De fiscus is zeer bekend van de slogan: “Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker” Over dat gemak is altijd veel geklaag dus daarom gooit de fiscus het in deze rechtszaak over een andere boeg en proberen ze het leuker te maken met een wel zeer aparte rechtvaardiging om een geïmporteerde auto voor de BPM-heffing als nieuw te mogen beschouwen.

De feiten:
Als je een auto uit het buitenland importeert en je wilt deze in Nederland op de weg gaan gebruiken dan moet je nog BPM afdragen. Bij een nieuwe auto of een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest moet je het volle pond betalen. Bij een auto waar dit niet het geval is vind een vermindering van de BPM plaats op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet BPM. Als deze vermindering maar hoog genoeg en de prijs van de auto is maar laag genoeg, dan is het financieel zeer interessant om een jonge gebruikte auto uit het buitenland te halen.

Belanghebbende in deze zaak heeft een Audi Q5 geïmporteerd uit Duitsland. In geschil is de hoogte van de verschuldigde BPM. Bij Hof Amsterdam stelde de man dat het ging om een gebruikte auto en dat rekening moet worden gehouden met de vermindering van artikel 10. De fiscus is het hier niet mee eens en stelt dat het gaat om een auto die als nieuw is.

Belanghebbende voert voor zijn standpunt aan, primair dat de auto in Duitsland geregistreerd is geweest en subsidiair dat de auto ten tijde van het doen van aangifte 1.723 kilometer heeft gereden.

Oordeel en overwegingen van het hof:
Het eerste argument wordt al snel van tafel geveegd. Uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:GHARN:2008:BC2744) volgt dat de enkele omstandigheid dat de auto in Duitsland is geregistreerd voordat hij in Nederland werd geregistreerd niet in de weg staat aan het oordeel dat de auto als nieuwe personenauto moet worden aangemerkt.

Ten aanzien van de kilometerstand oordeelt het hof dat naar maatschappelijke opvattingen, een auto die 1.723 km heeft gereden in beginsel moet worden aangemerkt als een auto die is gebruikt. Er kan dan niet als regel worden gezegd dat de auto nauwelijks is gebruikt. Dit strookt met wat de fiscus ter zitting meedeelt. Een auto dient naar zijn mening als gebruikt te worden aangemerkt wanneer de auto ten tijde van het doen van aangifte gebruikssporen heeft. Er wordt wel gekeken naar het aantal kilometers maar dat is niet doorslaggevend.

Belanghebbende heeft betoogt dat uit de kilometerstand volgt dat er ontegenzeglijk sporen van gebruik zijn geweest, bijvoorbeeld steenslag en de staat van de banden. De inspecteur heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Hij kon niets tegen de stelling van verdachte inbrengen anders dan dat de auto als nieuw rook.

Het hof volgt het standpunt van belanghebbende en er wordt een lagere BPM vastgesteld.

Conclusie:
De inspecteur zal een niet al te beste dag gehad hebben. Eerst zegt hij dat er met name wordt gekeken naar gebruikssporen en dat de kilometerstand niet doorslaggevend is. Vervolgens blijft de feitelijke onderbouwing steken op dat de auto als nieuw rook. In het licht van de argumenten van belanghebbende is dat een bijzonder zwakke onderbouwing. Het is immers zeer aannemelijk dat met een 1700 kilometer op de teller er echt wel sprake is van dingen als steenslag. Toegegeven dat het niet bijzonder veel slijtage zal zijn maar desalniettemin zul je een auto met dergelijke sporen moeilijk als nieuw kunnen aanmerken.

Het is in ieder geval zonder meer één van de meest originele rechtvaardigingen die ik in lange tijd voorbij heb zien komen om een auto voor de BPM als nieuw aan te merken maar mijns inziens wel bijzonder terecht dat het van tafel wordt geveegd.

