De positie van de patiënt is in Nederland enorm sterk. De ratio hierachter is dat het voor een zorgverlener niet zomaar mogelijk moet zijn om van een overeenkomst op te zeggen en zo van de patiënt af te komen. Het kan met dit soort overeenkomsten immers letterlijk om leven en dood gaan. Er is met de invoering van de Wet inzake de geneeskundige behandeling wel gedacht aan situaties waarin van een zorgverlener niet langer gevraagd kan worden om de behandelovereenkomst voort te zetten. Een hulpverlener mag de overeenkomst opzeggen als daartoe ‘gewichtige redenen’ bestaan. Gewichtige redenen worden aanwezig geacht als redelijkerwijs niet van de hulpverlener verlangd kan worden de overeenkomst in stand te houden. Dergelijke situaties zijn zeldzaam maar komen wel voor, een schoolvoorbeeld van een dergelijk geval is een redelijk recente uitspraak van de voorzieningenrechter te Utrecht.

De feiten:
Het gaat om een geding van stichting Abrona tegen één van haar cliënten welke de eiseres is. Abrona is een christelijke organisatie voor dienstverlening, waaronder woonvoorzieningen, aan mensen met een verstandelijke beperking. Over eiseres zijn veel klachten ontvangen over onder meer geluidsoverlast, intimidatie van cliënten en personeel en vervuiling. Daarnaast is zij gearresteerd door de politie op verdenking van diefstal. Dat onderzoek loopt nog.

Het geschil draait er om of Abrona de tussen partijen bestaande zorgrelatie mocht opzeggen. Partijen hebben deze zorgrelatie niet schriftelijk vastgelegd. Wel staat tussen partijen vast dat eiseres in de afgelopen jaren woonruimte en zorg van Abrona heeft ontvangen.

Hoewel ook woonruimte werd verstrekt, overheerst het zorgelement nu deze woonruimte en zorg (slechts) werden verstrekt op basis van een indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ-indicatie). Dit is een indicatie uit met name de geestelijk gezondheidszorg die aangeeft hoeveel en wat voor soort zorg iemand nodig heeft.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Voor adequate nakoming van een zorgovereenkomst is vereist dat beide partijen zich daartoe inspannen. Zorg dient niet slechts verleend te worden, maar ook aanvaard. Abrona heeft gedurende enkele jaren de geïndiceerde zorg aangeboden en heeft zich ingespannen om eiseres te bewegen deze zorg ook te aanvaarden. Dit mocht echter niet baten daar eiseres zo weinig zorg blijft aanvaarden dat (ruimschoots) niet aan de indicatiestelling kan worden voldaan.

Het kleine beetje zorg wat verleend wordt wenst eiseres slechts op haar eigen voorwaarden zorg te aanvaarden. Derhalve komt de basis onder zorgovereenkomst weg te vallen nu deze niet op de geïndiceerde wijze kan worden ingevuld.

Ook had de instelling de nodige zorgvuldigheid in acht genomen. Er zijn aan eiseres meerdere alternatieven voorgelegd die zij allen niet heeft willen aanvaarden. Wel was de gehanteerde opzegtermijn te kort; deze moest van een maand naar zes weken. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat ook Abrona zich zal inspannen om er voor te zorgen dat na beëindiging van de zorgovereenkomst passende zorg voor eiseres wordt gevonden. Ondertussen kan eiseres verblijven in de crisisopvang. Een terugkeer naar de reguliere woonvorm acht de rechter niet verantwoord.

Conclusie:
Voor naleving van een (zorg)overeenkomst moeten beide partijen zich inspannen. Het klinkt bijzonder vanzelfsprekend maar in de praktijk is dit anders gezien de sterke positie die de patiënt heeft. Overigens omvat de parlementaire geschiedenis als grond voor opzegging wel de extreem weigerachtige patiënt.

Het is opvallend dat de voorzieningenrechter in dit geval de zorgovereenkomst benadert als ware het een reguliere privaatrechtelijke overeenkomst. Als de (weder)partij niet meewerkt dan is de andere gerechtigd tot het opzeggen van de overeenkomst. Gewoonlijk is opzegging van een zorgovereenkomst alleen mogelijk op grond van bijzondere omstandigheden terwijl hier een reguliere rechtsregel wordt gehanteerd. Op deze kleine bijzonderheid na is deze uitspraak een vrij standaard situatie waarbij weigering tot medewerking aan behandeling leidt tot beëindiging van de overeenkomst.

