De Hoge Raad heeft afgelopen vrijdag een arrest gewezen dat van groot belang is voor de advocatuur. Een advocaat in loondienst heeft wel degelijk een verschoningsrecht. Dit volgt uit een sprongcassatie ingesteld door Delta N.V. naar aanleiding van een andersluidende beschikking van de rechtbank Groningen.

De aanloop:
We gaan eventjes terug naar 28 februari vorig jaar. De beschikking van de rechtbank Groningen ging over een voorlopig getuigenverhoor in een zaak die was aangespannen tegen Delta. De advocaat die daar in dienstbetrekking was zou geen verschoningsrecht hebben ten aanzien van interne communicatie omdat hij niet onafhankelijk was.

Deze redenering werd door de rechtbank onderbouwd met een beroep op het AKZO-arrest van het Europees Hof van Justitie. De rechtbank nam de argumentatie van het HvJEU over wat stelde dat, kort gezegd, de onafhankelijkheid van de advocaat in dienstbetrekking niet voldoende gewaarborgd is, omdat hij nu eenmaal in loondienst is van het bedrijf.

Het middel in cassatie:
Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat mededingingsrechtelijke jurisprudentie van het HvJEU, meebrengt dat ook naar Nederlands recht een advocaat in loondienst geen verschoningsrecht toekomt.

Overwegingen van de Hoge Raad:
In het Akzo-arrest heeft het HvJEU bevestigd dat binnen het Unierechtelijke mededingingsrecht een advocaat in dienstbetrekking geen verschoningsrecht toekomt vanwege een gebrek aan onafhankelijkheid. Anderzijds is uitgemaakt dat het Unierechtelijke mededingingsrecht en het nationale mededingingsrecht naast elkaar van toepassing zijn en dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel niet verplicht voor beide types procedures identieke criteria te hanteren aangaande de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaten en cliënten. Bijgevolg heeft het Akzo-arrest slechts te gelden binnen het Unierechtelijke mededingsrecht.

In Nederland is sinds lang aanvaard dat een advocaat in dienstbetrekking werkzaam kan zijn. Er is op basis van de Nederlandse praktijk en de waarborgen die bestaan ten aanzien van de wijze van praktijkuitoefening door advocaten in loondienst, onder meer in de Verordening op de advocaat in dienstbetrekking van 17 juni 1977 en de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking van 27 november 1996, geen reden om een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen op grond van het enkele feit dat hij in dienstbetrekking werkzaam is.

Conclusie:
De Hoge Raad maakt bijzonder korte metten met de uitspraak van de rechtbank. De redenering wordt trapsgewijs opgebouwd. Allereerst wordt vastgesteld dat voor het Unierechtelijke mededingingsrecht en het nationale civiele recht geen identieke maatstaven hoeven te worden gehanteerd. Vervolgens wordt toegewerkt naar de conclusie dat het Unierecht en het Nederlands civiele recht niet vergelijkbaar zijn en dat overwegingen van het Hof buiten de Unierechtelijke context in dit geval niet relevant zijn.

Dat wordt gedaan middels de conclusie dat in het Nederlands civiel recht al lange tijd is aanvaard dat de advocaat in loondienst werkzaam kan zijn en dat gezien de waarborgen die van kracht zijn, er geen enkele reden is om advocaat zijn verschoningsrecht te ontzeggen enkel en alleen omdat deze in loondienst werkzaam is. Er kunnen dus nog wel andere redenen zijn om een advocaat het verschoningsrecht te ontzeggen en het werkzaam zijn in een dienstverband kan een deel van het daartoe strekkende feitencomplex zijn.

Blijkens andere artikelen over deze materie is het Nederlands Genootschap van Bedrijfsjuristen (NGB) bijzonder blij met deze uitspraak. Dat is logisch gezien het feit dat de beroepsuitoefening van bedrijfsjuristen anders behoorlijk onder druk komt te staan als zij ineens niet langer blijken te beschikken over een verschoningsrecht. Dat geeft een enorme knauw aan het beroepsgeheim. Andersom is het natuurlijk ook van groot belang voor bedrijven die advocaten in dienst hebben. Dit is met name in het geval van beroepsgroepen waar compliancefuncties van groot belang zijn, denk daarbij onder meer aan grote beursgenoteerde bedrijven of bijvoorbeeld de financiële sector.