Bron:
Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2013:4164

De Belastingdienst is altijd druk bezig met op gegevens om te controleren of mensen privé-gebruik van hun zakelijk gereden auto wel opgeven. Logisch en terecht want degenen die hun auto voor meer dan 750 km op jaarbasis privé gebruiken beduvelen de zaak en kosten de schatkist geld. Er zijn echter grenzen aan hoe ver je mag gaan om informatie te verzamelen met name wanneer het privéleven van mensen in het geding kan raken. Iedereen heeft immers recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. In een kort geding werd onlangs besloten dat de gegevens van SMSParking dusdanig aan de privésfeer raken dat de fiscus deze niet mag opvorderen.

De feiten:
SMSParking maakt het mogelijk om betaald parkeren via Sms-bericht, internet, smartphone of app. Met het merendeel van de aangesloten gemeenten wikkelt SMSParking de transacties af via het Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten (SHPV). Met andere gemeenten handelt SMSParking rechtstreeks, zonder tussenkomst van het SHPV.

SMSParking heeft beschikking over tal van persoonlijke gegevens om haar diensten aan te kunnen bieden. Het gaat dan om persoonlijke gegevens van de klant, parkeerduur en kentekengegevens. De Belastingdienst wil inzicht hebben in deze gegevens. Zij stelt daartoe dat SMSParking administratieplichtige is in de zin van artikel 53 juncto artikel 52. Artikel 53 AWR geeft de Belastingdienst de bevoegdheid tot het stellen van serievragen (vragen die niet geïndividualiseerd zijn naar belastingplichtigen en die betrekking kunnen hebben op meer dan één jaar). Vereist is wel dat de te verstrekken gegevens en inlichtingen voor de belastingheffing van belang kunnen zijn.

De Belastingdienst stelt voorts dat op grond van vaste jurisprudentie blijkt dat een dergelijk verzoek geen inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer zoals deze wordt beschermd door artikel 8 EVRM.

Oordeel rechter:
De rechter is met de Belastingdienst van oordeel dat de wet een ruime bevoegdheid toekent aan de Belastingdienst om gegevens op te vragen die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing [r.o. 4.5. & 4.12.]. Echter, inlichtingen omtrent parkeergedrag kunnen veel zeggen over persoonlijk gedrag van burgers. Burgers worden tegen overheidsinmenging in hun privéleven beschermd door artikel 8 EVRM. Het uitgangspunt is dat iedere burger in beginsel een auto moet kunnen parkeren op een door die burger verkozen plaats in Nederland, zonder dat de overheid behoeft te weten dat hij dat doet en waarom hij dat doet. Deze regel kan wel worden doorbroken maar dat kan slechts gebeuren om zwaarwegende redenen zoals genoemd in het verdrag. [r.o. 4.15. t/m 4.17.]

Het is waar dat de Hoge Raad in 1974 beslist heeft dat de Belastingdienst recht heeft op gegevens en ook in latere uitspraken hebben rechters deze uitspraak gevolgd. Er zijn echter de nodige dingen verandert in de afgelopen 40 jaar zoals onder meer de mogelijkheid om grote hoeveelheden gegevens over burgers elektronisch vast te leggen. Die gegevens zijn eenvoudig te koppelen aan het gedrag van burgers in privésfeer. Dergelijke gegevens worden steeds vaker opgevraagd door instanties die zeggen te handelen op basis van de uitzondering zoals vastgelegd in art. 8 lid 2 EVRM. Daarmee werpt zich de vraag op wat de hoofdregel van artikel 8 eigenlijk nog waard is.[r.o. 4.20.]

Ook de Hoge Raad heeft recentelijk aangegeven dat hij oog heeft voor de maatschappelijke ontwikkelingen en, bij gebreke aan voldoende heldere wettelijke kaders, open blijkt te staan voor het leveren van een bijdrage aan meer duidelijkheid bij het zoeken naar de balans tussen waarheidsvinding en bescherming van degenen die over de informatie beschikken (ECLI:NL:HR:2013:BZ9958, JOR 2013).[r.o. 4.22.]