Bron:
LJN: BW6298,Voorzieningenrechter Rechtbank Utrecht

Zorginstelling Pyxis (what’s in a name?) heeft van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een verbod gekregen om om op twee van haar locaties cliënten te huisvesten en begeleiden zolang zij niet heeft aangetoond dat de voorwaarden van verantwoorde zorg aanwezig zijn en heeft hij Pyxis bevolen dat zij tot die tijd haar functies staakt en overdraagt aan de GGZ-instelling Altrecht.

Onrechtmatige binnentreding:
Deze instructies zijn mede gegeven op basis van informatie die door de IGZ was verkregen doordat een handhaver de kamers van cliënten van Pyxis was binnengetreden. Pyxis dacht vervolgens slim te zijn en onder de bevelen van de IGZ uit te komen door te beweren dat de kamers van de cliënten als woningen te gelden hebben en het verkregen bewijs dus onrechtmatig is.

Bevoegdheden van de handhaver:
Het is hierbij van belang om te vermelden dat de handhavers van de IGZ onder artikel 5:15 lid 1 Awb bevoegd is om elke plaats te betreden, met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner. Zonder deze toestemming wordt door artikel 2 lid 2 van de Algemene Wet op het Binnentreden (Awbi) een schriftelijke machtiging vereist. Beiden waren in casu niet aanwezig.

Kansloze poging:
Helaas was deze redenering al kansloos voordat hij in dit geding werd gebezigd. De Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State heeft al eerder geoordeeld dat uit artikel 12 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van de Awbi voorvloeit dat het grondrecht strekkende tot onschendbaarheid van de woning slechts aan de bewoner toekomt. Degene die niet de binnengetreden woning bewoont, kan niet worden aangemerkt als degene wiens belang door het zonder toestemming binnentreden is getroffen en dus ook niet als degene die bescherming van het woonrecht kan inroepen. Concreet betekent dit dat de cliënten van Pyxis wel het bewoonrecht zouden kunnen inroepen maar Pyxis zelf niet want die is niet daadwerkelijk bewoner van het pand c.q. de kamers.

Conclusie:
Het zou te gek voor woorden zijn als een zorginstelling het bewoonrecht kan inroepen tegenover de IGZ. De IGZ verricht onder meer onaangekondigde inspecties en als dan de toegang ontzegd kan worden door de zorginstelling zelf op grond van het bewoonrecht, dan zou het hele handhavingsstelsel in elkaar zakken. Het is zeer terecht dat dit soort juridische slimmigheden door de rechter de kop in worden gedrukt.

Bron:
LJN: BW3365, Rechtbank Utrecht , SBR 12/765

Het kan bijna niemand ontgaan zijn dat de afgelopen week veel te doen is geweest omtrent het filmen op  de eerste hulpafdeling van het VUmc voor een programma van Eyeworks genaamd:  ’24 uur, tussen leven en dood’ Het programma is inmiddels dan wel geschrapt nadat er één aflevering uitgezonden is maar de nasleep ervan gaat nog vrolijk verder.

Er aangifte gedaan tegen het VUmc alsmede televisieproducent Eyeworks. Peter Plasman, advocaat van een aantal patiënten, heeft namens hen de aangifte ingediend. De aangifte is met name gebaseerd op schending van het beroepsgeheim (art. 272 Sr) en het ‘wederrechtelijk verkrijgen van informatie’ (art. 139 Sr). Het is overigens niet duidelijk om hoeveel patiënten het precies gaat, Advocatenblad.nl spreekt van vijf patiënten terwijl Medisch Contact het heeft over tenminste drie.

Het programma schrappen was waarschijnlijk wel een slimme beslissing. Het laatste wat de betrokkenen nodig hebben naast alle persaandacht is dat ze toch gaan uitzenden en het OM nog wat extra munitie geven. Het VUmc is stevig gegrild door een keur aan verschillende mensen en organisaties variërend van een hoogleraar gezondheidsrecht en een medisch ethicus tot de KNMG. Er is vooralsnog ook niets bekend over of de patiënten een schadeclaim willen gaan indienen.

Kijk vooral ook even naar het stuk van Nieuwsuur (link onderaan de pagina) waar een heel interessant interview met de advocaat staat. Rond 5.15 wordt genoemd dat de bestuursvoorzitter Elmer Mulder heeft gezegd dat er spanning is tussen wat geheim moet blijven en wat publiek kon zijn en dat het zorgvuldig afgewogen is. De reactie van Plasman is stevig: ‘‘Het is verontrustend dat een dergelijke functionaris van een ziekenhuis zo tegen het medisch beroepsgeheim aankijkt. Er is bij het beroepsgeheim geen sprake van enige spanning tussen informatieplicht en recht op privacy.’ Dit standpunt strookt met de uitspraken van Kompanje eerder in de uitzending dat de wet heel duidelijk is en dat derden niets in de behandelkamer te zoeken hebben. De zaak zal zich nog wel een tijd voortslepen, al met al kunnen Eyeworks en het VUmc dus voorlopig hun lol op.

