Gegevens in patiëntendossiers bevatten gevoelige informatie. Daar dient dan ook voorzichtig mee te worden omgesprongen, zeker nu digitale netwerken de uitwisseling van informatie gemakkelijker dan ook maken. De positieve keerzijde is nu wel dat meer informatie over de patiënt beschikbaar wordt de hulpverleners waarmee de kans op fouten door een informatiegebrek afneemt. Er bestaat echter niet op voorhand een recht voor zorgverleners om toegang te krijgen tot informatie van patiënten zoals een apotheek in Culemborg ondervond.

De feiten:
In Culemborg heeft zich in mei 2015 een nieuwe apotheek gevestigd naast de daar reeds gevestigde twee apotheken. De reeds gevestigde apotheken zijn aangesloten bij Stichting Medicom-Pharmacom Systematiek Overleg. Dit samenwerkingsverband tussen huisartsen en apothekers exploiteert een gezamenlijk systeem- en bestandsbeheer wat gegevens van patiënten bevat.

De nieuwe apotheek heeft een verzoek ingediend bij de voorzitter van de stichting om aangesloten te worden op het netwerk. De voorzitter gaf te kennen dat geen officiële aanmeldingsprocedure bestond en stelde voor de toelating te bespreken met zowel de clusterbeheerder van de huisartsen als de clusterbeheerder van de apotheken. De clusterbeheerder van de huisartsen gaf toestemming en de apotheek werd aangesloten op het netwerk. De clusterbeheerder van de apotheken gaf echter geen toestemming wat bleek op het moment dat de nieuwe apotheek geen toegang kon krijgen tot de gegevens van de andere apotheken. De reeds gevestigde apotheken hadden wel over en weer de patiëntegegevens opengesteld.

De nieuwe apotheek vorderde voor de rechter toelating tot de patiëntendossiers.

Standpunt nieuwe apotheek:
De nieuwe apotheek betoogt dat aan haar reeds door de stichting onvoorwaardelijk toegang was verschaft tot het elektronische netwerk. Derhalve zijn beide overige apotheken gehouden toegang te verschaffen tot hun patiëntendossiers. [r.o. 4.3.]

Standpunt overige apotheken:
De overige apotheken betogen dat zij in beginsel bereid zijn toegang te verschaffen. Voordat dit kan geschieden dient eerst over de voorwaarden waaronder dit mogelijk is overeenstemming te worden bereikt.[r.o. 4.2.]

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De voorzieningenrechter oordeelde dat op een elektronisch netwerk als in onderhavig geval de Regeling CI/NR-100.099 van de NZA van toepassing is. Volgens art. 3 van deze Regeling dienen overeenkomsten tussen zorgaanbieders met betrekking tot het oprichten en in stand houden van een elektronisch netwerk de voorwaarden te bevatten waaronder andere zorgaanbieders kunnen deelnemen aan die overeenkomst en de wijze waarop het verzoek tot deelname wordt behandeld.

De stichting heeft geen procedure of voorwaarden voor deelneming heeft opgesteld zoals bedoeld in Regeling CI/NR-100.099. Dit gebrek brengt echter niet met zich mee dat kan worden aangenomen dat de nieuwe apotheek onvoorwaardelijk tot deelneming is toegelaten nu de clusterbeheerder van de apotheken geen akkoord heeft gegeven.[r.o. 4.4.]

Door de voorwaarden voor deelname aan het netwerk niet kenbaar te maken aan de nieuwkomer hebben de overige apotheken onrechtmatig gehandeld. Ook op grond van deze onrechtmatige daad zijn de reeds gevestigde apotheken niet gehouden de nieuwe apotheek onvoorwaardelijk toegang tot het netwerk en hun patiëntendossiers te geven.[r.o. 4.5.]