Ook interessant is de conclusie van Advocaat-Generaal Wuisman. Hij gaat breed in op het feit dat het HvJEU geen ‘algemeen werkend beletsel’ op het oog had ten aanzien van advocaten in loondienst (onderdeel 3.10 t/m 3.12). De rechtbank te Groningen heeft volgens hem ten onrechte in heel algemene bewoordingen geoordeeld dat een advocaat in loondienst ten aanzien van communicatie met zijn werkgever geen verschoningsrecht toekomt. Er wordt daarbij geen nadere onderbouwing gegeven. In mijn optiek wordt de rechtbank Groningen derhalve een gebrek aan (juridische) nuance verweten door een specifieke regel onvoldoende dan wel gebrekkig gemotiveerd breed toe te passen. Geheel in lijn met de conclusie van de A-G ben ik van mening dat zowel binnen de literatuur als rechtspraak van de afgelopen decennia een breed gedragen opvatting is dat ook een advocaat in loondienst een beroepsgeheim en daarmee verschoningsrecht heeft, mits aan voorwaarden voldaan is om de onafhankelijkheid voldoende te waarborgen.

Dankzij deze uitspraak is het verschoningsrecht voor de advocaat in loondienst in ieder geval voorlopig weer gered. Dit maakt het mogelijk voor de professionele bedrijfsjurist om weloverwogen ook advocaat te blijven.

Bron:
LJN: BY6101, Hoge Raad
HR: wél verschoningsrecht voor advocaat in loondienst via mr-online.nl
Hoge Raad: advocaat in dienstbetrekking heeft verschoningsrecht via advocatie.nl
LJN: BV7149, Rechtbank Groningen
Rechtbank: geen verschoningsrecht voor advocaat in dienstbetrekking via advocatie.nl
Advocaat/bedrijfsjurist Delta NV mist verschoningsrecht via advocatenblad.nl

Advocaten dienen de belangen van hun cliënten te behartigen. Daarbij dienen zij zich echter wel professioneel op te stellen en niet (verbaal) te werk gaan als een hooligan in tenue de ville. In onderhavige zaak kreeg een advocaat een berisping van de tuchtrechter omdat hij middels uitlatingen de grenzen van wat tuchtrechtelijk aanvaardbaar is overschreed.

De feiten:
Klaagster en haar voormalig echtgenoot zijn verwikkeld in een (v)echtscheiding waarbij ondermeer de hoogte van de (kinder)alimentatie alsmede de zorgregeling onderwerp van geschil zijn. Klaagster is zelf mogelijk niet helemaal zuiver bezig. In het appèlrekest ingediend door de advocaat in de echtscheidingszaak staat:

“tijdens het aangaan van de overeenkomst zat de vrouw al in de ziektewet. Zij kon dus voorzien dat zij zich zou laten afkeuren als de “ziektebeelden” door zouden gaan. Nadat de vrouw zich had laten afkeuren, meldde één van de dochters vervolgens aan de man dat “mama iets had verzonnen om meer geld te krijgen”(…)”.

Het was dus waarschijnlijk bepaald geen gezellige echtscheidingszaak waarbij de klaagster er wellicht op uit was om haar ex een poot uit te draaien. Bovenstaande passage is niet bepaald neutraal van taalgebruik en opzet, maar de trend zet zich door.

Een volgende passage in het appèlrekest luidt:

Het appèlrekest bevat voorts de volgende passage: “Door de bestreden beslissing van de rechtbank Haarlem zal de vrouw de komende jaren ’s- ochtends kunnen uitslapen. Zij hoeft immers niet te gaan werken en als zij ooit zal gaan werken, krijgt zij daardoor minder bijdrage van de man te accepteren. Dat zal zij dus nooit doen. De calculerende burger.”

