Binnen de rechtspraktijk hebben we altijd de neiging om ons te specialiseren in een bepaald vakgebied. Daarbij staan we lang niet altijd stil bij de overlap die een bepaalde handeling kan hebben met andere rechtsgebieden terwijl dat juist interessant kan zijn of grote gevolgen kan hebben. Dat is meteen ook de reden dat je als goede jurist weet wanneer je iets moet checken bij een terzake gespecialiseerde collega. Een geval van de samenloop tussen strafrecht en civiel recht zien we in onderhavige zaak waarbij knutselen met een pandrecht leidde tot een strafzaak.

De feiten:
De verdachte is gevolmachtigde van een vennootschap. In die rol huur hij een Belgische vennootschap in om accountantsdiensten te verrichten. De accountants gaan aan het werk maar krijgen vervolgens niet betaald ondanks herhaaldelijke aanmaningen. Uiteindelijk wordt een deurwaarder in de arm genomen. Dat blijkt een goede zet want verdachte gaat ermee akkoord om ter zekerheid een stil pandrecht te vestigen op een Mercedes S-klasse die op naam staat van een stichting waarvan verdachte bestuurder is. Vervolgens blijven betalingen weer uit en de deurwaarder krijgt de opdracht om het verkregen pandrecht uit te winnen. Bij het onderzoek van deurwaarder blijkt vervolgens dat Nadat door BVBA uiteindelijk een deurwaarder wordt ingeschakeld, gaat de verdachte ermee akkoord om ter zekerheid van betaling een stil pandrecht te vestigen op een aan een stichting toebehorende Mercedes. De verdachte is namelijk ook de bestuurder van deze stichting . Wanneer betaling vervolgens weer uitblijft, geeft BVBA aan de deurwaarder de opdracht om het verkregen pandrecht op de Mercedes te executeren. In de loop van het vooronderzoek van de deurwaarder blijkt dat de tenaamstelling van de auto is overgezet naar de verdachte in privé. De accountant doet vervolgens op advies van de deurwaarder aangifte van onttrekking van goederen aan het pandrecht.

Oordeel en overwegingen van de Hoge Raad:
De verdachte baseert zijn verweer op artikel 2:237 BW. Dit artikel bepaalt dat het pandrecht de zaak volgt waaraan het verbonden is, ook als het eigendom op deze zaak wijzigt. De accountant heeft dus nog steeds een pandrecht wat kan worden uitgeoefend. De Hoge Raad deelt die visie van verdachte niet. De Hoge Raad stelt dat niet alleen sprake is van onttrekking aan het pandrecht wanneer er sprake is van een handeling waardoor het betreffende recht niet langer kan worden uitgeoefend, maar ook wanneer er sprake is van een handeling die er toe strekt de uitoefening van het dat recht te beletten.Ook als er geen enkel beletsel voor executie is maar de uitoefening gefrustreerd wordt door de debiteur kan er sprake zijn van een strafbaar feit.

Het middel wordt door de Hoge Raad verworpen

Conclusie:
Het onttrekken van een zaak aan het pandrecht kan een strafbaar feit opleveren ex artikel 348 Sr. Het enkele feit dat een pandrecht de zaak volgt is geen solide verdediging. Daarnaast heeft verdachte in deze zaak ook meteen een mooie basis gelegd voor een civiele actie op basis van 6:162 BW, de onrechtmatige daad.

Feitelijk is het te verwachten gevolg van deze uitspraak dat verdachte alle extra gemaakte kosten zal moeten betalen en als het echt bont is gemaakt dan volgt ook nog een verblijf in een staatshotel.

Overigens is niet elke wijziging van tenaamstelling of verkoop van een goed waarop een pandrecht op rust een onttrekking aan het pandrecht. Van handelingen die vallen binnen het kader van normale bedrijfsuitoefening heeft een ondernemer weinig te vrezen. Zo is het gebruikelijk om een pandrecht te vestigen op bedrijfsvoorraden. De ondernemer mag echter wel de voorraden gewoon verkopen, anders zou de hele onderneming niets opleveren. Voor dergelijke gebruikelijke constructies is vaak zelfs een expliciete toestemmingsbepaling opgenomen in de pandakte. Als het gaat om zaken die niet in het kader van normale bedrijfsuitoefening worden gebruikt, zal veel sneller sprake zijn onttrekking.