De voorzieningrechter wijst de gevraagde voorlopige voorziening niet toe gezien het ongelimiteerde karakter van de aan SMSParking gevraagde privacygevoelige volledige parkeerinformatie van haar klanten in samenhang met het in algemene termen omschreven oogmerk voor gebruik. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat het overdragen van alle gegevens van alle klanten die in 2012 gebruik maakten van de diensten van SMSParking evenredig is aan het door de Belastingdienst nagestreefde doel en voldoet aan de noodzakelijkheidseis.

Volgens de voorzieningenrechter is het nodig dat opnieuw gekeken wordt waar de grens ligt tussen enerzijds het gerechtvaardigde belang om informatie op te vragen teneinde correct belasting te kunnen heffen en anderzijds het recht op privacy. Het is niet aan de rechter en zeker niet aan de rechter in kort geding om in algemene zin te bepalen waar de grens precies moet liggen, maar hier gaat het verzoek in deze vorm naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval te ver. [r.o. 4.23.]

Conclusie:
Dit is typisch een uitspraak waarvan het uiteindelijke belang momenteel nog lastig is in te schatten maar later wellicht monumentaal blijkt te zijn. Op het eerste gezicht gaat het om een zeer triviale kwestie waar de Belastingdienst gegevens wil hebben van SMSParking. In veel vergelijkbare zaken verkreeg de Belastingdienst deze gegevens ook. Wie het interessant vindt, kan tal van dergelijke zaken terugvinden in het vonnis.

De Belastingdienst heeft een sterke positie. Zij heeft uitgebreide wettelijke bevoegdheden om informatie op te vragen en een eerdere arrest van de Hoge Raad aan haar zijde waaruit blijkt dat artikel 8 EVRM vaak zal moeten wijken voor het belang van belastingheffing.

De voorzieningenrechter constateert dat de tijden verandert zijn onder meer vanwege de grote invloed van IT. Het is mogelijk om enorme hoeveelheden privacygevoelige informatie op te slaan. Deze wordt steeds vaker opgevraagd door allerlei instanties die zeggen te handelen op een dusdanige wijze voor een dusdanig belang dat een inbreuk op de privacy is gerechtvaardigd. Vervolgens constateert de voorzieningenrechter dat ook op maatschappelijk vlak steeds vaker de vraag speelt: wat is de hoofdregel van artikel 8 EVRM voor de burger nog waard?

In het kader van een antwoord op die vraag geeft de rechter aan dat een dergelijke afweging niet aan de rechter is waarbij de implicatie is dat de maatschappij en specifieker de overheid een antwoord zal moeten formuleren. De voorzieningenrechter geeft daarmee een zwengel aan het debat dat het hoog tijd om eens serieus werk van dit soort problemen te gaan maken. Dit speelt natuurlijk niet alleen bij Belastingdienst die gegevens wil hebben maar bij tal van organisaties die allerlei gegevens willen hebben. Het is te hopen dat acties als deze nu eindelijk eens wat gaan opleveren en dat mensen hier eens serieus over gaan nadenken.

De Belastingdienst heeft de gegevens ondertussen niet middels een voorlopige voorziening gekregen. Het is lastig in te schatten of zij een bodemprocedure zullen gaan aanspannen. De Belastingdienst beschikt namelijk al over de gegevens van het SPVH waar SMSParking ongeveer 90% van zijn gegevens aan doorgeeft. Zij zullen dus een afweging gaan maken of ze overige 10% gegevens relevant genoeg vinden om veel tijd en een nieuw proces aan te gaan spenderen.

Bron:
Rechtbank Oost-Brabant ECLI:NL:RBOBR:2013:6553

Vandaag duiken we andermaal in het internationale belastingverkeer met de zaak over de teruggaaf van dividendbelasting aan een Fins open-end beleggingsfonds. In nieuwsbrieven nrs. 10 en 11 van dit jaar is er al kort aandacht aan besteed. Ik besloot toen met de opmerking dat de Hoge Raad er waarschijnlijk aan te pas zou komen vanwege de grote financiële belangen voor de Staat. Dat bleek een correcte observatie te zijn. Nog geen drie dagen later werd in de Tweede Kamer gesproken over de mogelijkheid dat de uitspraak van het Hof kan leiden tot een aanzienlijk gat in de overheidsfinanciën. De staatssecretaris antwoordde dat er inderdaad een gat in de overheidsfinanciën kan ontstaan. De staatssecretaris was het evenmin eens met de vergelijking van het Finse beleggingsfonds en Nederlandse rechtspersonen die eveneens niet zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting.

