Het mechanisme van de hyperlink is praktisch de basis die het WWW mogelijk maakt. Een hyperlink is een verwijzing (referentie) in een hypertekst (bijvoorbeeld een website) die door een gebruiker gevolgd kan worden. Het volgen van een hyperlink (bijvoorbeeld door erop te klikken) roept een andere plek in de hypertekst op, meestal een andere (web)pagina. Zodoende hangt het hele internet aan elkaar van hyperlinks.

Deze hyperlinks en het auteursrecht staan vaak op enigszins gespannen voet met elkaar. Strikt theoretisch gezien zou er geen probleem moeten zijn aangezien het auteursrecht het openbaarmaken van beschermde werken verbiedt. Een verwijzing is niet per saldo hetzelfde als een openbaarmaking. Deze redenering heeft er lange tijd voor gezorgd dat het internet en het auteursrecht redelijk met elkaar door één deur kunnen.

Er is echter een kentering zichtbaar. In Nederland was dit de zeer recente zaak van Sanoma tegen Geenstijl. Door een link te plaatsen naar de integrale Playboy-fotoreportage van Britt Dekker, maakte GeenStijl inbreuk op de auteursrechten van Sanoma. Niet eerder oordeelde een Nederlandse rechter dat het plaatsen van een hyperlink – onder omstandigheden – kan resulteren in auteursrechtinbreuk.

In Zweden is nu een soortgelijke zaak aan de gang waarbij nu ook vragen worden gesteld aan het HvJEU.

De feiten:
De zaak is aanhangig gemaakt door de Zweedse journalistenvakbond tegen de zoekdienst Retriever. Retriever linkte naar artikelen van de klagers op de openbare website van Göteborgs Posten, een Zweedse krant.

Het geschil gaat om de vraag of het linken vanaf deze “gesloten” database naar een openbare website van een krant toelaatbaar is, of dat er sprake is van een inbreuk op het auteursrecht.

De rechtbank Stockholm oordeelde dat er geen sprake was van openbaarmaking en dus geen schending van het auteursrecht. De journalisten gingen in hoger beroep en het Zweedse Hof stelt nu interessante prejudiciële vragen aan het Europees Hof.

De prejudiciële vragen:
De geformuleerde vragen zijn zeer principieel van aard en de uitkomst zal zonder meer spannend zijn. Dit komt mede doordat de vragen bijzonder scherp zijn geformuleerd.

De onderstaande vragen zijn gesteld door het Zweedes Hof:

  1. Is sprake van mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, wanneer iemand anders dan de houder van het auteursrecht op een bepaald werk, op zijn website een aanklikbare link plaatst naar het werk?
  2. Is het voor het antwoord op de eerste vraag relevant of het werk waarnaar de link verwijst, is geplaatst op een website op het internet waartoe iedereen zonder beperkingen toegang heeft dan wel of de toegang op enige wijze is beperkt?
  3. Moet bij de beantwoording van de eerste vraag onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin het werk, nadat de gebruiker op de link heeft geklikt, wordt getoond op een andere website, en gevallen waarin het werk, nadat de gebruiker op de link heeft geklikt, aldus wordt getoond dat de indruk wordt gewekt dat het op dezelfde website verschijnt?
  4. Kan een lidstaat een ruimere bescherming bieden aan het uitsluitende recht van auteurs door onder het begrip “mededeling aan het publiek” een groter aantal handelingen te verstaan dan die welke zijn genoemd in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29?

Deze vragen betekenen dat het HvJEU zich moet gaan buigen over diverse aspecten van hyperlinken zoals het verschil tussen doorlinken en embedden. De belangen zijn groot en vele lidstaten zullen hun stem laten horen. De uitspraak kan daarom best behoorlijk lang op zich laten wachten.

Bron:
Verzoek om prejudiciële beslissing 18/10/2012, zaaknr. C-466/12
LJN: BX7043, Rechtbank Amsterdam
EU-Hof buigt zich over inbreuk door hyperlinkvia webwereld.nl
Hyperlink via wikipedia

Het zal niemand ontgaan zijn dat Apple momenteel wereldwijd bezig is met het procederen tegen grote rivaal Samsung en in mindere mate HTC omdat deze inbreuk zouden maken op Apples patenten. In het Verenigd Koninkrijk verloor Apple op 4 juli een vergelijkbare zaak tegen HTC. In Nederland had Apple een rechtszaak lopen tegen Samsung op basis van hetzelfde patent, ook hier heeft Apple verloren. Tijd om eens naar de Nederlandse beslissing te kijken.