En passant steekt de voorzieningenrechter nog een andere spaak in het wiel. Dit houdt verband met de geheimhoudingsplicht van de zorgverlener op grond van art. 7:457 BW. In lid 1 van dat artikel staat voorop dat de zorgverlener zonder toestemming van de patiënt geen informatie mag verstrekken aan derden. In lid 2 wordt daarop echter een uitzondering gemaakt voor de degene die optreedt als vervanger voor de hulpverlener. Met het oog hierop hebben de reeds gevestigde apotheken met elkaar een zogenoemde doorlopende waarneming op grond waarvan zij over en weer als elkaars vervangers optreden en daarom toegang hebben tot elkaar patiëntendossiers. De partijen zijn het er wel over eens dat zo’n waarnemingsregeling nodig is om elkaar via het netwerk toegang te mogen verschaffen tot elkaars patiëntendossiers. Volgens de nieuwe apotheek impliceert de toelating, via de stichting, tot deelneming aan het netwerk, automatisch een doorlopende waarnemingsrelatie met de andere deelnemende apotheken.

In geval van een dergelijke doorlopende waarneming is geen toestemming van de patiënt vereist om toegang tot de patiëntdossiers te verschaffen. Wel geldt dat bij gebreke van zo’n doorlopende waarneming geen toegang mag worden verschaft zonder toestemming van de patiënt. Aangezien er tussen de nieuwkomer en reeds gevestigde apotheken geen waarneming bestaat, zou iedere patiënt individueel toestemming moet geven voor de uitwisseling van patiëntgegevens. Dit is mogelijk een additioneel obstakel in de uitwisseling van patiëntengegevens. [r.o. 4.6.]

De voorzieningenrechter oordeelt dat geen verplichting bestaat om de nieuwkomer toegang te verlenen tot de patiëntgegevens.

Conclusie:
Zoals de rechter oordeelt is geen van de geconstateerde gebreken een reden om de nieuwe apotheek toegang te geven tot patiëntengegevens. Voor de goede orde legt de voorzieningenrechter ook nog even uit hoe de geheimhoudingsplicht werkt. Hoewel op grond van al het voormelde geen toegangsrecht tot de patiëntgegevens bestaat, kan de nieuwe apotheek vanwege het onrechtmatige handelen der reeds gevestigde apotheken mogelijkerwijs wel aanspraak maken op schadevergoeding.

Bron:
ECLI:NL:RBGEL:2015:4970

Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Maar wanneer kan de tekortkoming de schuldenaar niet worden toegerekend? Over die vraag zijn vele arresten gewezen waarvan Oerlemans/Driessen een van de bekendere is. De in die zaak geformuleerde rechtsregel betrof een verkoop. In een recente zaak ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsregel naar analogie toe te passen.

Oerlemans/Driessen:
In de zaak Oerlemans/Driessen exploiteerde Driessen een rozenkwekerij. Voor de bemesting van de rozen gebruikte hij BioFer, wat aan hem verkocht werd door Oerlemans. Vanwege een verontreinigd vat Biofer leed Driessen schade. Driessen heeft Oerlemans aansprakelijk gesteld voor zijn schade op de grond dat het vat BioFer een herbicide bevatte waardoor de rozen kapot gingen. De rechtsvraag bij de Hoge Raad luidde: “Is non-conformiteit van een industrieel vervaarigde zaak voor risico van de verkoper?” De Hoge Raad beantwoordde deze vraag bevestigend. De verkeersopvattingen brengen mee dat in een geval als onderhavige een tekortkoming bestaande in een gebrek van een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper komt, ook als deze het gebrek kende noch behoorde te kennen. Dit zal slechts anders kunnen zijn in geval van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden zullen niet snel mogen worden aangenomen.

De feiten:
In de zaak die diende voor de rechtbank Oost-Brabant had een exploitant van koffieautomaten – Maas – een contract gesloten met T-Mobile. Dit betrof een exploitatiecontract, een zogeheten ‘full operating overeenkomst’, waarin stond dat de exploitant zich verplichtte tot het plaatsen, aansluiten, vullen en onderhouden van koffieautomaten. De exploitant bleef eigenaar van de koffieautomaten, het telecombedrijf was de gebruiker. Het betrof dus geen koopcontract zoals in Oerlemans/Driessen aan de orde was. Op enig moment is brand ontstaan in een pantry waarin één van de koffieautomaten stond. Twee deskundigen van verschillende bureaus die onderzoek hebben gedaan naar de oorzaak, concludeerden dat de brand moet zijn ontstaan door de koffieautomaat.

