Als je gaat scheiden en kinderen hebt dan moeten er een hoop dingen worden geregeld. Zo moet er een omgangsregeling worden gemaakt voor de ouder waar kinderen niet verblijven, die zal immers ook graag contact houden met zijn kroost. Zo’n omgangsregeling moet ook praktisch werkbaar zijn, een bezoekrecht is niet praktisch als een andere ouder een eind uit de buurt gaat wonen.

Uitgangspunt bij dit soort gevallen is dat ouders het samen uit moeten zoeken. Als de verzorgende ouder wil verhuizen dan moet de andere ouder hier toestemming voor geven. Bij het uitblijven van die toestemming kan de rechter worden aangezocht om vervangende toestemming te geven. Rechtspraak over dit soort vragen is bijna altijd zeer casuïstisch van aard. De rechter zal in de regel naar de omstandigheden kijken en voor de beslissing gebruik maken van een set vuistregels. Eeuwig terugkerend in het personen- en familierecht is dat de actie (in dit geval verhuizing) niet tegen het belang van het kind mag zijn. Ook dient er een noodzaak te zijn om te verhuizen.

In de gedachten van de verzoekende ouder zal de noodzaak om te verhuizen zeker aanwezig zijn maar de rechter deelt deze mening niet altijd. Onderstaande zaak is een mooie illustratie hiervan.

De feiten:
De vrouw is de verzorgende ouder van een driejarige tweeling. Gedurende de relatie met haar ex waren zij woonachtig in Gorinchem. De relatie liep op de klippen en partijen hebben nu gezamenlijk ouderlijk gezag. De vrouw wil terug verhuizen naar Emmeloord met de kinderen wat een afstand is van ongeveer 130 kilometer. De man gaf hiervoor geen toestemming omdat hij de omgangsregeling dan praktisch onwerkbaar vond worden.

De vrouw verzoekt nu de rechter om vervangende toestemming. De vrouw is afkomstig uit Emmeloord. Zij heeft daar familie en vrienden die zij ook tijdens de relatie regelmatig bezocht. De vrouw voelt zich erg ongelukkig in Gorinchem en voelt zich voortdurend geconfronteerd door onprettige herinneringen, mede omdat de man uit deze omgeving afkomstig is. Na de breuk met de vader verslechterde ook haar financiële positie waardoor zij het huis niet kon overnemen. Het woningaanbod in de regio Emmeloord is groter en de prijzen zijn er lager.

Zij stelt dat verhuizing naar Emmeloord niet tegen het belang van de kinderen is. De landelijke omgeving is geschikt voor hen en er zijn voldoende mogelijkheden voor kinderopvang en scholen. Gezien hun jeugdige leeftijd zal het hen niet moeilijk vallen te wennen. De huidige zorgregeling zou door de verhuizing niet in het gedrang komen. De vrouw is niet van plan de contacten tussen de man en de kinderen te beperken of te frustreren.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
Bij een dergelijk geschil dient de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hieronder vallen onder meer het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten; de noodzaak om te verhuizen; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en de verdeling en continuïteit van de zorgtaken.

De rechtbank heeft begrip voor de wens om terug te verhuizen naar Emmeloord. Hiermee beoogt de vrouw uit de invloed- en levenssfeer van de man te raken zodat zij een eigen toekomst kan opbouwen. De rechtbank is echter van oordeel dat met die redenen de noodzaak van de verhuizing voor de vrouw onvoldoende is komen vast te staan. Er is niet gesteld of gebleken dat de wijze van contact met familie en vrienden in Emmeloord niet volstaat. Zij heeft immers ook tijdens de relatie intensief contact met familie en kennissen in Emmeloord gehouden. De werkgever van de vrouw biedt de vrouw weliswaar de mogelijkheid vanuit een vestiging in de omgeving te werken doch een noodzaak is dit niet.

Er is ook niet overduidelijk sprake van een gebrek aan binding met Gorinchem dan wel een sterke binding met Emmeloord. Ten aanzien van de woning was niet gebleken dat de vrouw serieuze pogingen had ondernomen om in Gorinchem en omgeving naar een passende woonruimte te zoeken en dat deze pogingen op niets waren uitgelopen. Er kan dus niet worden gesteld dat er een noodzaak tot verhuizing.