De feiten:
De strijd tussen Apple en Samsung draait om het Europees patent EP 948. Dit werd in 2009 aangevraagd en in 2011 toegewezen. Het patent heeft betrekking op een apparaat met een touchscreen dat meerdere aanrakingen tegelijkertijd kan ontvangen en verwerken: een multitouch touchscreen. Apples patent bevat een methode waardoor verkeerde aanrakingen van touchscreens worden genegeerd. Het octrooi definieert voor dat doel twee verschillende vlaggen (flags). Een multi-touch vlag die aangeeft of een bepaalde view tegelijkertijd meerdere aanrakingen kan ontvangen of niet, en een exclusive touch flag (exclusiviteitsvlag) die aangeeft of een bepaalde view die een aanraking ontvangt het toestaat dat een andere view tegelijkertijd ook een aanraking ontvangt. Android heeft deze functionaliteit niet; in die zin dat Android geen aanrakingen negeert.

Apple vordert – samengevat – een verbod op inbreuk op EP 948 in Nederland, met als nevenvorderingen: een opgave over winst, een recall, een publicatie over de inbreuk en een veroordeling tot afdracht van winst of vergoeding van schade, met veroordeling van Samsung in de proceskosten.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank is van oordeel dat Samsung met de verhandeling van haar Galaxy-producten geen inbreuk maakt op EP 948. Een gemiddelde vakman zal het systeem van het patent zo uitleggen dat op basis van de vlaggen bepaald word of een touch event moet worden verstuurd of moet worden genegeerd. In het hierboven beschreven Android systeem worden touch events nooit genegeerd. Daar komt bij dat met een systeem zoals Android, dat touch events nooit negeert, niet alle voordelen kunnen worden bereikt die de in EP 948 geclaimde werkwijze en voortbrengselen volgens het octrooischrift zouden meebrengen.

Ook een ander effect van de gestelde uitvinding dat in het octrooischrift als voordeel wordt gepresenteerd, kan niet volledig worden gerealiseerd met Android, te weten het voorkomen dat de ontwerpers van alle applicaties die op het apparaat draaien, oplossingen moeten creëren voor onnodige of ongewenste gelijktijdige aanrakingen.

Ondanks betogen van Apple ziet de rechter in het licht van het voorgaande onvoldoende reden om tot een ruimere uitleg van de tekst van het octrooi te komen. Het octrooischrift leert de vakman dat de conclusies werkwijzes en producten claimen waarin touch events worden verstuurd of genegeerd. Mede gelet op de rechtszekerheid voor derden zoals Samsung, maakt het octrooischrift de vakman onvoldoende duidelijk dat de claim ook betrekking heeft op werkwijzes en producten waarin touch events nooit worden genegeerd en worden geselecteerd op de bestemming waarnaar zij moeten worden verzonden. Dergelijke uitvoeringsvormen beschrijft het octrooischrift nergens uitdrukkelijk.

De rechter wijst derhalve de vorderingen van Apple af. De rechter wijst er voorts nog op dat deze overwegingen overeenkomstig het Britse vonnis zijn. Apple is tegen dat vonnis nog wel in beroep.

Conclusie:
Het einde van deze haast mondiale strijd is nog lang niet in zicht. Alle partijen hebben zakken die ruimschoots diep genoeg zijn om advocaten nog vele jaren bezig te houden en ook aan patenten om over te procederen zal geen tekort zijn. Als een partij het in hoogste instantie wint is dat zonder meer lonend want met de verkoop van smartphones zijn grote geldsommen gemoeid. In het Verenigd Koninkrijk dient het hoger beroep momenteel nog en het is niet ondenkbaar dat Apple ook hier in hoger beroep gaat.