Maar het wordt nog beter:

“De vrouw heeft met de man een alimentatieovereenkomst gesloten. De man mag haar aan die overeenkomst houden, met name omdat de wijziging van omstandigheden waar zij zich op beroept, door haar voorzienbaar was. De vrouw is al jaren bezig zich met allerlei vage klachten ziek te houden en zat ten tijde van de alimentatieovereenkomst al in de ziektewet. Het feit dat zij ooit in de WIA zou belanden had zij derhalve al voorzien bij het aangaan van de alimentatieovereenkomst.

Goed, de klaagster in kwestie wordt dus uitgemaakt voor een calculerende burger en, kort samengevat, manipulatieve hypochonder. Klaagster stelt dat de advocaat zich in strijd met art. 46 Advocatenwet onnodig grievend heeft uitgelaten over haar. De Raad van Discipline te Amsterdam buigt zich over de zaak.

Afwegingen van de Raad:
De advocaat heeft een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Een onnodig grievende uitlating is een dergelijke beperking.

De raad vind de passages de grens van onnodig grievend zijn overschrijden. De eerste passage doet geen recht aan het objectieve oordeel van de keuringsarts geen rol speelt als ware het of een persoon zelf bepaalt of hij of zij in aanmerking komt voor een sociale verzekeringsuitkering.

De tweede passage zet een zeer negatief beeld van klaagster neer. Een advocaat moet er in echtscheidingszaken juist zorg nemen niet onnodig tussen voormalig echtgenoten te stoken. Dit geldt eens temeer als er kinderen in het spel zijn.

De derde passage overschrijdt de tuchtrechtelijke grens om dezelfde redenen als de eerste passage. Het is de keuringsarts bepaalt of een uitkering wordt toegekend. Voor alle passages geldt dat zij genuanceerder verwoord hadden kunnen worden.

De advocaat stelt overigens nog dat de woordkeuze wenselijk was om het standpunt van zijn cliënt aan het gerechtshof over te brengen. De raad gaat hier niet in mee nu niet valt in te zien waarom het standpunt van de cliënt van verweerder niet op meer respectvolle wijze onder woorden kon worden gebracht, zonder dat afbreuk werd gedaan aan de kern van de stellingen van de cliënt van verweerder in de procedure.

Conclusie:
Een advocaat heeft vrij ruime beoordeelingsvrijheid bij het behartigen van de belangen van zijn cliënt. Uitlatingen kunnen daarbij door de wederpartij soms als grievend worden ervaren maar de tegenpartij moet ook niet al te snel op zijn ziel getrapt zijn. Dat is echter geen reden om je buiten de fatsoensgrenzen te begeven.

Nu kan er best enige mate van discussie bestaan over wat te gelden heeft als “onnodig grieven” maar in dit geval is de grens gepasseerd. Iemand uitmaken voor calculerende burger is, hoe eloquent ook, in deze context onnodig grievend.

Bron:
Raad van Discipline Amsterdam bij beslissing van 12 december 2012 in de zaak 12–101H

Het is nu eenmaal een feit dat de liefde tussen echtelieden soms na enige tijd bekoelt. Een echtscheiding is dan het gevolg. Een complicerende factor in een dergelijke situatie is de aanwezigheid van kinderen. Er moet bepaalt worden waar zij hun primaire verblijfplaats zullen krijgen en welke ouder waarvoor verantwoordelijk is, hoe de financiën geregeld moeten worden enzovoorts. In veel gevallen verloopt dat uitstekend om niet te zeggen welhaast zakelijk. Er zijn echter ook tal van echtscheidingen waarbij de voormalig echtgenoten in spe elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hun persoonlijke ruzie wordt dan uitgevochten over het hoofd van de kinderen. Naar aanleiding van een rapport van de Ombudsman onderzoekt de Rechtspraak nu of er aparte procesvertegenwoordiging moet komen voor kinderen bij een problematische (v)echtscheiding.

