich ten onrechte beroepen op ontbinding en/of niet-voortzetting van de overeenkomsten en/of opschorting van hun verplichtingen tegenover AnsaldoBreda. Dan is het in beginsel aan hen toe te rekenen dat sprake is van een situatie die door AnsaldoBreda wordt ervaren als een impasse.

Daarvan is echter in dit geval geen sprake nu NMBS haar overeenkomst bij brief van 3 juni 2013 buitengerechtelijk heeft ontbonden. Als uitgangspunt geldt dan ook dat deze overeenkomst niet meer bestaat en dat NMBS vanaf 3 juni 2013 niet meer tot nakoming van deze overeenkomst kan worden aangesproken. Dit kan slechts anders zijn als het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat NMBS ten onrechte de ontbinding van de NMBS Overeenkomst heeft ingeroepen. AnsaldoBreda slaagt er echter niet in om dit aannemelijk te maken.

De NS is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtigd om haar verplichtingen op te schorten. De DVIS heeft een verbod uitgevaardigd voor het rijden met Fyra treinstellen op de L4 verbinding terwijl AnsaldoBreda zich had verplicht dat er wel toestemming zou zijn. AnsaldoBreda heeft dus niet op tijd aan haar verplichtingen voldaan en is in verzuim.

De vordering voor de benoeming van deskundigen door de voorzieningenrechter worden derhalve afgewezen. In het verlengde daarvan worden de daarvan afhankelijk gestelde vorderingen ook afgewezen.

Conclusie:
AnsaldoBreda krijgt er van de voorzieningenrechter stevig van langs. Alle vorderingen worden afgewezen. AnsaldoBreda is in verzuim en heeft niet op tijd aan haar verplichtingen voldaan. NMBS heeft haar overeenkomst al buitengerechtelijk ontbonden en de voorzieningenrechter acht de kans kennelijk niet groot dat in bodemprocedure dit teruggedraaid zal worden. NS heeft terecht haar verplichtingen vooralsnog opgeschort en ook dit heeft in kort geding stand gehouden.

Het ligt in de lijn der verwachting dat het laatste woord hier nog niet over is gesproken. Gezien de (financiële) belangen die op het spel staan zal er waarschijnlijk nog wel een bodemprocedure komen. Bovendien zal NS wellicht ook de reeds betaalde bedragen terug willen als de treinstellen inderdaad ondeugdelijk zijn. De kans dat er dan alsnog een traject met een paar door de rechter aan te wijzen deskundigen start, is aanwezig.

Bron:
ECLI:NL:RBMNE:2013:2640, Rechtbank Midden-Nederland