Aan de kant van de man geldt dat een verhuizing buiten de regio voor de man en de kinderen betekenen een continuering van de huidige contactregeling – gezien de reisafstand en het filegevoelige traject – problematischer, zo niet onmogelijk zal worden. Dit zou een mogelijkheid voor de man om een grotere rol in het leven van de kinderen op voorhand onmogelijk maken.

Door een verhuizing zoals de vrouw voor ogen staat zullen de kinderen op grote afstand van hun huidige woonplaats komen te wonen. Hiermee komt een einde aan hun leven in een voor hen vertrouwde omgeving met naaste familie, kinderopvang en vriendjes. Het is een feit van algemene bekendheid dat verbreking van de continuïteit van woon- en sociale leefomgeving voor een kind ingrijpend is.

In dit geval dienen de belangen van de man en de kinderen boven het belang van de vrouw te prevaleren.

Conclusie:
De rechtbank heeft begrip voor het sentiment van de vrouw dat zij graag naar buiten de leefomgeving van de man wil verhuizen. Er is echter zeer weinig wat de noodzaak van een verhuizing over zo’n afstand objectief kan staven.

Daarbij komt wel dat een verhuizing over zo’n afstand de kinderen ‘losrukt’ uit hun huidige omgeving en dat de belangen van de man behoorlijk geschaad worden. Zijn huidige omgangsregeling zou dan al lastiger worden en op punten onmogelijk.

Hij is nu al meer dan slechts een ‘weekendvader’. Daarnaast heeft hij al meerdere malen bij de vrouw aangedrongen op een uitbreiding van de omgangsregeling. De uiteindelijke regeling die de man voor ogen heeft behelst een gelijkwaardig verdeling in tijd van de zorgtaken. Een dergelijke verhuizing zou dit voor onmogelijk maken. Bovendien heeft hij al te kennen gegeven zijn ex tegemoet te willen komen en heeft geen moeite met een verhuizing tot een afstand van maximaal 50 kilometer buiten Gorinchem.

Bij een dergelijke combinatie is het niet onbegrijpelijk dat de rechter het verzoek van de vrouw afwijst, hoezeer zij ook een noodzaak zal voelen om te verhuizen.

Bron:
LJN: BX7272, Rechtbank Dordrecht

Dat je voorzichtig moet zijn met social media en kieskeurig in de woorden die je hanteert moge bekend zijn. Met name de arbeidsrechtelijke praktijk staat bol van de voorbeelden waarbij social media en blogs een rol spelen bij het op scherp zetten van de arbeidsverhouding. Social media kunnen je echter ook in andere rechtsgebieden enorm nekken zoals in onderstaande casus over het familierecht.

De feiten:
Ouders zijn gescheiden in hebben gezamenlijk een kind. De vrouw heeft bij rechtbank ‘s-Gravenhage een verzoek ingediend voor kinderalimentatie. Onmiddellijk daarop verzocht de man om beide ouders te belasten met het gezamenlijk gezag uitoefenen hun minderjarige dochter. Op grond van artike 1:253c BW geldt dat een dergelijk verzoek, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen wordt indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

An sich is een dergelijke procedure niets bijzonders maar wat deze onderscheidt van alle andere is dat de rechtbank vrij uitgebreid ingaat op de rol van Facebook bij de beoordeling van het geschil.

Overwegingen en oordeel van de rechter:
De rechtbank is in dit geval van oordeel dat het waarschijnlijk is dat indien de ouders gezamenlijk het gezag zullen gaan uitoefenen er een gerede kans bestaat dat de nog zeer jonge minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders. Daarbij spelen gebruikelijke elementen een rol zoals het totale gebrek aan vertrouwen tussen ouders en zwartmakerij in de stukken tijdens de zitting. Het vonnis spreekt zelfs van ‘moddergooien’ wat een toch vrij ongebruikelijke term is om in een vonnis te hanteren.