De cassatie is er gekomen en op 15 november heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan.

Open-end fondsen:
Voor degenen die niet zo bekend zijn met de financiële wereld is het handig om eerst even uit te leggen wat een open-end fonds precies is en wat ze te maken hebben met vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Wie dit niet interessant vind kan deze paragraaf overslaan en verdergaan bij het kopje: De feiten.

Zoals eerder vermeld is een fonds gewoonlijk een kapitaalvennootschap welke dient als knooppunt van het vermogen van beleggers. De totale som geld is het fondsvermogen en daarmee wordt belegd. Beleggers kopen aandelen in het fonds en beleggen daarmee indirect in de onderliggende bedrijven. Het fonds heeft inkomsten (bijvoorbeeld dividend) en kosten (bijvoorbeeld beheerskosten) en er zijn waardeschommelingen in de aangekochte aandelen. Positieve en negatieve resultaten worden vervolgens doorgegeven aan de belegger als koersschommelingen van het fonds en bij goede prestaties ook als dividend.

Een open end beleggingsfonds is een beleggingsfonds waarbij het aantal aandelen gedurende de looptijd van het fonds niet vast staat, dit in tegenstelling tot een closed-end beleggingfonds wat niet zomaar nieuwe aandelen uit kan geven. Technischer gesteld gaat het om een fonds waarvan de deelnemingsrechten op verzoek van de belegger ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Er is dus een doorlopende verplichting tot inkoop en uitgifte van deelnemingsrechten (vaak aandelen maar het kunnen ook andere deelnemingsrechten zijn). Deze verplichting kent een vast stramien.

De waarde van het deelnemingsrecht voor inkoop of uitgifte periodiek komt tot stand tegen de intrinsieke waarde van het fonds. Dit komt omdat er bij een open-end fonds precies zoveel aan waarde aan deelnemingsrechten wordt buigegeven als er nieuw geld in het fonds stroomt. De intrinsieke waarde is de theoretische waarde van een deelnemingsrecht welke bestaat uit het verschil tussen de de bezittingen en de vorderingen op korte en lange termijn. Het beoogde gevolg is externe invloed op de prijsvorming van de vraag en aanbod op dat moment te minimaliseren.

Zoals gezegd geldt voor fondsen vaak dat het kapitaalvennootschappen zijn en als zodanig zijn zij gewoonlijk in het land van vestiging onderworpen aan vennootschapsbelasting. Wel is er vaak een gunstig regime voor fondsen omdat een land er economisch belang bij heeft dat er tegen gunstige voorwaarden belegd kan worden. Alles wat niet aan de fiscus hoeft te worden betaald komt de waarde van het fonds ten goede, belastingen zijn immers een kostenpost voor het fonds. Over dividenden die het fonds ontvangt wordt vaak dividendbelasting ingehouden. Als hoofdregel is het mogelijk om dividendbelasting af te trekken van verschuldigde vennootschapsbelasting.

De feiten:
Belanghebbende is een in Finland gevestigd “open-end” beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Er is in Nederland dividendbelasting geheven over uitgekeerde dividenden. In Finland heeft belanghebbende deze dividendbelasting niet kunnen verrekenen omdat hij aldaar is vrijgesteld van belastingheffing naar de winst. Als het fonds in Nederland zou zijn gevestigd, zou het aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen.

