Eindelijk is de Nederlandse geschriftenbescherming voor databanken om zeep geholpen door de Hoge Raad en dat heeft nogal wat voeten in aarde gehad.

De hele zaak begon met het conflict tussen PR Aviation en Ryanair. PR Aviation biedt via internet de mogelijkheid om vluchtgegevens te zoeken en prijzen te vergelijken waarna direct via de site geboekt kan worden met bemiddeling van PR Aviation. PR Aviation rekent daarvoor zeven euro bemiddelingskosten en biedt meteen de mogelijkheid aan een annuleringsverzekering af te sluiten. Ryanair vond dat PR Aviation inbreuk maakt op haar databankenrecht op de vluchtgegevens en op de auteursrechtelijke geschriftenbescherming. De zaak is nog niet geheel afgedaan en de Hoge Raad heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJEU maar het meest interessante aspect is dat eindelijk de geschriftenbescherming voor databanken afgeschaft is.

Voor de achtergrond van het probleem moeten we eventjes terug naar de Databankenrichtlijn die al lang correct geïmplementeerd had moeten zijn in de nationale regelgeving. Volgens de definitie van die richtlijn wordt een databank (zoals gedefinieerd in die richtlijn) beschermd als er sprake is van een eigen intellectuele creatie van de maker, dit wordt ook wel het oorspronkelijkheidscriterium genoemd. Dit botst natuurlijk met de geschriftenbescherming welke juist bescherming biedt aan onpersoonlijke geschriften.

Bij de implementatie in Nederland zijn de eisen voor sui generis bescherming van databanken en de definitie van databank door elkaar geraakt. Meer specifiek gaat het om het aspect van de substantiële investering. Voor de databank zoals gedefinieerd in de Europese richtlijn is dit geen vereiste maar in de Nederlandse wet is deze wel toegevoegd aan de definitie. Daar werd de gedachtegang aan gehangen dat dataverzamelingen waarin niet substantieel was geïnvesteerd niet onder de wettelijke definitie van databank vielen en dat daarom het oorspronkelijkheidscriterium niet gold voor deze dataverzamelingen. Het gevolg is dat de geschriftenbescherming in Nederland geldt voor dataverzamelingen waarin niet substantieel is geïnvesteerd terwijl dit eigenlijk helemaal niet de bedoeling is.

De Nederlandse situatie wringt eens te meer nu in maart 2012 het Football Dataco arrest is gewezen door het HvJEU. Daar is onomstotelijk in vastgesteld dat databanken slechts dan bescherming genieten wanneer is voldaan aan het oorspronkelijkheidscriterium. Er staat al een wetswijziging in de stijgers om deze situatie te repareren maar de Hoge Raad reduceert dit tot een formaliteit.

Het hoogtepunt van het vonnis zijn de overwegingen 3.5.1. & 3.5.2.:

3.5.1
In het oordeel van het hof ligt besloten dat de gegevensverzameling (hierna ook: de databank) van Ryanair niet aan dit oorspronkelijkheidscriterium voldoet, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Daarom heeft Ryanair geen belang bij de klachten van onderdeel 1.
De rechter dient immers zijn nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de relevante richtlijn (HvJEU 10 april 1984, C-14/83, Jur. p. 1891 (Colson) en HvJEU 13 november 1990, C-106/89, Jur. p. I-4135, NJ 1993/163 (Marleasing)). Indien het onderdeel tot vernietiging zou moeten leiden, zou het verwijzingshof daarom tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat het beroep van Ryanair op art. 10 lid 1 onder 1° Aw, geen doel kan treffen, in aanmerking genomen
– dat niet is gebleken dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de Databankenrichtlijn in ons nationale recht iets anders voor ogen heeft gestaan dan een getrouwe omzetting daarvan,
– dat art. 10 lid 1 onder 1° Aw mede is gebaseerd op de veronderstelling dat de daarin bedoelde “andere geschriften” vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming, en
– dat databanken die niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen, zoals de onderhavige, blijkens de hiervoor in 3.4.3 aangehaalde uitspraak van het HvJEU niet vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming.

3.5.2
Het rechtszekerheidsbeginsel en de onwenselijkheid van wetsuitleg contra legem kunnen hieraan niet afdoen. De formulering van art. 10 lid 1 onder 1° Aw laat de hier bedoelde uitleg immers toe. Aan de bedoeling van de wetgever om de geschriftenbescherming voorshands te handhaven, komt bij de uitleg van de onderhavige bepaling geen overwegende betekenis toe. Dit is reeds het geval omdat – zoals hiervoor in 3.4.2 is overwogen – niet is gebleken dat de Nederlandse wetgever bij de handhaving van de geschriftenbescherming heeft willen afwijken van datgene waartoe de Databankenrichtlijn hem verplichtte, in samenhang met de omstandigheid dat de wetgever van de onjuist gebleken veronderstelling uitging dat de geschriftenbescherming buiten het bereik van de Databankenrichtlijn viel.