De verzekeraars van de telecomprovider vorderen een verklaring voor recht dat Maas aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de brand.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank is van oordeel dat indien komt vast te staan dat de brand is ontstaan door een gebrek in de koffieautomaat, Maas naar het oordeel van de rechtbank tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit deze overeenkomst. Niet alleen omdat er (tijdelijk) geen goed functionerend koffieautomaat bij T-Mobile heeft gestaan, maar ook omdat de door Maas geplaatste koffieautomaat schade heeft toegebracht aan T-Mobile. De vraag die partijen verdeeld houdt is of deze tekortkoming alsdan aan Maas kan worden toegerekend, ook indien Maas dit gebrek niet kende en ook niet behoefde te kennen. [r.o. 4.28]

Het is juist, zoals Maas aanvoert, dat in het onderhavige geval geen sprake is van koop zoals in de zaak Oerlemans/Driessen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de beslissing in bedoeld arrest hier analoog toe te passen. Ook in een geval als het onderhavige, waarbij een bedrijfsmatige eigenaar/exploitant van een (niet door hemzelf geproduceerde) automaat deze in gebruik geeft aan een ander maar de volledige (dagelijkse) zorg houdt voor het goed functioneren van de automaat, zoals beschreven in de full operating overeenkomst, heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden dat een gebrek in die automaat naar verkeersopvattingen in beginsel voor risico komt van de eigenaar/exploitant, ook als deze het gebrek niet kende en ook niet behoorde te kennen. Bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit beginsel rechtvaardigen, zijn door Maas niet gesteld. [r.o. 4.30].

Conclusie:
Hoewel het arrest Oerlemans/Driessen is gewezen voor een andersoortig verbintenis dan een exploitatieovereenkomst, ziet de rechtbank voldoende grond om het arrest naar analogie toe te passen. Er is namelijk sprake van een tekortkoming in een product wat schade veroorzaakt heeft. Slechts indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de tekortkoming niet aan de verkoper/exploitant worden toegerekend en daarvan is geen sprake.

De ratio van het arrest Oerlemans/Driessen is dat als jij iets levert wat schade veroorzaakt, je die schade zult moeten vergoeden. Met andere woorden, je kunt niet iets leveren wat niet deugdelijk is en vervolgens je handen er vanaf trekken. De koper is op deze manier altijd beschermd en de verkoper heeft een stevige incentive om er voor te zorgen dat hij deugdelijke producten levert want deze regel geldt zelfs als de verkoper het niet wist. Onwetendheid van zijde van verkoper kan de schade bij koper dus niet verexcuseren.

Gezien de ratio van het arrest is het niet meer dan logisch dat de rechtsregel niet slechts wordt toegepast bij koop maar ook bij exploitatie overeenkomsten waarbij een ondeugdelijk product wordt geleverd wat schade veroorzaakt.

Bron:
ECLI:NL:RBOBR:2015:1903

Met regelmaat worden eenmanszaken omgezet in B.V. als ze groeien. Daar kunnen tal van redenen voor zijn zoals het verminderen van het risico op aansprakelijkheid, het veiligstellen van je persoonlijke vermogen en fiscale redenen. Wel dient er rekening gehouden te worden met het verschil tussen de werking van schuldovername en contractsovername.

Bij omzetting van de onderneming in een B.V. stort de ondernemer de aandelen van de BV vol, door inbreng van de eenmanszaak in de BV. Dit lijkt op een betaling in natura of een ruil met gesloten beurzen. De B.V. verkrijgt de onderneming en de ondernemer verkrijgt de aandelen in de B.V.

De achterliggende gedachte bij inbreng is dat zowel alle activa van de eenmanszaak overgaan naar de BV, als ook alle schulden en lopende verplichtingen. Op die manier zou er een eind moeten komen aan de persoonlijke aansprakelijkheid van de ondernemer. In de praktijk gaat dit niet altijd vlekkeloos zoals blijkt uit onderhavige zaak bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De feiten:
X had een eenmanszaak welke hij heeft ondergebracht in Y B.V. Gedurende de omzetting verrichtte Z werkzaamheden voor X welke na omzetting voor Y B.V. werden verricht. Z heeft nog een openstaande rekening voor die werkzaamheden en de vraag is nu aan wie dat moet gaan betalen X, Y B.V. of moeten zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn?