Onder omstandigheden kunnen Nederlandse rechtspersonen die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting wel een deel van de ingehouden dividendbelasting terugvragen van de Belastingdienst op grond van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965. Dit is om economische dubbele belasting over de winst van een in Nederland gevestigde vennootschap te voorkomen, voor zover deze winst bij wijze van dividend wordt uitgekeerd aan in Nederland gevestigde lichamen die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Lichamen die gevestigd zijn in andere lidstaten van de EU kunnen ook de dividendbelasting terugvragen als zij in hun eigen land niet onder een winstbelasting vallen en bij vestiging in Nederland ook zouden zijn vrijgesteld.

Het fonds verzocht de Nederlandse fiscus om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. De fiscus weigerde dit en het fonds ging in beroep. De vraag is of de ingehouden dividendbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 56 EG, thans artikel 63 VWEU.

Bij het hof:
Het hof oordeelde dat de omstandigheden van het Finse fonds te vergelijken waren met de situaties waarvoor de teruggaafregeling is bedoeld. De fiscus moest teruggaaf verlenen, anders zou sprake zijn van strijd met artikel 56 EG.

Oordeel in cassatie:
De Hoge Raad stelt dat eerst moet worden beoordeeld of de situatie belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigde vennootschap die onder het bereik van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 valt. Uit vaste jurisprudentie van het HvJEU volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een lidstaat bij belastingheffing vennootschappen uit een andere lidstaat discrimineert, in de regel niet van belang is hoe die baten door die andere lidstaat fiscaal worden behandeld. Een lidstaat heeft geen verplichting om bij belastingheffing (automatisch) een door een andere lidstaat aan een daar gevestigde vennootschap verleende fiscale faciliteit over te nemen.

De enkele omstandigheid dat het fonds in Finland is vrijgesteld van winstbelasting maakt nog niet dat het vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtspersoon die niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting. Indien het fonds in Nederland gevestigd zou zijn, zou het wel zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting. Het behoort daardoor niet tot de groep waarvoor de tegemoetkoming van artikel 10, lid 1, van de Wet DB 1965 bedoeld is. Hierin ligt geen discriminatie besloten.

De bepaling heeft als doel om zowel geen vennootschapsbelasting als ook geen dividendbelasting te doen drukken op dividenden voor bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Het doel van die bepaling strekt zich niet uit tot andere rechtspersonen.

Conclusie:
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie hoeven we in de regel niet te kijken naar hoe andere staten hun belastingheffing hebben geregeld noch hoeven we gelijke fiscale faciliteiten te bieden. Dat het fonds in Finland is vrijgesteld betekent niet dat je het één op één kunt vergelijken met een rechtspersoon die in Nederland is vrijgesteld. De regeling van artikel 10 lid 1 DB is bedoeld om er voor te zorgen dat als je in Nederland naar de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting, je niet over ontvangen dividenden alsnog dividendbelasting moet betalen. Als je bent vrijgesteld van vennootschapsbelasting dan heb je immers niets om de dividendbelasting mee te verrekenen.

Het Finse fonds zou in Nederland gewoon onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting dus het heeft pech. De dividendbelasting blijft gewoon in de Nederlandse knip en de Tweede Kamer en staatssecretaris hebben vooralsnog weer één probleem minder. Het fonds kan hooguit nog in beroep gaan bij het HvJEU.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1128
Hof Den Bosch ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9630

Wie weet nog vorig jaar de kleine rel rondom de anonieme tipgever die honderden zwartspaarders aangaf bij de Belastingdienst in ruil voor een beloning? De rechtbank Den Haag bepaalde in een kort geding dat de fiscus de identiteit van de tipgever geheim mocht houden.

De overeenkomst:
Het ministerie van Financiën heeft een geschoonde versie van de overeenkomst openbaar gemaakt. Hieruit blijkt dat de tipgever vrijwillig heeft gemeld te beschikken over informatie over zwartspaarders. Deze informatie is niet afkomstig van de Staat zelf en de tipgever heeft evenmin voor de staat gewerk bijvoorbeeld bij de Belastingdienst. Er is een vergoeding overeengekomen die afhankelijk is van de belastingopbrengst die de fiscus zal halen bij het aanpakken van de zwartspaarders.