Als we dit stuk tekst condenseren dan blijven een aantal bepalende elementen over:

  • De rechter dient zijn nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de relevante richtlijn
  • De wetgever heeft een fout gemaakt bij de implementatie van de richtlijn en uit niets blijkt dat dit bewust is gedaan.
  • Artikel 10 lid 1 onder 1° Auteurswet is mede gebaseerd op de veronderstelling dat de daarin bedoelde “andere geschriften” vatbaar zijn voor auteursrechtelijke bescherming
  • databanken die niet aan het oorspronkelijkheidscriterium voldoen zijn niet vatbaar voor auteursrechtelijke bescherming.
  • Deze wetsuitleg is niet contra legem en er is evenmin strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De formulering van art. 10 lid 1 onder 1° Aw laat deze uitleg gewoon toe.

Daarmee is nu eindelijk een einde gekomen aan de geschriftenbescherming voor databanken in Nederland. De Hoge Raad neemt daarmee een voorschot op de wetswijziging waardoor deze eigenlijk nauwelijks meer van belang is in praktisch opzicht.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2014:88

De rechtspraak aangaande boedelverdelingen na een echtscheiding is meestal weinig spectaculair. Gewoonlijk gaat het om de afwikkeling van wat simpele dingen als wie de lamp krijgt. In een dergelijke verder vrij standaard boedelscheiding stond een opmerkelijke zinsnede waarbij een website werd toegedeeld als deel van de boedel. Het is zeer waarschijnlijk de eerste keer dat een website deel uitmaakt van een boedelscheiding.

De uitspraak:
De relevante passage is vrij kort en er worden weinig woorden besteed aan de website als zodanig:

4.2. Goederen

4.2.1. Partijen zijn het er over eens dat de twee honden [hond 1] en [hond 2] die reeds in het bezit van de man zijn zonder verdere verrekening aan de man worden toebedeeld en dat de inboedel voor zover nog in het bezit van de vrouw zonder verdere verrekening aan haar zal worden toebedeeld. De rechtbank overweegt daarbij dat de schilderijen van [X] en het camerabewakingssysteem daar niet onder vallen, aangezien de vrouw verklaart dat deze niet in haar bezit zijn omdat de man deze goederen reeds heeft meegenomen. Verder is niet in geschil dat de website zonder verdere verrekening aan de vrouw kan worden toebedeeld.
De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen.

Interessant is niet de toedeling van de website aan de vrouw. Aan de toedeling an sich zitten geen juridische haken en ogen. Wel interessant is de kwalificatie die website hier krijgt. De website wordt namelijk genoemd onder goederen.

De kwalificatie van de site:
De website wordt genoemd onder het kopje goederen waarmee we moeten aannemen dat de website als een goed kan worden gezien. Volgens artikel 3:1 BW zijn goederen alle zaken en alle vermogensrechten. Artikel 3:2 BW definieert vervolgens een zaak als een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object. Een website is weliswaar voor menselijke beheersing vatbaar maar beslist geen stoffelijk object. Resteert artikel 3:6 BW welke vermogensrechten definieert als rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.

De definitie van vermogensrechten sluit zonder meer het meest aan bij het begrip “website”. De vraag ligt echter nog open of een website een vermogensrecht is, en daarmee een enkel goed of slechts een verzameling van vermogensrechten en eigenlijk een verzameling goederen. Anders gezegd: is een website meer dan de som der samenstellende delen?

Sowieso bestaat een website uit verschillende onderdelen waarop verschillende rechten van toepassing kunnen zijn. Zo kunnen de artikelen op een website onder de het auteursrecht van de schrijver vallen en kunnen en afbeeldingen onder het auteursrecht van de fotograaf vallen maar er kan ook sprake zijn afbeeldingen waarvoor een licentie is afgenomen door de maker van de website. Ook is er het recht op het gebruik van een domeinnaam. Dat derhalve op de samenstellende elementen van een website vermogensrechten van toepassing zijn is algemeen geaccepteerd.

Maar is de website zelf ook een zelfstandig goed? Moet de website zelf bijvoorbeeld worden gezien als een vermogensrecht in de zin van het auteursrecht? Dat kan verdedigd worden als het gaat om een website met een origineel ontwerp, maar wat als er een kant-en-klaar websiteontwerp wordt gebruikt? Een dergelijke site zal minder snel onder het bereik van het auteursrecht vallen. Is het antwoord op de vraag of een website een zelfstandig vermogensrecht is derhalve afhankelijk van de casuïstiek?

We kunnen ook nog de vraag stellen of we in dit verband het überhaupt wel wenselijk moeten vinden om een website als een zelfstandig vermogensrecht aan te merken en dat voor bijvoorbeeld toedeling bij een boedelscheiding altijd alle relevante vermogensrechten die met de website samenhangen toegedeeld moeten worden.