Problematiek bij echtscheidingen:
Voor kinderen is een scheiding een proces dat hun leven danig kan ontwrichten. Kinderen van gescheiden ouders zijn in de regel ook vatbaarder voor problemen dan kinderen van niet-gescheiden ouders. Bij ernstige echtscheidingen gebruiken de ouders de kinderen soms om elkaar onder druk te zetten. Dit kan zulke vormen aannemen dat de rechter op advies van de Raad voor de Kinderbescherming de kinderen onder toezicht moet stellen. Een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg raakt dan betrokken bij het gezin en heeft tot taak de omgang tussen beide ouders en de kinderen te bevorderen.

De gezinsvoogden komen meestal pas om de hoek kijken op het moment dat bijna een staat van openlijke oorlog is bereikt. Het is dan lastig om nog iets te redden. Bovendien krijgen de ouders er nog een vijand bij in de vorm van de gezinsvoogd. Dit brengt met zich mee dat er veel klachten volgen over vooral de partijdigheid van Bureau Jeugdzorg. De relatief late ondertoezichtstelling verkleint de kans op een goede afloop enorm. Bovendien wordt er nu geen data verzameld over de mate van succes van dit soort ondertoezichtstellingen. Dit is mede vanwege het feit dat het lastig om vast te stellen wat nu precies als ‘succes’ moet gelden.

De Ombudsman heeft derhalve onderzoek verricht naar onder meer de mogelijkheden om een dergelijke situatie te voorkomen. Eén van de aanbevelingen uit het rapport is dat kinderen in echtscheidingszaken vaker een eigen vertegenwoordiger moeten krijgen. Hoewel het rapport meer aanbevelingen bevat, laat ik die even buiten beschouwing. De aanbevelingen over de uitvoering van ondertoezichtstelling betreffen namelijk Bureau Jeugdzorg en niet de Rechtspraak als zodanig welke slechts een marginale toetsingsrol heeft.

De aanbeveling:
Er wordt een drietal aanbevelingen gedaan in het rapport:

  1. Kinderen zouden een aparte procesvertegenwoordiger moeten krijgen.
  2. Elke zaak zou aan één rechter gekoppeld moeten zijn.
  3. Indien het inzetten van een gezinsvoogd onvermijdelijk is, dan moet deze bij het proces aanwezig zijn en hun autoriteit moet door de rechter meer worden ondersteund.

Hier zijn wel wat observaties bij te maken. Zo is het inzetten van een procesvertegenwoordiger voor een kind door een kinderrechter geen nieuw verschijnsel. Zo wordt een advocaat ingeschakeld wanneer het kind erom vraagt of omdat de rechter van mening is dat ouders en kinderen tegenstrijdige belangen hebben, bijvoorbeeld in discussies over de omgangsregeling. De Rechtspraak bekijkt momenteel of inzet van procesvertegenwoordigers voor kinderen vaker plaats moet hebben en zoja in welke gevallen.

Het tweede en derde punt bezien met name organisatorische aspecten. Zo kan bij zaken het gebruik van meerdere rechters nodig zijn wanneer snelheid geboden is of wanneer zaakstermijnen anders overschreden worden. De mogelijkheden tot het aanwijzen van één rechter per zaak wordt ook onderzocht maar het zal wel even op zich laten wachten hoe de resultaten daarvan precies gaan worden nu de herziening gerechtelijke kaart in volle gang is en ook veel tijd wordt besteed aan het onderwerp van gerechtelijke specialisatie. Aan de andere kant is het nu er toch geklust wordt aan het rechterlijk bestel wel een geschikte tijd om ook dit onderwerp mee te nemen.

De aanwezigheid van gezinsvoogden bij een zitting is wellicht wat gecompliceerder. Momenteel stuurt Bureau Jeugdzorg meestal een bureauvertegenwoordiger naar de zitting. In een zitting worden vaak een zeven tot negen zaken behandeld. Het kan lastig zijn om daarvoor alle gezinsvoogden op te laten draven. De rechter zal het ook in lang niet alle gevallen nodig achten om de gezinsvoogd te horen. In de zaken waar dat wel nodig is wordt de gezinsvoogd opgeroepen of als het tijdens zitting blijkt, dan wordt de zaak aangehouden tot later datum. Het is dus maar de vraag of een dergelijk systeem niet bijzonder inefficiënt zou zijn. Bovendien kost het komen opdraven voor een zitting ook de gezinsvoogden veel tijd die wellicht beter aan iets elders besteed kan worden.