X heeft gesteld dat die werkzaamheden zijn verricht in opdracht en voor rekening van de vennootschappen en niet voor hem in privé en dat er geen reden is om hem hiervoor naast de vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk te houden. Hij voert hiertoe aan dat met de omzetting de overeenkomst van X met de Z mee is overgegaan. Z heeft volgens X deze overdracht geaccepteerd en haar medewerking hieraan verleend door werkzaamheden te gaan verrichten voor de vennootschappen, facturen aan hen te sturen en een betalingsregeling met hen overeen te komen.

Het hof overweegt dat zover X heeft beoogd te stellen dat er sprake is van contractsoverneming, hier geen sprake van kan zijn. Contractsoverneming is een driezijdige rechtshandeling. Voor de overdracht van de overeenkomst is onder meer een akte vereist tussen de overdragende en overnemende partij, waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze is opgemaakt.

De vervolgvraag is of er sprake is van contractsvernieuwing in die zin dat na inbreng van de eenmanszaak Z in het vervolg haar werkzaamheden in opdracht en voor rekening van de vennootschappen zou gaan verrichten in plaats van voor X. Z heeft daar tegenin gebracht dat er geen nieuwe opdrachtbevestiging is getekend, zodat de verdere werkzaamheden geacht moeten worden voort te vloeien uit de eerste opdracht en dat zij voorts niet heeft beoogd ermee in te stemmen dat Z als haar contractspartij zou wegvallen.

Volgens artikel 3:37 BW kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in vormvrij geschieden en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen. Instemming kan dus ook stilzwijgend worden gegeven en/of in gedragingen besloten liggen. Z was op de hoogte van de inbreng van de eenmanszaak, waardoor zij wist dat het belang van X bij de overeenkomst was komen te vervallen, nu de eenmanszaak niet langer bestond. Z is vervolgens in opdracht van beide vennootschappen werkzaamheden gaan verrichten die betrekking hadden op de vennootschappen. Z geeft immers zelf aan dat de vennootschappen hadden te gelden als feitelijk opdrachtgever. Z is facturen aan de vennootschappen gaan zenden, met hen de contacten gaan onderhouden en heeft met hen een betalingsregeling getroffen.

Het hof oordeelt dat in voornoemde feiten en omstandigheden besloten ligt dat tussen partijen contractsvernieuwing heeft plaatsgehad en dat de vennootschappen als contractspartij van hadden te gelden. Dit leidt ertoe dat X niet is gehouden de facturen die betrekking hebben op de vennootschappen te voldoen. Wel blijft, voor zover werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de eenmanszaak X aansprakelijk voor betaling van de facturen.

Conclusie:
Rechtsvormen kunnen wijzigen al naar gelang de omstandigheden dat vereisen. Het is echter wel verstandig om wederpartijen uitdrukkelijk op de hoogte te stellen van een wijziging.

Bestaande schulden van de eenmanszaak worden pas schulden van de BV, indien de BV de schulden van de eenmanszaak heeft overgenomen (“schuldoverneming”). De akte van oprichting van de BV is daarvoor voldoende, hierin wordt de volstorting van de aandelen in de vorm van inbreng van de onderneming in de BV geregeld. Let wel dat de schuldoverneming pas werkt jegens de schuldeiser indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven op grond van art. 6:155 BW.

Bij lopende contracten die zijn aangegaan door de eenmanszaak, werkt het anders. Contractsoverneming is een driepartijenovereenkomst, waarbij de eenmanszaak zijn gehele rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking de wederpartij overdraagt aan de BV in een overeenkomst. Bij contractsoverneming gaan alle tot de rechtsverhouding behorende rechten en verplichtingen over op de BV, uiteraard slechts indien en voor zover de wederpartij daaraan zijn medewerking heeft verleend.