De uitspraak van de rechter geeft helaas geen verdere indicatie of een website als verzameling vermogensrechten of als zelfstandig vermogensrecht moet worden gezien. In ieder geval kan een website kennelijk geschaard worden onder kopje goederen. Daarmee wordt echter wel de deur opengezet naar veel vragen over hoe we een website moeten zien binnen het vermogensrecht.

Bron:
LJN: CA0058, Rechtbank Roermond

Op 7 maart heeft het HvJEU een arrest gewezen over het begrip (weder)doorgifte in de zin artikel 3 Auteursrechtrichtlijn. Dit arrest geeft behoorlijk wat stof tot nadenken en moet misschien zelfs gekwalificeerd worden als een mijlpaalarrest waar het op IE-recht aankomt. Omdat het een vrij lang arrest is, zal ik slechts de mijns inziens meest belangrijke elementen behandelen.

De feiten:
Het conflict gaat tussen enkele commerciële TV-zenders en een internetstreamingdienst genaamd TVCatchup (TVC). Middels TVC kunnen inwoners van het Verenigd Koninkrijk streams van gratis televisie-uitzendingen ontvangen, waaronder de door de commerciële TV-zenders uitgezonden televisie-uitzendingen.

TVC zorgt er voor dat gebruikers enkel toegang krijgen tot een inhoud waarnaar zij op grond van hun kijkvergunning reeds gerechtigd zijn te kijken in het Verenigd Koninkrijk. De gebruikers moeten akkoord gaan met voorwaarden welke onder meer omvatten het bezit van een geldige kijkvergunning en de beperking van het gebruik van de diensten van TVC tot het Verenigd Koninkrijk. Met de internetsite van TVC kan worden nagegaan waar de gebruiker zich bevindt, en wordt de toegang geweigerd wanneer de aan de gebruikers opgelegde voorwaarden niet zijn vervuld.

De activiteiten van TVC worden gefinancieerd met reclame welke wordt afgespeeld voordat de TV-uitzending zichtbaar is.

De rechtsvraag:
De centrale vraag is of een organisatie als TVC een “mededeling aan het publiek” doet, indien op internet televisieprogramma’s worden uitgezonden voor leden van het publiek die recht zouden hebben gehad op toegang tot het oorspronkelijke omroepsignaal, wanneer zij thuis op hun eigen televisietoestellen of draagbare computers deze programma’s zouden hebben bekeken. Dit alles terwijl TVC zich volledig bewust is van de gevolgen van haar handelingen en met het doel om een publiek voor haar eigen doorgiften en reclame aan te trekken.

Overwegingen en oordeel van het HvJEU:
Het Hof is van oordeel dat de activiteiten van TVC als een “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn moeten worden gezien. De redenering hiertoe wordt in twee stappen opgebouwd.

Eerst stelt het Hof de reikwijdte van het begrip mededeling vast. Het recht van mededeling aan het publiek dekt elke overbrenging of doorgifte van een werk aan het publiek dat niet aanwezig is op de plaats waar de communicatie vandaan komt,
per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending. Daarnaast leidt machtiging van het uitzenden van beschermde werken aan het publiek niet tot uitputting van het recht om andere mededelingen/uitzendingen aan het publiek toe te staan ​​of te verbieden in de zin van artikel 3 lid 3 Auteursrechtenrichtlijn. Bijgevolg kan een dergelijke wederdoorgifte niet gebeuren zonder de toestemming van de auteurs van de wederdoorgegeven werken wanneer zij aan het publiek worden medegedeeld.

Anders gezegd, er moet worden vastgesteld dat elke (weder)doorgifte van een beschermd werk middels gebruik van specifieke technische middelen in de regel apart moeten worden goedgekeurd door de auteur.[punt 23 t/m 26]

Ten tweede stelt het HvJEU vast of de werken daadwerkelijk zijn medegedeeld aan een publiek. Volgens vaste jurisprudentie verwijst het begrip “publiek” naar een onbepaald aantal potentiële ontvangers en moet het bovendien gaan om een vrij groot aantal personen. Het Hof wijst erop dat er rekening gehouden moet worden met het cumulatieve effect van het beschikbaar maken van de werken voor potentiële afnemers. In dat verband moet er rekening worden gehouden met het aantal personen wat op hetzelfde moment toegang heeft en het aantal personen wat achtereenvolgens toegang heeft. [punt 30 t/m 33]