De constatering dat de rechter de gezinsvoogd moet ondersteunen in zijn gezag is een open deur intrappen. Een rechter die beslist dat er een ondertoezichtstelling plaats gaat vinden, legt aan de ouder(s) echt wel uit dat het geen vrijblijvende suggestie is en dat hun gezag en bewegingsvrijheid ingeperkt zullen worden.

Desalniettemin vallen er uit het rapport wel een aantal goede, zij het vrij brede aanbevelingen te halen. Ingrijpen voordat een situatie volstrekt uit de hand loopt is beter dan interveniëren als er praktisch een oorlog is uitgebroken. Ook is het noodzakelijk dat er een goed overzicht blijft van dossiers binnen de keten. Rechters staan onvermijdelijk altijd op meer afstand dan directe toezichthouders. Het aanwezig hebben van de gezinsvoogd bij de zitting kan het probleem van informatie-asymmetrie verkleinen. Ook kan het er voor zorgen dat de rechter op de zitting de neuzen van zowel gezinsvoogden als ouders al wat meer dezelfde richting op kan krijgen. Daarbij moet niet vergeten worden dat de rechter niet gezien moet worden als een verlengstuk van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. De rechter heeft immers een controlerende functie te hebben en indien nodig op de spreekwoordelijke rem te trappen. Dat aspect raakt in mijn visie in dit rapport af en toe een beetje op de achtergrond waarbij de rechter meer wordt gepresenteerd als deel van de hulpverleningsketen dan als controleur. Overigens is de rechter natuurlijk wel degelijk deel van de hulpverleningsketen.

Het is ook noodzakelijk dat de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg zich gaan bezinnen op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en met de verantwoordelijke bewindspersoon mogelijkheden verkennen om al in een eerder stadium hulp te bieden. Daartoe moet ook een mechanisme worden ontworpen waarmee enige mate van zicht kan worden gehouden op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en waarmee bij voorkeur ontwikkelingen kunnen worden gesignaleerd. Dat en tal van andere aspecten aangaande (de problemen rond) de praktische uitvoering zijn in het rapport terug te vinden.

Los van dat alles is het een goed streven dat Rechtspraak onderzoekt of het mogelijk is om meer dan nu alle partijen bij elkaar op een zitting te krijgen. Dat geeft hopelijk een beter uitgangspunt om een ondertoezichtstelling te starten. Nog beter is het als hulpverlening, indien nodig, in een eerder stadium al kan worden opgestart want ondertoezichtstelling is een extreem zwaar middel dat bij voorkeur vermeden zou moeten worden.

Bron:
Onderzoek naar advocaat voor kinderen bij problematische echtscheiding via rechtspraak.nl
Andere aanpak Bureau Jeugdzorg en rechters nodig bij strijdende oudersvia ombudsman.nl
Rapport 2012/166 (KOM SA/2012): ‘De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen’

Naar aanleiding van het stuk over de zeldzame doodzondes van notarissen kwam de vraag op of er bij advocaten zich soortgelijke dingen voordoen. Het korte antwoord daarop is ja, mensen zijn nu eenmaal niet machinaal en maken soms (hele) domme fouten. Dit gebeurt in elke beroepsgroep, het probleem is alleen dat als je als advocaat of notaris een fout maakt, de gevolgen voor je cliënt soms bijzonder vervelend kunnen zijn en moeilijk op te lossen.

Voor zover ik weet wordt de categorie ernstige beroepsfouten in de advocatuur zelden met de term doodzonde aangeduid. In de politiek is het overigens niet ongebruikelijk om de term doodzonde te hanteren voor de ernstige beroepsfouten van gesloten beroepsgroepen. Ook in de tuchtrechtspraak lijkt dit bij advocatuur minder te gebeuren.