Het is mogelijk dat een overeenkomst stilzwijgend is overgegaan van de eenmanszaak naar de BV, ondanks dat de wederpartij niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met deze contractsovername. Dit komt omdat verklaringen vormvrij kunnen geschieden zoals ook in dit geval aan de hand was.

Of een overeenkomst stilzwijgend is overgedragen, moet per geval worden bekeken waarbij materieel wordt getoetst. Relevante feiten kunnen onder meer zijn dat ineens andere bankrekeningnummers worden gehanteerd die op naam van de B.V. staan en dat alle correspondentie vanuit de B.V. wordt verstuurd. Als een wederpartij daar niets mee doet dan kan het zijn dat in een rechtszaak wordt geoordeeld dat hij kennelijk stilzwijgend akkoord is gegaan.

Dit kan een probleem worden op het moment dat de B.V. niet langer aan de betalingsverplichtingen kan voldoen en wederpartijen bij de aandeelhouder aankloppen omdat die mogelijkerwijs nog aansprakelijk is. Om een dergelijke discussie te vermijden is het beter om alle wederpartijen expliciet op de hoogte te stellen van omzetting.

Bron:
ECLI:NL:GHARL:2015:2172

Betalingen op of rond de dag van een faillissement zijn vaak een aanleiding voor nauwkeurig onderzoek van de curator alsook van andere gedupeerden. Dit houdt onder meer verband met de terugwerkende kracht van het uitspreken van het faillissement tot 0.00u op de dag van faillietverklaring. De schuldenaar wordt vanaf dat moment beschikkingsonbevoegd. Wordt er toch beschikt over middelen, dan kan dat tot gevolg hebben dat je als bestuurder van een BV in persoon wordt aangesproken.

De feiten:
X is bestuurder en enig aandeelhouder van een holding met daaronder een werkmaatschappij. Op 5 juni 2013 vind ‘s ochtends een faillissementszitting plaats waarin het verzoek tot faillietverklaring van de werkmaatschappij wordt behandeld. X is bij die zitting aanwezig geweest. Vervolgens geeft X Rabobank opdracht om € 45.000,- over te boeken naar een buitenlandse bankrekening die toebehoort aan een partij waar dat bedrag oorspronkelijk vandaan kwam.

Later op de dag wordt de werkmaatschappij failliet verklaard. De curator verhaalt de € 45.000,- op Rabobank die dit bedrag ook heeft terugbetaald aan de boedel en dient dit bedrag in als concurrente vordering in het faillissement. Rabobank ontvangt van de curator de mededeling dat de boedel onvoldoende middelen bevat om een uitkering aan de concurrente schuldeisers te kunnen doen.

Vervolgens spreekt Rabobank X aan in privé uit hoofde van onrechtmatige daad.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechtbank oordeelt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat ingevolge artikel 23 Faillissementswet, de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer verliest over zijn tot het faillissement behorend vermogen. Dat betekent dat X op 5 juni 2013 niet meer de beschikking en het beheer had over het saldo van haar bankrekening bij de Rabobank. De Rabobank heeft in opdracht van X op 5 juni 2013 niettemin een betaling verricht voor een bedrag van € 45.000,– en was, op grond van geldend recht (HR 28 april 2006, NJ 2006, 503 en HR 23 maart 2012, LJN: BV0614), gehouden om dit bedrag aan de curator te vergoeden. Rabobank heeft daardoor schade geleden.

De rechtbank beantwoordt de vraag of X – door het geven van de opdracht tot betaling – onrechtmatig jegens de Rabobank heeft gehandeld, bevestigend. De rechtbank legt daaraan ten grondslag dat:

  • X wist of had moeten weten dat hij onbevoegd was tot betaling van een bedrag van € 45.000,– aan een derde op de dag van het uitspreken van het faillissement van de werkmaatschappij, omdat dit volgt uit de wet. Daarbij komt dat X op de hoogte was van het (naderende) faillissement, omdat de Rabobank onweersproken heeft gesteld dat X die dag zelf bij de behandeling van de aanvraag tot het uitspreken van het faillissement aanwezig was.
  • X evenzeer wist of had moeten weten dat de Rabobank op grond van geldend recht gehouden is om dit bedrag aan de curator c.q. de faillissementsboedel te vergoeden. Hiermee heeft hij een op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens de Rabobank geschonden. Het verweer dat hij slechts rekening hoefde te houden met de belangen van de schuldeisers en niet met de belangen van de Rabobank, stuit af op deze zorgvuldigheidsverplichting. Deze verplichting houdt in dat op X – net als op ieder ander – een verantwoordelijkheid rust met betrekking tot de belangen van anderen, waaronder de Rabobank. Het verweer van zal om die reden worden verworpen.