Bron:
LJN: BY0961, Rechtbank ‘s-Gravenhage

Ook vandaag blijven we nog even in de sferen van intellectueel eigendom. De Auteurswet bepaalt dat een thuiskopievergoeding moet worden betaald voor het opnemen door particulieren van auteursrechtelijk beschermde werken op beeld- en geluidsdragers (dvd’s etc). Deze vergoeding wordt geheven van de fabrikanten die deze op haar beurt doorberekenen aan de consument.

Het probleem:
Er is veel te doen rondom de (de hoogte van de) thuiskopieheffing. Voor het antwoord op deze vraag is van belang of er wordt gerekend op basis van het totale aantal thuiskopieën, dus die uit legale en illegale bron, of dat alleen moet worden uitgegaan van kopieën uit legale bron. Het hof ‘s-Gravenhage heeft zich daar in november 2010 over uitgelaten en keek daarbij naar het Nederlandse wettelijk stelsel. Het hof stelde ondubbelzinnig dat downoaden uit illegale bron is naar Nederlands recht toegestaan. Dit betekent dat daarmee bij de vaststelling van de hoogte van de Thuiskopievergoeding rekening moet worden gehouden.

Er is echter een probleem. Er is ook nog zoiets als de Europese Richtlijn voor auteursrecht. Het voorgaande roept de vraag op of een onderscheid tussen downloads uit legale en illegale bron relevant is voor de Europese Auteursrichtlijn. Het hof liet het antwoord op deze vraag in het midden. Nu is cassatie ingesteld met het verwijt dat het hof de wet niet richlijnconform heeft uitgelegd.

De Hoge Raad:
De Hoge Raad kraakt op beleefde doch weinig fijnzinnige wijze de redenering van het hof (onderdelen 5.1.1 t/m 5.2.1.) Kort gezegd mocht het hof het antwoord op de vraag niet alleen naar Nederlands recht kijken, de Europese Auteursrichtlijn is de ultieme toets. Het antwoord op de vraag of deze Richtlijn onderscheid maakt tussen legale en illegale bron is niet eerder in jurisprudentie van het HvJEU beantwoord. Dat betekent dus dat de Hoge Raad prejudiciële vragen gaat stellen aan het HvJEU.

De vragen houden het volgende in:

  • Staat de Europese Auteursrichtlijn het kopiën uit illegale bron wel of niet toe?
  • Mag door de wet een vergoeding worden opgelegd voor thuiskopieën uit illegale bron? Dit er van uitgaande dat kopiëren uit illegale bron volgens deze richtlijn niet is toegestaan en zolang er geen doeltreffende middelen zijn om illegaal thuiskopiëren tegen te gaan.

Op weg naar een downloadverbod?
Het zal spannend zijn om te zien wat het HvJEU gaat antwoorden op deze vragen. Het kan namelijk leiden tot een downloadverbod. De HR vreest dat de wetgever wellicht verkeerd zit met de huidige constructie. Art 5 lid 2 onderdeel b ARtl stelt dat lidstaten beperkingen of restricties op het reproductierecht kunnen stellen ten aanzien van de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor privé-gebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen.

Eén van de middelen stelt namelijk de vraag of de Auteursrechtrichtlijn de ruimte laat een thuiskopievergoedingsregeling in het leven te roepen die ook geldt voor privé-kopiëren dat niet onder de beperking valt die de lidstaten mogen opnemen en dat dus auteursrechtinbreuk oplevert en derhalve onderworpen is aan het verbodsrecht van de rechthebbenden (onderdeel 5.4.2.) Het is zeer goed mogelijk dat het antwoord op deze vraag bevestigend luidt. Het enkele toekennen van een aanspraak op een fair compensation voor inbreukmakende handelingen heeft niet tot gevolg dat die handelingen (alsnog) legaal worden.

Conclusie:
Afhankelijk van hoe het HvJEU gaat reageren kan het heel goed zijn dat er een downloadverbod in de pijplijn zit. Het enkele bestaan van een thuiskopieheffing ter vergoeding van mogelijke schade rechtvaardigt namelijk niet (alsnog) het downloaden uit illegale bron. Zo gaat een conflict dat begon om de hoogte van de thuiskopievergoeding over op een voor velen relevanter vraagstuk.