Ter illustratie een zaak van een advocaat die een beroepstermijn liet verlopen en zei tegen client dat hoger beroep toch geen zin zou hebben gehad. Dit behoort als advocaat toch wel tot de ergste fouten die je kunt maken.

De feiten:
In dit geval verwijten de klagers de verweerder (advocaat) dat hij heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2010 hoewel klagers hem diverse malen telefonisch en per e-mail hebben gewaarschuwd de beroepstermijn in de gaten te houden.

De advocaat heeft vervolgens een persoonlijk onderhoud gehad met klagers waarin hij zijn excuses aanbood welke zijn aanvaard door de klagers. Er is toen ook toegezegd om te kijken of er nog een wijzigingsprocedure aanhangig kon worden gemaakt. Klagers hebben vervolgens per mail geïnformeerd over de gewijzigde omstandigheden. Daarmee is door de advocaat echter niets gedaan en klagers zijn in de kou blijven staan.

Het oordeel van de Raad:
Op grond van de stukken stelt de Raad vast dat de advocaat onduidelijk is geweest in zijn communiceren ten aanzien van de haalbaarheid van de zaak. Een advocaat moet zorgvuldig handelen waaronder begrepen het rekening houden met termijnen. Door niet tijdig beroep in te stellen, hoewel hij er door klagers op is gewezen, is hij tekort geschoten jegens klagers.

De Raad stelt vervolgens in keurige bewoordingen vast dat de advocaat ronduit slecht heeft gehandeld:

Het betaamt een advocaat niet een cliënt eerst kenbaar te maken dat hij hoger beroep zal instellen en dan achteraf, als hij de beroepstermijn heeft laten verlopen, aan een cliënt te berichten dat het hoger beroep geen zin zou hebben gehad.

De klacht wordt dan ook gegrond bevonden en de advocaat wordt voor een week geschorst.

Conclusie:
Dit soort misstappen is bij advocaten zeldzaam. Advocaten zijn ook professionals welke een jarenlange opleiding hebben gevolgd en waar dus ook verwachtingen aan mogen worden gesteld. Gelukkig zijn de problemen in Nederland mild maar als het mis gaat, dan gaat het ook goed mis.

De term doodzonde wordt voor zover ik heb kunnen nazien bij de advocatuur minder gebruikt dan bij het notariaat het geval is. Dat betekent echter niet dat er geen fouten van vergelijkbare ernst worden gemaakt zoals bovenstaand geval duidelijk laat zien.

Bron:
YA2826 Raad van Discipline ‘s-Gravenhage R. 3769/11.171
te vinden via officielebekendmakingen.nl

De Hoge Raad is voor het merendeel van de rechtszaken binnen Nederland de hoogste rechter. De Hoge Raad vernietigt (casseert) een rechterlijke uitspraak indien in de uitspraak het recht is geschonden of met nietigheid bedreigde vormvoorschriften zijn verzuimd. De functie van de Hoge Raad wordt vaak omschreven met de 3 R-woorden: het bewaken en bevorderen van rechtsbescherming, rechtsontwikkeling en rechtseenheid.De Hoge Raad verschilt ook van andere rechters in de zin dat zij geen feitenrechter is. Voor dit orgaan procederen vereist dan ook specifieke kennis en vaardigheden.

Grenzen aan de capaciteit
Recentelijk komen de kerntaken van de Hoge Raad steeds verder onder druk te staan. Dit heeft niet alleen te maken met de kwantiteit van de instroom cassatieschrifturen maar ook met de kwaliteit ervan. Er is een toenemend aantal zaken waarin de aard van cassatie miskend wordt en welke dus kansloos of ongeschikt zijn. Zo worden er in toenemende mate middelen aangevoerd welke eigenlijk vragen om een nieuwe vaststelling van de feiten. In strafzaken wordt soms een beroep gedaan op feiten die in cassatie voor het eerst worden ingebracht. Dat dit een onwenselijke situatie is, is volstrekt duidelijk. De Eerste Kamer heeft dan ook op 13 maart een wetsvoorstel geaccepteerd wat hier verandering in moet brengen.