De rechtbank stelt vast dat de Rabobank schade heeft geleden voor een bedrag van € 45.000,–. Vanwege de betalingsopdracht gegeven door X is het causale verband gegeven. De Rabobank heeft dit bedrag, dat is afgeschreven van de bankrekening van de werkmaatschappij, uitbetaald aan de curator, terwijl zij dit bedrag (nog) niet teruggestort heeft gekregen van de derde naar wie het geld was overgemaakt. Het verweer van X dat de Rabobank (en/of de faillissementsboedel) niet is benadeeld, zal om die reden worden verworpen.

De Algemene Bankvoorwaarden 2009 geven Rabobank de bevoegdheid om creditering van een rekening van een cliënt door een beschikkingsonbevoegde of handelingsonbekwaam persoon ongedaan te maken. Een beroep hierop komt de Rabobank echter niet toe omdat de rekening waarnaar de € 45.000 was overgemaakt, een rekening betreft bij een buitenlandse bank.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het aan X moet worden toegegeven dat de Rabobank er óók voor had kunnen kiezen om te proberen het bedrag van € 45.000,– terug te vorderen van de derde naar wie dit bedrag is overgemaakt. Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid van de Rabobank om er voor te kiezen om X aan te spreken nu X onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rabobank. Dit klemt eens te meer daar X zelf de betalingsopdracht heeft gegeven en nu kennelijk van Rabobank inspanningen verwacht om dit weer ongedaan te maken.

Conclusie:
Voor wat betreft handelingen in de dagen die de opmaat vormen richting het faillissement en de daadwerkelijke dag van het faillissement zelf, gelden strikte regels. Uitspraken zoals deze bewijzen eens te meer dat het als bestuurder van een vennootschap zaak is om voorzichtig met dergelijke situaties aan te gaan want bij verkeerd handelen is het zeer goed mogelijk om in persoon te worden aangesproken.

Bron:
ECLI:NL:RBOVE:2015:1011

Velen houden er van om wel een lekker biertje te drinken. Gelukkig zijn velen slim genoeg om niet in de auto te stappen als je gedronken hebt waardoor je risico loopt op ongelukken. Helaas zijn er enkelen die dat wel doen en dan is er een forse kans dat je daar letterlijk een prijs voor moet betalen. Als je rijdt onder invloed dan ben over het algemeen niet verzekerd omdat de verzekeringsvoorwaarden een expliciete uitsluitingsclausule bevatten. In onderhavig geval was dat niet anders maar dat weerhield de drinkende automobilist er niet van om te gaan procederen waarbij uiteindelijk verzekeraar TVM in cassatie gaat.

De feiten:
Op 30 oktober 2008 heeft de drinkende bestuurder van een personenauto een aanrijding veroorzaakt. Hij was ten tijde van de aanrijding bij TVM verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid voor met het motorrijtuig veroorzaakte schade. TVM heeft in de bepalingen een clausule opgenomen waarin staat dat van de verzekering is uitgesloten: “De schade of het ongeval, welke met opzet, voorwaardelijk opzet of goedvinden van een verzekerde is veroorzaakt.”

Op het verzekeringsformulier heeft de bestuurder onder meer ingevuld dat hij op de andere auto was geklapt met alcohol op en uit het politierapport bleek dat hij 840.0 µg/l blies. TVM heeft aan het slachtoffer een bedrag van € 25.315,57 betaald. TVM wil dit bedrag nu verhalen op de bestuurder.