De vraag of de potentiële kijkers via een een-op-een verbinding toegang tot de medegedeelde werken hebben niet relevant nu deze niet belet dat een groot aantal personen tegelijk tot hetzelfde werk toegang heeft. In casu richt de wederdoorgifte van de werken via internet zich tot alle personen die in het Verenigd Koninkrijk wonen, over een internetverbinding beschikken en beweren dat zij over een kijkvergunning beschikken. Deze personen kunnen tegelijk toegang tot de beschermde werken hebben. Er is derhalve sprake van een mededeling aan het publiek. [punt 34 t/m 36]

Nieuw is dat kennelijk niet hoeft te worden getoetst of er sprake is van een nieuw publiek. Volgens het HvJEU was die vraag slechts relevant in eerdere situaties. (SGAE (punt 40), Football Association Premier League e.a. (punt 197), alsook Airfield en Canal Digitaal(punt 72)). [punt 37 t/m 39]

Het belang van het winstoogmerkcriterium wordt ook nog enigszins naar beneden bijgesteld. Het is niet irrelevant maar in casu is het niet van belang of de wederdoorgifte wordt gefinancieerd door reclame en dus een winstoogmerk heeft of dat deze gebeurt door een organisatie die direct concurreert met de oorspronkelijke omroeporganisatie.[punt 41 t/m 47]

Conclusie:
Dit arrest is één van de vele in de lange reeks uitspraken waarmee het HvJEU de Auteursrechtenrichtlijn weer een stukje verder inkleedt. Opmerkelijk is dat het belang van het winstoogmerkcriterium behoorlijk wordt ingeperkt om niet te zeggen dat in deze zaak bijna gemarginaliseerd wordt. Het HvJEU houdt echter wel een slag om de arm door te stellen dat het winstoogmerkcriterium niet irrelevant is. Het belang van mededeling aan het publiek als primair criterium wordt hiermee nog eens bevestigd.

Opvallender is dat er niet onderzocht hoeft te worden of er sprake is van wederdoorgifte aan een nieuw publiek. Het verschil zit hem er volgens het HvJEU in dat in eerdere arresten situaties onderzocht werden waarin een ondernemer door zijn bewuste interventie een uitzending met beschermde werken toegankelijk had gemaakt voor een nieuw publiek waarmee de betrokken auteurs geen rekening hebben gehouden toen zij de betrokken uitgezonden doorgifte hebben toegestaan. Het is mij niet geheel duidelijk waarom een dergelijk subjectief criterium niet op deze situatie van toepassing zou zijn.

Tot slot merkt Micha Schimmel in een blog van SOLV op dat deze zaak mogelijk gevolgen heeft voor de uitspraak in de Nederlandse zaak tussen Nederland.FM en BUMA omdat: “naar analogie van deze uitspraak kan gesteld worden dat de radiostreams die door de radio-omroepen worden aangeboden op hun websites, zich dus ook richten tot alle personen die in Nederland wonen en over een internetverbinding beschikken.”

Dit wordt echter haast terloops genoemd en het is dan ook te hopen dat daar nog een apart blog aan wordt gewijd. Het is in ieder geval wel aanbevelenswaardig om het blog van SOLV hierover te lezen.

Geconcludeerd kan worden dat dit arrest van het Hof toch weer behoorlijk wat materie geeft om over na te denken.

Bron:
HvJ EU 07/03/2013, zaaknr. C-607/11, ITV / TV Catch Up via curia.europa.eu
Samenvatting zaak C-607/11 via curia.europa.eu
HVJ wijst fundamenteel arrest over openbaarmaking via internet via SOLV

Auteursrecht staat de laatste tijd behoorlijk in de belangstelling en er woeden al tijden discussies over modernisering ervan. Daarbij zijn veel partijen het er over eens dat de Auteurswet aangepast moet worden alleen is er zelden consensus over het hoe en wat er aangepast moet worden.

Als donderslag bij heldere hemel verscheen er ineens een concrete aankondiging over een voorgenomen modernisering van de Auteurswet. Het regeerakkoord noemde immers nog maar weinig concrete plannen op dat vlak. Het plan is om de zogeheten geschriftenbescherming te schrappen. Normaliter werken beschermd die een oorspronkelijk karakter hebben en een persoonlijk stempel van de maker dragen. Een ietwat kort-door-de-bocht-omschrijving is dat een werk alleen bescherming geniet als er creatieve keuzes gemaakt zijn. Er zijn echter ook werken die bescherming genieten hoewel er geen enkele vorm van creativiteit bij komt kijken. Deze vallen onder de zogeheten geschriftenbescherming.

Inhoud van de geschriftenbescherming:
De geschriftenbescherming geldt voor geschriften die bedoeld zijn om openbaargemaakt te worden. Denk bijvoorbeeld aan dingen als een telefoongids wat bestaat uit een verzameling van puur feitelijke informatie. Geschriftenbescherming voldoet niet aan de eisen voor het ‘volledige’ auteursrecht en geniet ook een beperkter bescherming. Deze bescherming strekt zich slechts uit tot bewijsbare ontlening. Daarbij moet dus worden aangetoond dat een tekst is gekopieerd.