Bron:
Patiënten doen aangifte tegen VUmc via Medisch contact
Camera moet artsen VUmc niet bezighouden via Advocatenblad.nl
KNMG: VUMC schendt privacy patiënt via KNMG
VUmc schond medisch beroepsgeheim via Medisch contact
VUmc: patiënten stappen naar de rechter (inclusief interview met advocaat) via Nieuwsuur.nl

Ziekenhuizen komen de laatste tijd vaak in het nieuws in verband met financiële problemen. Zie bijvoorbeeld het recente geval van het ziekenhuis in Dokkum waar 4 afdelingen moeten worden gesloten omdat er structureel bezuinigd moet worden.
Momenteel mogen ziekenhuizen geen winst uitkeren maar onder het nieuwe wetsvoorstel zou dit wel mogelijk worden. Voor medisch-specialistische zorg geldt een verbod op winststreven en daarmee in praktisch opzicht dus ook op winstuitkeringen (hoewel dit laatste dus niet met zoveel woorden in de wet vermeld staat). Ziekenhuizen kunnen momenteel dus bijna geen privaat risicodragend vermogen aantrekken en zijn bijna uitsluitend gefinancieerd met vreemd vermogen.
Onder het nieuwe wetsvoorstel zou dit veranderen. Hiermee worden ziekenhuizen aantrekkelijk(er) voor private investeerders zoals pensioenfondsen of buitenlandse zorgbedrijven. Dat is voor ziekenhuizen gunstig omdat ze hiermee een nieuwe geldstroom kunnen aanboren en dat is in veel gevallen hard nodig. Een ander prettig bijkomend effect is dat er dan niet door de overheid bijbetaald hoeft te worden. Zorg is al jaren een probleempost op de balans.

De keerzijde van het kunnen uitkeren van winst is dat er geld uit het ‘bedrijf’ gehaald kan worden wat eigenlijk naar de patiëntenzorg zou moeten gaan. Dat probleem is ook door de minister gesignaleerd. Durfinvesteerders of investeerders die zo veel mogelijk winst willen behalen in korte tijd moeten buiten de deur worden gehouden. Er worden behoorlijk wat voorwaarden gesteld aan het mogen investeren in ziekenhuizen en het doen van winstuitkeringen. Winstuitkering mag pas plaatsvinden na minimaal drie jaar investeren. Iedere investeerder moet bovendien een toets van de Inspectie voor de Gezondheidszorg doorstaan en over voldoende reserves beschikken.

Hoewel deze maatregelen op het eerste gezicht redelijk stevig lijken, valt er nog wel iets op af te dingen. De Raad van State maakt een zeer belangrijke opmerking in haar rapport met betrekking tot de driejaarstermijn: Het wetsvoorstel bepaalt dat de winst pas na een bepaalde termijn mag worden uitgekeerd. Het bepaalt daarentegen niet dat winst die is gemaakt in de daaraan voorafgaande jaren, niet mag worden gereserveerd en daarna gecumuleerd mag worden uitgekeerd. Zo bezien, is de betekenis van de wachttijd voor het beoogde doel betrekkelijk. Daarbij is het overigens onduidelijk of er na ommekomst van de wachttijd van drie jaar nog beperkingen zijn, andere dan de in het vennootschapsrecht gebruikelijke, om de aldus gereserveerde winstuitkeringen die in de loop van die drie jaar zijn opgebouwd en niet zijn uitgekeerd,  vervolgens in één keer uit te keren. Daar komt bij dat een investeerder die nadien het aandelenpakket overneemt, niet of nauwelijks met deze voorwaarde lijkt te worden geconfronteerd. Daarenboven wordt ook nog opgemerkt dat deze wachttijd wel eens problemen op zou kunnen leveren met de Europese regeling voor vrij verkeer van kapitaal. Het advies van de Raad bevat nog heel aantal andere punten maar dit is zeker één van de meest fundamentele. De Tweede Kamer en Minister zullen vermoedelijk nog eventjes aan het werk moeten om alle gaten te dichten.

Bron:
Voorstel van Wet (Kamerstukken II 2011-2012, 33168 nr. 2)
MvT (Kamerstukken II 2011-2012, 33168 nr. 3)
Advies Raad van State (Kamerstukken II 2011-2012, 33168 nr. 4)
Te vinden via: officielebekendmakingen.nl