Bij het hof:
TVM stelt dat sprake is van voorwaardelijk opzet, omdat verzekerde willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er een aanrijding zou plaatsvinden door te gaan rijden met een aanzienlijke hoeveelheid alcohol in zijn bloed. Anders verwoord heeft de bestuurder voorwaardelijk opzet gehad op het ongeluk.

Het hof zag dit echter anders en wees de vorderingen af. In de polisvoorwaarden is voorwaardelijk opzet uitgesloten van dekking, maar de polisvoorwaarden bevatten geen zogenoemde alcoholclausule, waarin expliciet schade als gevolg van het rijden onder invloed van alcohol van dekking is uitgesloten. Bij de beantwoording van de vraag of bij het ontbreken van een dergelijke clausule schade als gevolg van het rijden onder invloed van alcohol valt onder de uitsluiting van dekking als gevolg van voorwaardelijk opzet, is uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282, heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het algemene publiek dat een WAM-verzekering afsluit, geacht kan worden te weten, of uit voor ieder toegankelijke bronnen te weten kan komen, dat veelal in WAM-verzekeringen dekking is uitgesloten voor schade die is toegebracht door de verzekerde auto terwijl de bestuurder daarvan meer alcohol in zijn bloed had dan het wettelijk toegestane promillage. (rov. 3.14-3.15)

Gelet hierop heeft verzekerde dus redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat de door hem veroorzaakte schade van dekking onder de WAM-verzekering was uitgesloten. Derhalve komt TVM in dit geval geen beroep toe op de uitsluitingsclausule ter zake van voorwaardelijk opzet. (rov. 3.16)

Bij de Hoge Raad:
In cassatie stelt TVM dat het hof miskend heeft dat sprake is van voorwaardelijk opzet en dat het door het hof aangehaalde arrest niet als uitgangspunt kan dienen. De Hoge Raad begint met de constatering dat het arrest uit 2006 zag op een andere situatie. Ook in dit geval was er sprake van een dronken bestuurder, maar de verzekeraar sloot dekking uit op grond van de bepaling dat schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder niet wettelijk bevoegd is het motorrijtuig te besturen niet gedekt wordt. Die wettelijke bevoegdheid is in de onderhavige zaak niet in het geding.

Het hof had moeten beoordelen of de verzekerde bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst heeft moeten begrijpen dat door deze clausule de schade veroorzaakt door het dronken besturen van een auto van dekking is uitgesloten. Bij de uitleg van dat beding gelden de maatstaven van het arrest DSM/Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Als verzekerde consument is in de zin van afdeling 6.5.3 van het Burgerlijk Wetboek, geldt daarnaast de eis dat voor hem bij de totstandkoming van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval duidelijk en begrijpelijk moet zijn geweest dat een schadevoorval zoals het onderhavige met dit beding van dekking zou zijn uitgesloten, en prevaleert bij twijfel over de betekenis van het beding de voor hem gunstigste uitleg (art. 6:238 lid 2 BW).

De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van het hof onvoldoende gemotiveerd is en verwijst het door naar een ander hof voor feitelijke behandeling. De Hoge Raad merkt daarnaast nog op dat de enkele constatering dat het geen feit van algemene bekendheid is dat in WAM-verzekeringen dekking voor schade veroorzaakt door dronken achter stuur kruipen, niet volstaat voor het oordeel dat TVM geen beroep toekomt op de dekkingsuitsluiting wegens voorwaardelijk opzet.

Conclusie:
Het verwijzingshof zal zich nu moeten buigen over de uitleg van de opzetclausule met het oog op DSM/Fox en de specifieke bepalingen uit het BW die gelden waar de verzekerde een consument is. Het zou in ieder geval voor verzekeraars raadzaam zijn om naast de vrij algemeen verwoorde dekkingsuitsluitingsbepalingen tevens een ‘alcoholbepaling’ op te nemen daar jaarlijks nogal wat dronken mensen achter het stuur stappen en ongelukken veroorzaken. De uitleg van de algemene bepalingen leidt nogal eens tot een discussie en met een specifieke bepaling sta je als verzekeraar toch weer een stuk steviger.

Bron:
ECLI:NL:HR:2015:83