Bron:
ECLI:NL:HR:2014:965

Er is vaak onduidelijkheid en debat over de vraag of beelden van verdachten nu wel of niet op internet mogen worden getoond door de politie. Als deze afweging niet correct wordt gemaakt kan dat leiden tot een vormverzuim onder art. 359a Sv wat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kan geven en dat is iets wat je graag wilt voorkomen. De Hoge Raad heeft in een recente uitspraak beslist dat de huidige wettelijke regelingen kunnen dienen als basis voor het publiceren van beelden op internet.

De feiten:
Op 4 december 2011 werd er gereld bij stadion De Galgenwaard te Utrecht tijdens en na een voetbalwedstrijd tussen FC Utrecht en FC Twente. Om de identiteit van enkele relschoppers vast te stellen zijn stills van camerabeelden van verdachte openbaar gemaakt, onder andere via de internetsite politie.nl. Naar aanleiding daarvan heeft de verdachte zich gemeld bij de politie omdat hij zichzelf herkende als de afgebeelde persoon. De verdachte is vervolgens veroordeeld wegens, kort gezegd, ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen’.

Bij het hof:
Artikel 2 van de Politiewet 1993 geeft de politie de bevoegdheid handelingen te verrichten die de in die bepaling aan haar opgedragen taak meebrengt. Dit artikel heeft een heel algemene taakomschrijving wat in combinatie met artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering als wettelijke grondslag afdoende is om het tonen van beelden van verdachte op internet te rechtvaardigen.

Daar komt nog bij dat het de gebruikte opsporingsmethode niet disproportioneel was nu de politie geen andere opties meer had. Eerdere oproepen in de pers aan verdachte(n) om zich te melden leverden niets op en er hebben zich geen getuigen gemeld. Ten slotte speelt de aard van de verdenking een rol.

Oordeel en overweging van de Hoge Raad:
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat art. 2 Politiewet 1993 in samenhang met art. 141 en 142 Sv als wettelijke basis kan dienen voor het tonen van een of meer foto(’s) van de verdachte op internet. Het oordeel komt er op neer dat het plaatsen van de camerabeelden van de verdachte op internet onder deze omstandigheden niet in strijd is met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Derhalve was het niet onrechtmatig de beelden op internet te plaatsen. In het verlengde hiervan is er geen vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv dat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kan geven. Mede gelet op hetgeen als verweer is aangevoerd, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en behoeft het geen nadere motivering.

Conclusie:
De Hoge Raad bevestigt dat art. 2 Politiewet 1993 in samenhang met art. 141 en 142 Sv als wettelijke basis kan dienen voor het tonen van beelden van verdachten op internet. Voorwaarde hiervoor is wel dat voldaan is de vereisten van de proportionaliteit en subsidiariteit, anders kan er alsnog sprake zijn van vormverzuim met alle vervelende gevolgen van dien.

Bron:
Hoge Raad ECLI:NL:HR:2014:23

Op legallife is al vaker geschreven over fiscaal strafrecht en de ietwat merkwaardige eigenschap dat het door zowel bestuursrecht als ‘echt’ strafrecht heen wandelt. Deel van de problematiek is de uitwisseling van informatie verkregen uit een strafrechtelijk onderzoek van het O.M. richting fiscus of omgekeerd. Er zijn richtlijnen die regelen wat wel en wat niet uitgewisseld mag worden. Tegen deze achtergrond is de volgende zaak interessant.

De feiten:
Belanghebbende is dga van een B.V. en samen met een advocaat medeverdachte in een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD. De FIOD had een telefoon/fax tap laten plaatsen op de lijnen van deze advocaat. Onder de gegevens die FIOD in handen kreeg, bevond zicht een overeenkomst van dading. Deze werd doorgespeeld aan de Inspecteur. De Officier van Justitie heeft toestemming verleend om de betreffende gegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden ten aanzien van eiser.