De vrouw heeft ook tijdens de zitting prints van enkele facebook berichten getoond. De rechtbank verwerpt het verweer van de man dat overgelegde prints van Facebook en andere zogenoemde sociale media geen (juridische) waarde zouden hebben omdat zij alleen zijn overgelegd als stemmingmakerij. De berichten hebben inhoud als:

” ik weet dat mijn woorden tegen me gebruikt worden en dat sommige woorden omgedraaid worden. Dus ik zet VOOR NU nog niet teveel op FB MAAR!! Als alles achter de rug is zal ik alles vertellen, echt ALLES!! Ook mijn fouten!!”

De rechtbank acht dat deze specifiek ten doel hebben om de vrouw als moeder in diskrediet te brengen richting de Facebookvrienden van de man. Het echte huzarenstuk is echter een publicatie van een foto van een nota bene door de rechtbank gestempeld processtuk met als bijgaand onderschrift: “Daar is ie dan toch de brief van de rechtbank via de tegenpartij zijnde de moeder van mijn (ons) kind.”

Alles overwegende acht de rechtbank dat de man met deze berichten zich onvoldoende rekenschap geeft van de eisen die gezamenlijk ouderschap en de belangen van de minderjarige met zich meebrengen. De als tegenbewijs bedoelde Whats-app bericht zijn onvoldoende om daaruit te concluderen dat partijen wel in staat zouden zijn om op een normale manier te communiceren.

Ten slotte nog blijkt uit de Facebookberichten dat de man van plan is om na de procedure het nodige over de vrouw dan wel hun voormalige relatie te gaan onthullen. Naar het oordeel van de rechtbank komt dat de toch al gespannen onderlinge verhoudingen en/of communicatie niet ten goede.

Tot besluit volgen nog wat draagkrachtberekeningen over de verzochte kinderalimentatie welke toegewezen wordt en wordt een omgangsregeling vastgesteld.

Conclusie:
De les die uit deze uitspraak getrokken kan worden moge duidelijk zijn. Wees voorzichtig met wat je op social media publiceert want ook een rechter kan je berichten lezen. Ironisch genoeg had de man een bericht geplaatst met als strekking dat hij wist dat zijn woorden tegen hem gebruikt zouden worden. Vermoedelijk had hij geen idee hoe profetisch dat was.

Een andere les die ook uit dit vonnis te halen valt is dat het altijd dom is om dingen te doen die de rechtbank tegen je in het harnas kunnen jagen. Dingen zoals processtukken plaatsen met kwetsende berichten jegens de andere procespartij vallen in die categorie.

Deze uitspraak is verplicht leesvoer voor iedereen die iets te maken heeft met personen- en familierecht. Het is een goed leesbare uitspraak zonder al teveel technische termen die laat zien hoe een rechter omgaat met social media als bewijsmateriaal.

Bron:
Pas ook op met sociale media in het familierecht! (Sandra van de Grift) via akd.nl
LJN: BW8727, Rechtbank ‘s-Gravenhage

Op 11 juni 2012 schreef ik over het advies dat de Raad van State uitbracht omtrent de weigerambtenaar. Ik besloot het artikel met de opmerking dat het nu aan de politiek of aan de gemeentes was om verdere stappen te ondernemen.

De politiek heeft als eerste actie ondernomen. In de aanloop naar de verkiezingen buit D66 dit onderwerp handig uit door bij monde van Pechtold bij het COC Roze Lijsttrekkersdebat in Amsterdam aan te kondigen dat er een initiatiefwetsvoorstel wordt ingediend. Dat initiatiefwetsvoorstel en de MvT zijn nu beschikbaar gemaakt dus tijd om eens te kijken hoe D66 de toekomst ziet. Uit de MvT blijkt dat het advies van de Raad van State goed bestudeert is dus dit leg ik er voor de vergelijking op enkele hoofdpunten naast.

Het wetsvoorstel:
Het wetsvoorstel zelf is weinig verrassend en weinig omvangrijk. Het ziet voornamelijk op de benoembaarheid van nieuwe ambtenaren en meer specifiek dat het geen weigerambtenaren meer mogen zijn. Een (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand wordt slechts benoembaar indien hij geen onderscheid maakt tussen paren van verschillend geslacht en paren van gelijk geslacht. Daarnaast wordt de mogelijkheid geblokkeerd voor weigerambtenaren om zich te beroepen op de Algemene wet gelijke behandeling op grond van onderscheid ten aanzien van geloofsovertuiging. Dit laatste is bedoeld om de strijd met het grondrecht van vrijheid van godsdienst weg te nemen alsmede met het gelijkheidsbeginsel van de weigerambtenaar ten opzichte van de niet-weigerambtenaar.