Het gaat niet om een oorspronkelijk werk (dan zou het immers onder het ‘volledige’ auteursrecht vallen) dus het kan zijn dat iemand anders exact dezelfde informatie heeft opgeschreven. In de praktijk levert de geschriftenbescherming dan ook vaak bewijsproblemen op.

De geschriftenbescherming moet dan ook worden gezien als meer mededingingsrechtelijk van aard, om één-op-één kopiëren te voorkomen, dan als auteursrechtelijk van aard. Dit is historisch gegroeid. De geschriftenbescherming vloeit voort uit de voorloper van het huidige auteursrecht, het zogenaamde kopijrecht. Het oogmerkt daarvan was de bescherming van de investering van drukkers en uitgevers tegen concurrentie van derden dan de bescherming van de creatieve prestaties van de auteur die het uitgangspunt is van de huidige Auteurswet.

Redenen voor afschaffing:
Een reden voor de voorgestelde afschaffing van de geschriftenbescherming moet worden gezocht in de strijdigheid met het moderne auteursrecht. De geschriftenbescherming wordt veeleer gebruikt om te voorkomen dat anderen profiteren van investeringen die aan het geschrift ten grondslag liggen. Het auteursrecht, en dus de Auteurswet is voor een dergelijke bescherming niet de juiste plaats.

Daarnaast bieden andere regelingen wel de nodige bescherming om in rechte op te treden tegen een inbreuk. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de onrechtmatige daad van art. 6:162 BW.

Ook staat geschriftenbescherming in de weg aan de toegankelijkheid en verspreiding van feitelijke informatie. Verspreiding kan immers worden tegenhouden als het gaat om een rechtstreekse ontlening van informatie, deze kan verboden worden. Dat leidt tot extra werk voor degene die de informatie wil gebruiken voor zover dat niet al kan binnen de grenzen van vrije nieuwsgaring. Het inroepen van geschriftenbescherming kan ook worden gebruikt om producten buiten de Nederlandse markt te houden. Dat is dan een vorm van oneigenlijk gebruik van de regeling. Door geschriftenbescherming weg te nemen, ontstaan meer mogelijkheden voor parallelimport.

Tot slot brengt afschaffing van de geschriftenbescherming meer duidelijkheid omdat in de rechtspraktijk regelmatig onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de regeling. Zo is er bijvoorbeeld onduidelijkheid over de vraag in hoeverre de rechtstreekse ontlening van slechts een klein gedeelte van een niet-oorspronkelijk geschrift toelaatbaar is. Een andere onduidelijkheid is of databanken die geen auteursrechtelijke bescherming of sui generis-bescherming genieten toch een vorm van bescherming kunnen genieten op grond van de geschriftenbescherming. Ook de grenzen tussen de hierboven genoemde rechtstreekse ontlening het recht op vrije nieuwsgaring zijn onduidelijk. Door het verwijderen van geschriftenbescherming worden tal van dergelijke vraagstukken opgelost.

Conclusie:
Dit is het eerste concrete signaal van een modernisering van het auteursrecht. De keus van afschaffing van geschriftenbescherming is bepaald geen slechte keus. Het auteursrecht moet creatieve nieuwe werken beschermen zonder in de weg te staan aan het creatief hergebruik van bestaand materiaal of het innovatief gebruik van informatie en de eenvoudige uitwisseling daarvan. Waar het om feitelijke informatie gaat moet het mogelijk zijn om deze te kunnen verspreiden en gebruiken en uitwisselen in oorspronkelijke vorm.

Voor aggregatiefirma’s van feitelijk materiaal blijft er voldoende bescherming bestaan op grond van de databankenrichtlijn. Voor zover er nog argumenten zijn waar niet aan gedacht is, bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om via internetconsultatie een visie te geven op de voorgenomen wijzigingen.

Bron:
Voorstel van Wet afschaffing geschriftenbescherming
Memorie van Toelichting afschaffing geschriftenbescherming

Het einde van de wereld hebben we weer overleefd en ik hoef deze publicatie niet van gene zijde te typen. De kerstdagen zitten er aan te komen en de rechtbank Den Haag heeft uitspraak gedaan in de bodemprocedure van Buma/Stemra tegen Jim Souren, eigenaar van Nederland.fm en OP.fm De hoop was dat deze uitspraak eindelijk de vragen op zou lossen die in het eerdere kortgeding waren blijven liggen. Dat is slechts ten dele gerealiseerd want deze uitspraak roept eigenlijk minstens net zoveel vragen op als dat zij antwoorden geeft.