Op basis van de overeenkomst stelde de Inspecteur dat de dga een voordeel van € 175000,- had genoten uit aanmerkelijk belang. Dit geld had de B.V. van de dga grotendeels overgemaakt naar een Zwitserse bankrekening. De dga ging in beroep omdat hij van mening was dat de gegevens op onrechtmatige wijze waren verkregen. Het gaat er hier om dat de afgetapte lijn van een advocaat was en de overeenkomst van dading dus mogelijkerwijs onder de geheimhoudersstukken valt.

Oordeel en overweging van de rechtbank:
De rechtbank kijkt naar een overweging van het Hof in de strafzaak. Hieruit blijkt dat de medeverdachte advocaat niet in zijn belangen is geschaad. De overeenkomst kon derhalve niet zijn verkregen uit geheimhoudersgesprekken. Het verschoningsrecht van de advocaat is dus niet geschonden. Ook anderszins is niet gebleken dat de overeenkomst van dading op strafrechtelijk onrechtmatige wijze is verkregen. Derhalve mag de overeenkomst worden gebruikt door de fiscus en is het beroep van belanghebbende ongegrond.

Conclusie:
Het vonnis is vrij lang en niet heel overzichtelijk. Het zal dan ook niet voor iedereen even gemakkelijk te lezen zijn. Het feitencomplex is hierboven zeer beknopt samengevat. De meest relevante rechtsoverwegingen welke handelen over de rechtmatigheid van het bewijs zijn te vinden in 4.13. t/m. 4.15.

Kortgezegd komt het er op neer dat de overeenkomst van dading niet uit geheimhoudersgesprekken afkomstig is. Dit wordt afgeleid uit een overweging van het Gerechtshof in de strafzaak. Het hof overweegt dat de medeverdachte advocaat niet in zijn belangen is geschaad en de rechtbank ziet begrijpelijkerwijs geen reden om daarvan af te wijken. De overeenkomst is dus op rechtmatige wijze verkregen. Hoewel het vonnis er nauwelijks expliciet aandacht aan besteedt, kunnen we er van uitgaan dat de doorgifte van de overeenkomst van dading aan de Inspecteur op correcte wijze is geschied. We weten uit het vonnis slechts dat de Officier van Justitie toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de overeenkomst ten behoeve van belastingheffing van belanghebbende [r.o. 4.12.]

Al met al geeft dit vonnis een aardige blik over hoe de strafrechtketen en de bestuursrechtelijke rechtsketen samenwerken in het kader van fiscaal strafrecht en belastingheffing.

Bron:
Rechtbank Gelderland ECLI:NL:RBGEL:2013:3000

Wanneer je grote hoeveelheden gelijke handelingen in een proces moet verrichten is het logisch om het proces zoveel mogelijk uniform in te richten en te automatiseren. Zo heeft het CJIB een hele “productielijn” voor de afhandeling van verkeersboetes gemaakt. Dit is an sich een goed idee, het zorgt er immers voor dat de afhandeling van een dossier binnen afzienbare tijd kan geschieden en verkleint de kans op fouten. Het is echter ook mogelijk om in een dergelijke manier van werken door te schieten. In onderhavige zaak gebeurt dit en krijgt het CJIB er flink van langs van de kantonrechter.

De feiten:
Een verdachte heeft tal van verkeersovertredingen begaan. Deze worden door het CJIB als verschillende zaken behandeld. In onderhavige zaak worden drie gevoegde zaken behandeld. Strekking van de vordering is dat gijzeling jegens betrokkene wordt toegepast.