De aangenomen maatregelen zijn tweeledig van aard. Enerzijds gaat het om een mogelijkheid om de kwantiteit van zaken sneller in de kiem te kunnen smoren: een versnelde niet-ontvankelijkheid. Anderzijds gaat het om een middel om de kwaliteit van de voorgelegde zaken te verbeteren: het stellen van kwaliteitseisen aan advocaten die willen procederen bij de Hoge Raad.

Selectie aan de poort
De versnelde niet-ontvankelijkheid doet denken aan de huidige afdoeningsmogelijkheid van art 81 R.O. Dit artikel houdt kort gezegd in dat wanneer een zaak niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, de Hoge Raad zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel. Dit voorkomt dat er een uitgebreid vonnis hoeft te worden geschreven waar uitvoerig alle gronden worden genoemd waarom de zaak niet tot cassatie kan leiden.

De praktische grens van 81 R.O. is dat dit artikel pas aan het einde van de cassatieprocedure toepassing vindt. Dat betekent ook dat (in civiele zaken en strafzaken altijd) de procureur-generaal al een conclusie heeft moeten nemen en de HR er naar heeft moeten kijken.  Het zou voor zowel procespartijen als de cassatierechter een aanmerkelijke verlichting zijn wanneer kansloze zaken eerder in het proces en op een eenvoudige wijze kunnen worden afgedaan.

De niet-ontvankelijkheidsmogelijkheid maakt selectie aan de poort mogelijk en verlicht derhalve de druk op de cassatierechter en het parket. Dit moet allicht wel wettelijke grondslag hebben en dat krijgt het met dit wetsvoorstel. Deze methode is ook in lijn met aanbevelingen van de commissie Hammerstein die zich in 2008 over de versterking van cassatierechtspraak uitsprak.

Richtlijnen voor de advocaat
Voor wat betreft het probleem van kwalitatief goede cassatieschrifturen wordt een vrij eenvoudige oplossing gekozen. Kwalitatief goede cassatieschrifturen komen van kwalitatief goede cassatieadvocaten. De wetgever gaat zich er echter niet zelf aan wagen om vast te stellen welke vereisten dat dan precies moeten zijn. Daarom wordt in dit wetsvoorstel aan het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van Advocaten (hierna: de NOvA) in de Advocatenwet de opdracht gegeven om bij verordening regels te stellen over onder meer de eisen van vakbekwaamheid aan advocaten die willen toetreden tot de cassatieadvocatuur. Een niet onlogische keuze gezien het feit dat de NOvA meer (veel) meer expertise in huis heeft dan de wetgever en dus beter kan beoordelen hoe die vereisten moeten luiden. Daarbij speelt dat de wet nu al uitgebreide regeling kent met de algemene eisen voor reguliere toetreding tot de advocatuur betreft. Het zou echter wat ver voeren en tot onnodige regulering op het niveau van formele wet leiden, wanneer hiernaast ook voor een zeer specifiek deelterrein een dergelijke uitgebreide regeling in de wet opgenomen zou worden. Een verordening van de NOvA zelf is hier beter voor geschikt.

Andere ontwikkelingen:
De rechtspraak is behoorlijk in beweging. Zoals we in het plan van de rechtspraak voor 2012 al konden lezen en tal van politiek debatten is genoemd, is het van belang dat het makkelijker wordt om je rechten te effectueren. Het bovengenoemde wetsvoorstel is hier helemaal mee in lijn. Het moet een eind maken aan de de enorme, vaak onnodig grote werklast van de Hoge Raad. Andere maatregelen welke ook de vernieuwingsslag passen zijn de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad en voorgenomen vernieuwing van de arbitrage.

Bron:
Dossier 32576 via eerstekamer.nl
Rapport versterking cassatierechtspraak Kamerstukken II 2007/08, 29 279, nr. 69 te vinden via officielebekendmakingen.nl