De feiten:
Nederland.fm is een site die het mogelijk maakt om radiostreams te beluisteren. Deze radiostreams worden niet verzorgd door Nederland.fm zelf maar zijn rechtstreeks afkomstig van de mediaserver van het desbetreffende radiostation. Nederland.fm fungeert slechts als een site waarmee het mogelijk is om via dezelfde site verschillende radiostations te beluisteren. De radiostreams liggen dus embedded in de site van Nederland.fm zelf. Tijdens het luisteren toont Nederland.fm advertenties die voor haar inkomsten moeten zorgen. OP.fm werkt via een vergelijkbaar principe alleen is dat eigenlijk een catalogus van radiostations. Druk op de afbeelding van het radiostation en er verschijnt een pop-up met een speler. Op.fm heeft ook advertenties.

Buma/Stemra is van mening dat dit embedden heeft te gelden als openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermde werken. Dat is onder artikel 1 van de Auteurswet 1912 niet zonder meer toegestaan. In een kort geding eerder dit jaar bleef het antwoord op deze vraag openstaan.

Oordeel van de rechter:

Verveelvoudiging:
Eerst wordt er kort stilgestaan bij de vraag of het embedden van een radiostream een verveelvuldiging oplevert. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. De radiostreams zijn rechtstreeks afkomstig van de mediaservers van radiostations en er staat geen auteursrechtelijk beschermd werk op de servers van de Nederland.fm zelf.

Openbaarmaking:
De rechtbank valt meteen met de deur in huis. Het is duidelijk dat het laten horen van een radiostream geldt als het openbaar maken van de in die radiostream opgenomen muziekwerken. Dat een radiostream embedded in de website zit doet daar niet aan af. Het draait om de vraag of Nederland.fm (mede) verantwoordelijk is voor die openbaarmaking als de stream embedded is. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord omdat de site zo is ingericht dat de gelinkte radiostreams worden beluisterd in het kader van zijn websites.[rov. 4.3.]

Voorop staat dat de betrokkenheid bij de openbaarmaking verder gaat dan het enkele aanbieden van een hyperlink naar de radiostreams.[rov. 4.4.]

Met de site worden de radiostreams gepresenteerd aan de bezoekers van Nederland.fm. Daarmee worden de daarin opgenomen muziekwerken toegankelijk voor een ander publiek dan het publiek dat Buma/Stemra voor ogen had toen zij toestemming verleende voor het gebruik van de muziekwerken door de radiostations. De site van Nederland.fm is namelijk een ander audiovisueel product dan de websites van de radiostations zelf. Zij hebben daarom een ander publiek. Daarbij staat vast dat Buma/Stemra niet de bezoekers Nederland.fm voor ogen heeft gehad, toen toestemming werd verleend voor openbaarmaking door de radiostations.[rov. 4.5.]

Dat deradiostreams gepresenteerd worden in het kader van een eigen website is auteursrechtelijk relevant omdat de eigenaar op die manier de mogelijkheid schept om zelf profijt te trekken uit de radiostreams en de daarin opgenomen muziekwerken. Dat gebeurt ook nu er advertenties worden geplaatst op de site. [rov. 4.6] Het enkele feit dat de radiostreams door de browser van de bezoeker rechtstreeks van de mediaservers van de radiostations worden gehaald, kan niet tot en ander oordeel leiden. [rov. 4.7.]

De rechtspraak dat hyperlinken als zodanig niet kan worden aangemerkt als een openbaarmaking kan onbesproken blijven, omdat de interventie van Nederland.fm verder gaat dan het enkel aanbieden van hyperlinks.[rov. 4.11.]

De rechtbank is zich ervan bewust dat de auteursrechtelijke kwalificatie van Nederland.fm vragen oproept over de uitleg van het begrip “mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3 van de Auteursrechtrichtlijn (richtlijn 2001/29/EG). De eigenaar heeft ter comparitie laten weten dat hij daarom zou willen dat de rechtbank prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie.

De rechtbank heeft besloten dat niet te doen en evenmin te wachten op antwoorden van het HvJEU op de vragen die een Zweeds gerechtshof (Svea Hovrätt) recentelijk heeft gesteld in een op onderdelen vergelijkbaar geval. Achterliggende reden is dat Buma/Stemra ter comparitie uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij niet wil dat de rechtbank vragen stelt omdat zij snel een rechterlijke uitspraak wil krijgen. Dat belang dient in dit geval voorrang te krijgen.[rov. 4.14.]

Nederland.fm dient binnen één maand te stoppen op straffe van een dwangsom (of een licentie aan te vragen).[rov. 5.1. en 5.2.]

Conclusie:

Veel vragen:
Dit vonnis van de rechtbank roept een aantal vragen op en bevat een aantal merkwaardige redeneringen. Dit zit uitsluitend in het gedeelte over openbaarmakingKortgezegd is de uitkomst van de zaak dat embedden van muziek een auteursrechtelijke inbreuk oplevert zodra je er geld mee verdient.