Overwegingen van de rechter:
De kantonrechter stelt voorop dat machtiging tot gijzeling slechts wordt verleend indien aan het subsidiariteitsbeginsel is voldaan. Voldoende aannemelijk moet zijn, dat het toepassen van minder ingrijpende middelen eerst is bezien en dat een en ander niet tot betaling van de boete heeft geleid of kan leiden. De wet kent verscheidene minder ingrijpende alternatieven zoals beslag op goederen. De officier van justitie heeft in de toelichting op de vordering standaardformuleringen gebruikt die onvoldoende recht doen aan de individuele zaak, er blijkt niet wat concreet is gebeurd.De kantonrechter zal dergelijke verzoeken niet (langer) te honoreren.

Efficiency nastreven is begrijpelijk doch dit mag geen afbreuk doen aand de rechten van een burger in een individuele procedure. Verzoeken moeten voldoende feitelijk worden onderbouwd waarbij het duidelijk moet zijn dat gijzeling de enige nog openstaande mogelijkheid is. Voornoemd verzoek tot gijzeling voldoet hier niet aan en wordt alleen om deze reden al afgewezen.

Tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog andere zaken open staan. Betrokkene heeft contact gezocht met het arrondissementsparket om een regeling te treffen maar hij heeft nog geen reactie mogen ontvangen.

Rechtsoverweging 1.4 citeer ik integraal om recht te doen aan de bewoording van de kantonrechter:

Wat de kantonrechter niet begrijpt, is dat het CJIB (en de bevoegde officier van justitie) kennelijk niet in staat is om een probleem “in zijn totaal aan te pakken” en in overleg op te lossen. Zelfs niet als een advocaat van een betrokkene zich schriftelijk meldt met een daartoe strekkend verzoek en ook niet als er al eerdere betalingsregelingen door die advocaat namens zijn cliënt getroffen zijn. Het CJIB gaat in dat geval gewoon door met in iedere individuele zaak (geautomatiseerd) het totale pakket aan verhaalsmogelijkheden en dwangmiddelen af te werken met alle bijkomende kosten van dien. Dit betekent dat deze kantonrechter op 25 juli 2013 de onderhavige 3 zaken heeft mogen behandelen en dat hij op 12 september 2013 3 andere zaken krijgt voorgelegd, welke hij ook weer zal gaan afwijzen. Dit kennelijk onder het motto “Hoe houd ik de rechtbank/de kantonrechter aan het werk”.

Alles bij elkaar heeft de kantonrechter voldoende redenen om de vordering af te wijzen.

Conclusie:
Op de keper beschouwd hebben we hier te maken met een betrokkene die kennelijk structureel verkeersovertredingen begaat. Dat hij daarvoor moet worden gestraft is logisch maar dat dient wel op correcte wijze te geschieden. Het OM heeft er nu allemaal aparte zaken van gemaakt in plaats van het gehele probleem in één keer bij de wortel aan te pakken. Dat betrokkene zelf al contact zoekt met het OM met dit doel en vervolgens geen enkele reactie krijgt is vreemd. Op deze manier haal je ook de goede wil die iemand eventueel heeft om zichzelf te verbeteren wel weg.

Het is zelfs zo erg dat er voor een komende zitting nog driemaal hetzelfde verzoek aangaande dezelfde betrokkene op de rol staat. Een dergelijke manier van werken is gigantisch inefficiënt, kost de gemeenschap klauwen met geld en belast het toch al overbelaste rechtssysteem nog eens verder.

Aan de andere kant wil het OM net eventjes te efficiënt zijn met de motivatie van het verzoek tot gijzelneming. Er worden kennelijk alleen maar standaardformuleringen gebruikt en er is nergens een feitelijke onderbouwing te vinden.

Al met al is het zeer terecht dat de kantonrechter fel van leer trekt tegen het OM want dit is simpelweg broddelwerk. Het gaat hier wel over een verzoek tot gijzelneming, dat is een zware sanctie en daar wordt op vrij laconieke wijze mee omgesprongen. Het is dan ook te hopen dat het CJIB en de bevoegde officier van justitie snel hun zaakjes op orde krijgen.