Het einde is bij lange na nog niet in zicht. Eerst moet het HvJEU een oordeel gaan geven, daarna moet de HR met dat oordeel nog iets gaan doen en dan kan er nog een ander hof moeten gaan kijken naar de feitelijke aspecten van de zaak.

Bron:
LJN: BO3982, Gerechtshof ‘s-Gravenhage
LJN: BW5879, Hoge Raad
Downloadverbod in Nederland lijkt onvermijdelijk via webwereld.nl
Hoge Raad stelt vragen over thuiskopieervergoeding via rechtspraak.nl

De Auteurswet (Aw) beschermt de belangen van auteurs. Een inbreuk op dat recht is de mogelijkheid voor anderen om een werk te citeren. Dit kan onder art 15a Aw zonder toestemming van de rechthebbende. Wel moet het aantal en omvang van de geciteerde delen ‘door het te bereiken doel zijn gerechtvaardigd’. Het zal niemand verbazen dat de invulling van dat begrip nogal wat discussie oplevert waarbij de auteur kiest voor een restrictiever uitleg dan de citeerder. Hieronder een leuk voorbeeld van een dergelijke rechtszaak.

De feiten:
Eiser is een professioneel fotograaf en stelt dat Omroep Gelderland inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrecht door in een uitzending zijn foto’s te tonen. Het staat vast dat eiser houder is van het auteursrecht op de werken. De foto’s zijn portretten van kinderen die aan het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) lijden. Omroep Gelderland heeft in een nieuwsuitzending aandacht besteed aan FAS.

Eiser stelt ook nog dat toewijzing van het beroep van Omroep Gelderland op artikel 15a Aw ertoe zou leiden dat een ieder op grote schaal gebruik zou kunnen maken van auteursrechtelijk beschermd werk en dat de marktwaarde van de foto’s daalt door de uitzending, want hoe bekender de foto, hoe kleiner de nieuwswaarde en hoe kleiner de kans dat hij de foto’s kwijt kan.

Tijdens dit item worden enkele foto’s kort in beeld gebracht waarbij wordt gesproken over de uiterlijke kenmerken van FAS. Tijdens het tonen van de foto’s wordt daarover gezegd: “Welke dat zijn is goed te zien op de foto’s van Allard de Witte die in het Gelre Ziekenhuis in Zutphen hangen.”

Eiser stuurt vervolgens een factuur welke door Omroep Gelderland onbetaald wordt gelaten. Eiser vordert ne betaling van €2.980,95, een gezonde 300% van het gebruikelijke honorarium. Omroep Gelderland beroept zich op het citeerrecht.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Wil een citaat redelijkerwijs geoorloofd zijn dan is van belang dat het citaat inhoudelijk relevant is (niet slechts ter illustratie), slechts een klein onderdeel uitmaakt van het geheel en moet het citaat proportioneel zijn. Het beeld diende ter ondersteuning van het onderwerp. Dit blijkt uit de toelichting bij het nieuwsitem. Aangezien het nieuwsitem mede handelt over de uiterlijke kenmerken van kinderen met FAS moeten de foto’s niet worden gezien als een verfraaiing maar als een onderbouwing van het nieuwsitem. Dat toch sprake van hergebruik als verfraaiing sprake zou zijn is door gebrek aan onderbouwing van eiser niet vast komen te staan.

De tweede vraag is of het citaat proportioneel is. De totale duur van het nieuwsitem is 3 minuten en 40 seconden. Daarvan worden gedurende 29 seconden foto’s getoond ofwel 13% van de tijd. Niet alle foto’s worden tegelijkertijd getoond, naar het oordeel van de kantonrechter is het citaat dan ook proportioneel.

Met de stelling dat toewijzing van het beroep van Omroep Gelderland op artikel 15a Aw ertoe zou leiden dat een ieder op grote schaal gebruik zou kunnen maken van auteursrechtelijk beschermd werk, doet eiser geweld aan het hiervoor genoemde toetsingskader van functionaliteit en proportionaliteit.

Ten aanzien van de gestelde dalende marktwaarde is het de kantonrechter niet geheel duidelijk hoe hij dit moet zien in het licht van het feit dat de foto’s ook elders bij een tentoonstelling hebben gehangen en in een huis aan huisblad aandacht is gevraagd voor FAS met verwijzing naar de foto’s die openbaar in de hal van het Gelre Ziekenhuis hangen.