Opmerkelijke redeneringen:
De rechtbank hanteert een, mijns inziens, vrij wazige redenering om tot inbreuk te komen. Er wordt relatief weinig aandacht besteed aan de vraag of Nederland.fm openbaar maakt. In rov. 4.3. wordt simpelweg gesteld:

Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord omdat X zijn websites zo heeft ingericht dat de gelinkte radiostreams worden beluisterd in het kader van zijn websites.

Het wordt verder niet duidelijk wat ‘in het kader van zijn websites’ dan precies is. Gaat het hier letterlijk om het embedden via iframe? Dat zou kunnen gezien de opmerking in rov. 4.4.

Voorop staat dat de betrokkenheid van X bij de openbaarmaking verder gaat dan het enkele aanbieden van een hyperlink naar de radiostreams. Bij Nederland.fm heeft X ervoor gekozen om de radiostreams en de daaraan gekoppelde visuele content te presenteren in een frame binnen de homepage van Nederland.fm. Op die manier bewerkstelligt X dat de bezoeker tijdens het beluisteren van de radiostreams de homepage van Nederland.fm gepresenteerd krijgt.

Hieruit kan echter ook worden afgeleid dat het criterium is dat er een hoofdsite is (in casu Nederland.fm of OP.nl) waaraan (delen van) andere sites (in casu die van de radiostations) ondergeschikt worden gemaakt.

Waar de rechtbank werkelijk onnavolgbaar wordt is bij het constateren dat de openbaarmaking ook een inbreuk oplevert. In rov. 4.6. gaat dat als volgt:

Dat X de radiostreams presenteert in het kader van zijn eigen websites is auteursrechtelijk relevant omdat hij op die manier de mogelijkheid schept om zelf profijt te trekken uit de radiostreams en de daarin opgenomen muziekwerken. In feite eigent X zich door zijn handelswijze de mogelijkheid toe om de muziekwerken te exploiteren. X maakt ook gebruik van die mogelijkheid.

Het woord “omdat” in dit citaat is gecursiveerd omdat het aangeeft waar de oorzaak wordt gezocht namelijk bij het feit dat Souren er geld mee verdient. Dat is een redenering in de trant van “iemand verdient geld, dus dat moet inbreuk zijn”. Het enkele feit dat iemand geld verdient aan een openbaarmaking levert geen causaal verband op om zonder meer inbreuk te kunnen constateren.

Nog los daarvan is “de mogelijkheid scheppen om zelf profijt te trekken uit radiostreams” ook van toepassing bij normaal hyperlinken. Denk bijvoorbeeld aan een website van een muziektijdschrift die drie links heeft staan naar drie verschillende radiostations met een bijschrift in de trant van “Luister naar dit station omdat”. Is dat dan ook een “mogelijkheid om profijt te trekken uit de radiostream” van het bewuste station? Of is dat niet zo omdat de in die stream opgenomen muziekwerken toegankelijk zijn voor het publiek dat Buma/Stemra voor ogen had toen zij toestemming verleende voor het gebruik van de muziekwerken door de radiostations? [rov. 4.5] In dat kader wordt de hyperlink jurisprudentie toch weer een stuk relevanter hoewel dat voor deze zaak blijkbaar niet het geval was. [rov. 4.14.]

Daarop voortboordurende, kennelijk maakt het uit of een individu luistert naar een radiostation via zijn autoradio/iPod/webstream via site van station zelf of via een site die (diezelfde) radiostream embedded aanbiedt. Kennelijk gaat het om een ander publiek. De websites van Souren zijn namelijk andere audiovisuele producten dan de websites van de radiostations. Ook hier wordt niet duidelijk hoe de websites van Souren dan precies andere audiovisuele producten zijn de websites van de radiostations zelf.

Europese regelgeving:
Europese regelgeving en meer in het bijzonder de Auteursrechtrichtlijn speelt hier ook nog een rol. Daarin wordt gesproken van het begrip “mededeling aan het publiek” in tegenstelling tot het “openbaar maken” zoals we dat in Nederland kennen. De invulling van dit criterium is verder overgelaten aan het HvJEU die tot op heden enkele uitspraken heeft gedaan die niet altijd zonder meer direct overzichtelijk zijn. Dat komt mede doordat “mededeling aan het publiek” wordt omschreven als “een doorgifte of wederdoorgifte van een werk, per draad of draadloos, met inbegrip van uitzending.” Iemand maakt zich schuldig aan secundaire openbaarmaking als hij daarbij een beroeps- of soortgelijk belang heeft. In de kern komt dit er gewoonlijk op neer dat diegene geld moet verdienen aan deze openbaarmaking/mededeling aan het publiek.