Bron:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant ECLI:NL:RBZWB:2013:6073

Eind april van dit jaar was in de media te lezen dat een automobilist een motorrijder met hoge snelheid achtervolgde over de A12 en meerdere malen heeft geprobeerd de motorrijder omver te rijden. De rechtbank heeft nu uitspraak gedaan in deze opzienbarende zaak.

De feiten:
In de ochtend van 27 april is verdachte gearresteerd nadat hij op de Oostweg in Zoetermeer frontaal op een andere auto geklapt. Kort daarop kwam de motorrijder aanlopen die vertelde dat verdachte hem kort daarvoor op de A12 meerdere malen van zijn motor had geprobeerd te rijden. Als klap op de vuurpijl bleek verdachte op het politiebureau 330 ug/l te blazen.

Verdachte is aangeklaagd voor poging tot moord dan wel doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling, dit alles onder de invloed van alcohol. Voor de goede orde wordt hem ook het veroorzaken van verkeershinder onder artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Uit technisch onderzoek van de politie, camerabeelden en getuigenverklaringen staat vast, dat op de A12 de motorrijder vanuit Den Haag vanaf het Prins Bernhardviaduct te ’s-Gravenhage tot Zoetermeer door de automobilist werd achtervolgd met hoge snelheden. De automobilist probeerde daarbij meerdere keren de motorrijder omver te rijden. De automobilist is met zeer hoge snelheid dicht achter de motorrijder gaan rijden, heeft hem meermalen van achteren aangereden, heeft hem ingeklemd, weggedrukt en is voor hem gaan rijden om vervolgens plotseling te remmen.

Het verweer van de autobestuurder wordt door de rechtbank verworpen. De autobestuurder stelt dat zijn rijgedrag werd veroorzaakt door extreme en acute stress omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij werd gevolgd door een man die hem kort tevoren met een pistool had bedreigd vanuit een zwarte Golf 5 die naast hem stond voor een verkeerslicht. Hij wilde slechts wegkomen van de jongen in de zwarte Golf 5. Verdachte heeft verklaard dat op de A12 een motorrijder voor hem reed, die steeds voor hem bleef rijden terwijl verdachte hem probeerde te passeren.

Dit standpunt wordt echter niet gedragen door de getuigenverklaringen welke aangeven dat er ruimte genoeg was om te passeren. Daarnaast is er op de camerabeelden 10 minuten voor het moment van het passeren van verdachte op de camerabeelden en 5 minuten daarna geen zwarte of donkerkleurige Golf te zien. Volgens dezelfde camerabeelden reed verdachte bovendien vóór de motorrijder hetgeen niet strookt met zijn verklaring dat de motorrijder hem er niet langs wilde laten. De rechtbank noemt verklaring van verdachte dan ook onwaarschijnlijk.

De rechtbank acht verdachte schuldig aan poging tot moord. Verdachte heeft tijd heeft gehad om zich te beraden op het besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit bewijsmiddelen blijkt dat verdachte meerdere malen, over een lange afstand met meerdere tussenpozen heeft geprobeerd om de motorrijder van het leven te beroven. Ook blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij wel tijdens deze rit rationeel kon nadenken. Zo heeft hij bijvoorbeeld de snelweg verlaten om te gaan tanken, hetgeen overeenkomt met het feit dat zijn brandstoftank nagenoeg leeg was.

De rechtbank acht verdachte schuldig aan poging tot moord, het rijden onder invloed en het veroorzaken van verkeershinder. Verdachte wordt veroordeeld tot 6 jaar cel en zeven jaar ontzegging van rijbevoegdheid.

Conclusie:
Verdachte heeft meerdere keren getracht een motorrijder omver te rijden. Hij geeft helaas geen duidelijke verklaring waarom dat gepoogd is. Gezien de omstandigheden die in het vonnis zijn geschetst, heeft motorrijder een leger beschermengelen gehad die overuren draaiden. De bewijsmiddelen geven de rechtbank echter voldoende aanknopingspunten om verdachte zes jaar celstraf op te leggen en een zeven jaar ontzegging van de rijbevoegdheid.

Bron:
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2013:10721