Ook is in de overeenkomst bepaald dat tipgever niet zal worden ontzien op het vlak van belastingheffing, hij krijgt geen korting op zijn aangifte en er is geen verrekening met belastingschulden mogelijk. Daarnaast is de tipgever gewezen op de risico’s die zijn verbonden aan het tippen van de Belastingdienst. Het fiscale beleid is echter nog altijd gericht op geheimhouding van tipgevers.

De rechtbank:
Aanvankelijk oordeelde de geheimhoudingskamer van de rechtbank in Arnhem nog dat de tipgever bekend moest worden gemaakt. De zwartspaarders moesten de betrouwbaarheid van de tipgever kunnen toetsen. Dat is van belang omdat voor mensen die weigeren mee te werken aan onderzoek door de Belastingdienst, een omgekeerde bewijslast geldt: zij moeten aantonen dat zij niets verkeerd hebben gedaan. De rechtbank Den Haag bepaalde vervolgens dat de uitspraak van de rechtbank in Arnhem niet betekent dat de Belastingdienst ‘absoluut gehouden’ is om de identiteit te onthullen. Dit oordeel werd vervolgens weer bevestigd door de voorzieningenrechter in Arnhem.

Staatssecretaris Weekers van Financiën werd ondertussen niet warm of koud van de hele handel en heeft altijd gezegd dat hij de identiteit van de tipgever pas zou prijsgeven als de Hoge Raad hem daartoe zou dwingen.

In cassatie:
In cassatie is betoogd dat de fiscus op grond van het in art. 6 EVRM besloten liggende equality of arms-beginsel gehouden is aan eisers ongeschoonde stukken over te leggen. Het gaat hier om een civiele vordering die tot doel heeft stukken omtrent de tipgever geopenbaard te krijgen om ze te kunnen gebruiken in de fiscale zaak.

In beroep moet de fiscus alle van belang zijnde stukken indienen op grond van art. 8:42 Awb. Het is echter mogelijk op grond van gewichtige redenen het overleggen van stukken te weigeren. Aan de rechter kan worden meegedeeld dat slechts hij kennis mag nemen van de stukken (art. 8:29 Awb).

De rechter beslist of de weigering van de fiscus gerechtvaardigd is. Bij een negatief besluit blijft de verplichting om stukken te overleggen in stand. Als de fiscus dan nog steeds weigert de stukken te overleggen, trekt de rechter op grond van art. 8:31 Awb gevolgtrekkingen die hem geraden voorkomen.

De Hoge Raad overweegt dat in een fiscale procedure waarborgen zijn ingebouwd (waaronder art. 8:42 alsmede 8:29 en 8:31 Awb) die rekening houden met het belang dat eisers willen beschermen. Het gaat daarbij om hun verdedigingsbelang. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat eisers op de hoogte worden gesteld van de naam van de tipgever en van de tipgeversovereenkomst. Hun belang is slechts dat zij zich in de fiscale procedure naar behoren kunnen verdedigen tegen de opgelegde aanslagen en boeten.

De fiscus is daarom vrij om openbaring van de ongeschoonde stukken te weigeren.

Conclusie:
De Hoge Raad stelt in deze civiele zaak dat het belang van eisers is dat zij zich kunnen verdedigen tegen de opgelegde aanslagen en boeten. De belastingrechter is in beginsel vrij om kennis te nemen van de stukken en ze geheim te houden als hij dat nodig acht. Als de fiscus dan nog steeds weigert, is de belastingrechter vrij om daar conclusies aan te verbinden. Hiermee is het verdedigingsbelang van de eisers voldoende gewaarborgd in de fiscale procedure.