Hoe het geheel zou uitpakken als er prejudiciële vragen naar het HvJEU gaan is onbekend. De Europese rechter is onvoorspelbaar op dit vlak. We weten inmiddels dat het bij de term “publiek” in het kader van de “mededeling aan het publiek” een “nieuw publiek” moet zijn. Het gaat daarbij om een publiek waarmee de auteur geen rekening hield toen hij toestemming gaf tot de openbaarmaking van zijn werk (arresten Hof van Justitie EG, 7 december 2006, SGAE v Ra-
fael Hoteles C-306/05 en Hof van Justitie EG, 14 oktober 2011, Football Association Premier League Ltd e.a. v QC Leisure e.a. C-403/08). Dat er sprake moet zijn van een winstoogmerk volgt onder meer uit arresten Hof van Justitie EU, 15 maart 2012, PPL v Ierland C-162/10 en Hof van Justitie EU, 15 maart 2012, SCF v DelCorso C-135/10)

Dit Europees stelsel van jurisprudentie is enigszins willekeurig. Zo werd in het geval van het Ierse hotel aangenomen dat er een nieuw publiek was enkel en alleen op grond van cd’s die in de hotelkamer lagen om te beluisteren. In de zaak van de tandarts (DelCorso) (artikel op legallife.nl hier) was het publiek echter weer te kleinschalig om sprake te zijn van mededelen. Dit draagt allemaal niet bij tot de overzichtelijkheid.

Relevantie voor Nederland.fm:
Terug naar de zaak van Nederland.fm Volgens bovenstaande systematiek maakt Nederland.fm vrijwel zeker inbreuk en OP.fm wellicht niet. Nederland.fm maakt secundair openbaar. De stream komt binnen via de site en genereert daarmee inkomsten uit advertenties. Op.fm levert slechts een overzichtje van links naar online te beluisteren radiostations. Hier zou een logische gedachte kunnen zijn dat linken, zolang het niet tot een embedded weergave leidt, geen openbaar maken is. De rechter is het hier echter niet mee eens op de grond dat, ondanks de popup, gedurende het afspelen van de radiostream ten minste een groot deel van de homepage van Op.fm zichtbaar blijft voor de bezoeker. Daarmee gaat de betrokkenheid van de site verder dan de enkele beschikbaarstelling van faciliteiten om een openbaarmaking mogelijk te maken. [rov. 4.4.] Voor zover het aannemelijk is dat er sprake is van meer dan enkel hyperlinken, wordt het oordeel van de rechtbank dat er dan sprake is van een openbaarmaking gesteund in andere jurisprudentie[rov. 4.10]

Wat is er aan Europees recht in het vonnis terug te vinden? Praktisch niets! Dat er vragen zijn gesteld aan HvJEU in een op punten vergelijkbare Zweedse zaak is niet relevant genoeg. Het gaat daarbij overigens om een zaak waarin zoekdienst Retriever linkte naar artikelen van de klagers op de openbare website van Göteborgs Posten, een Zweedse krant.

Het geschil gaat om de vraag of het linken vanaf deze “gesloten” database naar een openbare website van een krant toelaatbaar is, of dat er sprake is van een inbreuk op het auteursrecht nu betalende klanten van Retriever regelrecht konden doorlinken naar artikelen. (artikel op legallife.nl hier)

Spoed van Buma/Stemra:
De rechtbank geeft voorrang aan de spoed van Buma/Stemra om een uitspraak te verkrijgen. Dat is opvallend aangezien de voorzieningenrechter eerder oordeelde dat Buma/Stemra geen vaart had gezet achter de licentieonderhandelingen en dus geen spoedeisend belang had.

Samenvattend:
Deze uitspraak is gewoonweg vreemd. De redenering om een inbreuk te kunnen constateren is erg kort door de bocht. Van OP.fm kun je de vraag stellen of het eigenlijk gaat om embedden of hyperlinken (al dan niet op een manier die kwalificeert als openbaarmaking). De Europese dimensie lijkt volstrekt geen rol te spelen in het oordeel.

Al met al zou het bijzonder nuttig zijn als deze zaak in hoger beroep behandeld wordt. Wie dit nog op coherente en begrijpelijke manier aan een leek kan uitleggen verdient een medaille.

Bron:
Rechtbank ’s-Gravenhage, 19 december 2012, HA ZA 11-2675, Vereniging Buma tegen Sourenvia ie-forum.nl die het op hun beurt via Höcker advocaten hebben.
Rechtbank ’s-Gravenhage, 8 juli 2011, Vereniging Buma & Stichting Stemra tegen Souren via boek9.nl (kortgeding vonnis)
Hof van Justitie EG, 7 december 2006, SGAE v Rafael Hoteles C-306/05
Hof van Justitie EG, 14 oktober 2011, Football Association Premier League Ltd e.a. v QC Leisure e.a. C-403/08
Hof van Justitie EU, 15 maart 2012, PPL v Ierland C-162/10
Hof van Justitie EU, 15 maart 2012, SCF v DelCorso C-135/10