Al met al levert het tonen van de foto’s dus een toelaatbaar citaat op volgens de kantonrechter.

Conclusie:
Het is terecht dat auteurs bescherming krijgen van hun rechten, anders zou het immers nooit aantrekkelijk zijn om een boek te schrijven of foto’s te gaan maken als je er niets aan kunt verdienen omdat iedereen je werk zonder meer mag gebruiken. Het moet echter wel binnen de perken blijven, de wetenschap zou immers nogal stil staan als je niet uit een wetenschappelijk werk mag citeren zonder grof geld te betalen. Ook zou er geen fatsoenlijk nieuwsitem meer gemaakt kunnen worden. Kortom, de regelgeving zou dan van maatschappelijk stimulerend naar maatschappelijk verlammend gaan.

Ten aanzien van de gebruikte argumenten door eiser om gelijk te halen merk ik op dat het kennelijk niet de sterkste zijn. Dat de foto’s toch gebruikt zouden zijn als verfraaiing is bij gebrek aan motivering niet vast komen te staan. Dat toewijzing van het beroep van Omroep Gelderland op artikel 15a Aw ertoe zou leiden dat een ieder op grote schaal gebruik zou kunnen maken van auteursrechtelijk beschermd werk, is ook geen sterk argument. Dergelijke afwegingen zijn in jurisprudentie al vaker gemaakt, het valt niet te verwachten dat het nu anders zou zijn.

Tot slot nog het argument dat het tonen van de foto’s op TV de marktwaarde doet kelderen; dat is lastig hard te maken als ze nu ook openbaar te bewonderen zijn.

Dit soort geschillen wordt al sinds jaar en dag in de rechtszaal uitgevochten. Het zal dan ook zeker niet de laatste zaak zijn over dit onderwerp.

Bron:
Hoe lang is een citaat? via mediarapport.nl
Rechtbank Arnhem 10/09/2012, zaaknr. 818515 via boek9.nl
Een toelaatbaar (beeld)citaat via boek9.nl

Als je luxe dingen maakt die goed verkopen dan zijn er altijd mensen die daar een graantje van willen meepikken en er zijn ook altijd mensen die namaakproducten kopen. Bij de rechtbank in Den Haag verzocht een aantal bekende horlogemerken om provider Altushost te verplichten websites die namaakproducten verkochten offline te halen nadat een poging om de verkopers zelf aan te pakken mislukte. Volgens de horlogers kan Altushost de doorgifte gemakkelijk beëindigen en is zij hier ook toe gehouden.

Het gesteggel met Altushost:
Op 25 en 30 mei hebben Merkhouders aan AltusHost een sommatie gestuurd tot staking van het hosten van de gewraakte websites. Op 5 juni is AltusHost nogmaals gesommeerd om aan de verzoeken te voldoen, en is zij tevens gesommeerd een tweede reeks van inbreukmakende websites te blokkeren en het hosten daarvan te staken. Op 19 juli heeft AltusHost haar dienstverlening ten aanzien van de websites gestaakt. Vier dagen later waren zeven websites weer online via een andere hosting provider.

Merkhouders vorderen nu AltusHost te bevelen haar dienstverlening aan de websites te staken, door deze af te sluiten en afgesloten te houden voor toegang door derden vanuit de Benelux en het hosten van die websites te staken en gestaakt te houden.

Altushost als tussenpersoon:
AltusHost heeft betwist dat de websites op Nederland gericht zouden zijn zodat AltusHost niet zou zijn te beschouwen als een tussenpersoon in de zin van artikel 2.22 lid 3 en lid 6 BVIE. Als dat het geval is dan zou Altushost de dans ontspringen omdat de vordering van de merkhouders is gebaseerd op de veronderstelling dat Altushost in haar rol van hoster wel degelijk een tussenpersoon is. Dit verweer faalt volgens de rechter. Onweersproken is dat Nederland als land op de websites is aangemerkt waaruit de producten besteld kunnen worden en waar de producten naar toe kunnen worden gestuurd. Ook kan betaald worden met euro’s en zijn de websites in het Engels gesteld, wat in Nederland door nagenoeg iedereen met een internetaansluiting begrepen wordt. AltusHost is dus een tussenpersoon wiens diensten worden gebruikt voor inbreuk op de aan merkhouders toebehorende merken.