Vooralsnog staat het de fiscus dus vrij om de gegevens van tipgevers geheim te houden. De kans dat eisers dus leren aan wie ze hun boetes te danken hebben, is vrij klein.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2013:1042
Tipgeversovereenkomst deel 1 en 2

Eindelijk is er uitspraak gedaan in de zaak over de hondenbelasting. Dit conflict sleept al weer enige tijd. De vraag is of het onderscheid dat in art. 226 Gemeentewet wordt gemaakt tussen hondenbezitters en andere personen ongerechtvaardigde discriminatie is. De gemeente Sittard-Geleen was in cassatie gegaan omdat ze het niet eens was met het gerechtshof in Den Bosch. Dat besloot dat gemeenten geen hondenbelasting mochten heffen als de opbrengst aan de algemene middelen wordt toegevoegd. In dat geval zouden eigenaren van honden daar namelijk meer aan bijdragen dan anderen. Voor meer details, alsmede de feiten, verwijs ik naar het artikel uit januari dat hieraan is besteed.

Oordeel en overwegingen van de Hoge Raad:
De Hoge Raad begint met de vaststelling dat kan worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van het IVBPR en in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Dan volgt de standaardformulering voor toetsing van belastingen aan deze artikelen; het uitgangspunt is dat aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te gevolgd te worden tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.

Een van de redenen voor hondenbelasting is dat honden zorgen voor bevuiling van de openbare ruimte. De wetgever kon daarbij in redelijkheid uitgaan van de veronderstelling dat gemeenten in het algemeen kosten zullen moeten maken als gevolg van dergelijke bevuiling. Andere huisdieren zullen over het algemeen niet, of in veel mindere mate, de openbare bevuilen. Het onderscheid tussen hondenbezitter en niet-hondenbezitters is derhalve gerechtvaardigd.

De kosten die verbonden zijn aan het opruimen van bevuiling van de openbare ruimte door honden zijn niet dusdanig hoog dat een gemeente de belasting voor het houden van honden binnen haar grenzen in het algemeen of door de hond(en) van de individuele belastingplichtige in het bijzonder daar op moet afstemmen. Dit valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de gemeente toekomt. Een hondenbelasting mag dus gewoon in de algemene middelen vloeien en hoeft niet als geoormerkt geld te worden behandeld.

Het hof heeft dit miskend door te stellen dat heffing van een hondenbelasting ter verkrijging van algemene middelen slechts gerechtvaardigd is indien de kosten die het hondenbezit voor de gemeente meebrengt van wezenlijke betekenis zijn voor het heffen van die belasting, en de hoogte van die belasting bovendien mede is afgestemd op die kosten.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en bekrachtigd de uitspraak van de rechter.

Conclusie:
De Hoge Raad oordeelt kortgezegd dat het enkele feit dat de kosten in verband met bevuiling van de openbare ruimte rede is voor de belasting, niet betekent dat een gemeente die kosten apart moet verantwoorden daar zij niet van dusdanige omvang zijn dat er een verband moet worden gelegd tussen kosten en belasting. Dit valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die gemeente toekomt.

Gemeentes kunnen dus weer rustig ademhalen en mogen gewoon hondenbelasting heffen welke naar de algemene middelen vloeit. Zou dit niet het geval zijn dan zouden gemeentes komen te zitten met een onaangename boekhoudkundige verrassing. Je zit namelijk met een potje geoormerkt geld en je zult de kosten apart moeten gaan volgen en verwerken. Je moet dan aan de reinigingsdienst gaan toerekenen X bedrag voor algemene schoonmaakkosten en X bedrag specifiek in verband met honden. Bovendien zul je iets dergelijks aan de inkomstenzijde ook moeten gaan doen want je moet dan immers volgens het hof aantonen dat de kosten die het hondenbezit voor de gemeente meebrengt van wezenlijke betekenis zijn en de hoogte van die belasting afstemmen op die kosten. Dan moet je dus voor het heffen van hondenbelasting de financiële impact van hondenpoep gaan kwantificeren. Dat is voor grote gemeentes misschien nog wel de moeite waard om te doen maar voor een kleinere gemeente misschien de kosten van het onderzoek al niet eens waard.

Bron:
ECLI:NL:HR:2013:917 Hoge Raad