Subsidiariteit en proportionaliteit:
Altushost probeert het vervolgens nog met een beroep op de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. AltusHost stelt dat er minder verstrekkende maatregelen voorhanden zijn dan een stakingsbevel. De merkhouders zouden via ICANN de domeinnamen kunnen laten schorsen. De voorzieningrechter wijst dit af. Deze procedure biedt voorshands onvoldoende soelaas, enerzijds omdat ICANN zich volgens Merkhouders niet met de inhoud van websites bezig houdt maar met wie de rechthebbende is op de betreffende domeinnaam en anderzijds omdat deze procedure onweersproken tamelijk langdurig van aard is.

Als tweede argument over subsidiariteit voert Altushost aan dat de merkhouders niet voldoende hebben gedaan om websitehouders c.q. replicamakers zelf aan te spreken. Ook dit wordt door de rechtbank verworpen nu ondanks het aanschrijven iedere vorm van reactie is uitgebleven. Websitehouders waarvan gegevens wel bekend zijn, zijn veelal afkomstig uit landen waarvan bekend is dat deze niet met grote voortvarendheid tegen merkinbreukmakers optreden. Daarom is het voorlopig oordeel dat aan het vereiste van subsidiariteit voldaan is.

Tot slot heeft Altushost betoogd dat de gevorderde bevelen disproportioneel zijn omdat deze niet kunnen leiden tot het beoogde doel. De websitehouders zouden hun website eenvoudig bij een andere hostingpartij onder kunnen brengen en in enkele gevallen is dat ook gebeurd. Dit standpunt is gebaseerd op de veronderstelling dat er geen aanvullende maatregelen zullen worden genomen door merkhouders. Die veronderstelling moet al op voorhand worden verworpen omdat ter zitting niet bestreden is dat Merkhouders al optreden tegen andere hostingproviders.

Het oordeel van de rechter:
De verweren van Altushost worden integraal verworpen. Het zal dan ook geen verrassing zijn dat het de blokkade wordt toegewezen.

Conclusie:
Inbreuken op merkenrecht zijn vaak notoir lastig om af te handelen waar het om webshops gaat die opereren vanuit andere landen. Het makkelijkste alternatief is dan vaak om de hoster aan te pakken. Een vergelijking met de trammelant rondom de PirateBay dringt zich op. Hoewel het om een ander product gaat is het mechanisme precies hetzelfde. Bij gebrek aan mogelijkheden om de bron aan te pakken is het doorgeefluik een goede tweede.

De rechter vindt dat het individueel aanspreken van websites dan ook weinig effect heeft en dat de klagers aan hun verplichting hebben voldaan om andere wegen te bewandelen om de websites aan te pakken. Dit is de typerende pragmatiek die wel vaker in Nederlandse rechtspraak zichtbaar is en deze redenering is dan ook noch onbegrijpelijk noch onjuist. De merkhouders hebben namelijk geprobeerd de bron aan te pakken maar als ze eenvoudigweg niet reageert of contactgegevens blijken onjuist te zijn of ze worden via een anoniem systeem gehost dan houdt het een keer op.

Altushost stelt dat het verplichten van een host om domeinnamen offline te halen vrij zinloos is. Binnen enkele uren duiken ze weer op via een andere host. De rechter in deze zaak is ontvankelijk voor het argument dat de merkbezitters op grote schaal providers aanspreken en niet alleen Altushost vragen om replicasites offline te halen.

Het gebeurt niet zo vaak dat een provider in een zaak over merkrecht, en dan met name namaakproducenten, voor de rechter wordt gedaagd. De meeste providers zullen een dergelijke site direct offline halen wanneer zij worden aangeschreven.

Bron:
LJN: BX5303, Rechtbank ‘s-Gravenhage
Nederlands verbod haalt domeinen wereldwijd offlineNederlands verbod haalt domeinen wereldwijd offline via webwereld.nl
Blokkeringsbevel is niet disproportioneel en niet te verstrekkend via boek9.nl