In praktisch opzicht betekent dit dat bij een ontslagprocedure geen beroep meer mogelijk is op de Algemene wet gelijke behandeling met als motivering dat er sprake zou zijn van een “indirect onderscheid” op grond van zijn of haar godsdienst.

Verschil met het advies van de Raad:
Het mijns inziens meest fundamentele verschil met het advies van de Raad van State ziet op de gemeentelijke autonomie bij het aannemen van nieuwe ambtenaren. Het advies van de Raad van State laat gemeentes meer vrijheid. De ondergrens is dat er in elke gemeente gelegenheid moet zijn tot het huwen van paren van gelijk geslacht zonder geconfronteerd te worden met een weigerambtenaar. Zolang hier aan voldaan is mag een gemeente dan best nieuwe weigerambtenaren aannemen. Het wetsvoorstel maakt een einde aan de mogelijkheid om überhaupt een weigerambtenaar aan te nemen.

In de MvT wordt dit onder punt 10 op pagina 12 uitgelegd als dat de Raad van State het als een louter praktisch probleem benadert terwijl de initiatiefnemers dit een zó belangrijk beginsel achten, dat het in de wet geregeld moet zijn. Dit is met name een verschil van perspectief daar het in praktisch opzicht niet uitmaakt. De initiatiefnemers tillen zwaarder aan het bestaan van weigerambtenaren dan de Afdeling.

Zittende ambtenaren tegenover aspirant-ambtenaren:
Het belangrijkste punt waarop het advies van de Afdeling goeddeels wordt gevolgd gaat om het ontslag van weigerambtenaren. De initiatiefnemers volgen de Afdeling in de redenering dat ontslag een zwaardere aantasting van het belang van de betrokkene is dan een niet-aanstellen.

Een behoorlijk fundamenteel verschil zit in de benadering van zittende ambtenaren. Het advies van de Afdeling hanteert hier als uitgangspunt het bewilligen in gewetensbezwaren, behoudens problemen bij de uitvoering van de dienst of als de betrokken gewetensbezwaren onvoldoende zwaarwegend zijn of strijdig met de fundamentele beginselen van een rechtsstaat. Uit vorengaande blijkt al duidelijk dat het wetsvoorstel dit omkeert. De initiatiefnemers stellen zich op het standpunt dat er bij de weigering door ambtenaren van de burgerlijke stand om een homohuwelijk te voltrekken sowieso fundamentele beginselen van de democratische rechtsstaat in het geding zijn. Ook hier is weer duidelijk zichtbaar dat een ander perspectief wordt gekozen.

De soep wordt echter niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. De initiatiefnemers gaan verder met praktische uitwerking van het standpunt en de rol van de wetgever hierin. Ook hier komt de gemeentelijke autonomie weer om de hoek kijken, deze beperkt de rol van de wetgever. De wetgever ontslaat immers geen ambtenaren. Dat doet – indien nodig – de werkgever en dat is in dit geval de gemeente. Voor de wetgever is het slechts de vraag of ontslag van weigerambtenaren makkelijker gemaakt moet worden door regelgeving aan te passen.

De wetgever moet voorzichtig optreden omdat zij ook verantwoordelijk is voor de consistentie van wetgeving en eerder gewekte verwachtingen. De initiatiefnemers zijn van mening dat zij gemeentes voldoende armslag geven met het blokkeren van de mogelijkheid om bij een ontslagprocedure een beroep te doen op de Algemene wet gelijke behandeling met als motivering dat er sprake zou zijn van een “indirect onderscheid” op grond van godsdienst. De diversiteit van onderlinge gevallen laat zich beter regelen op gemeentelijk niveau.

Een afsluitende opmerking van de initiatiefnemers is dat het niet altijd hoeft te gaan om ontslag. Het kan ook zijn dat een gemeente eerst bekijkt of aan de weigerambtenaar andere taken of een andere functie kunnen worden opgedragen.

Conclusie:
Het initiatiefwetsvoorstel van D66 legt de nadruk op een strikte scheiding van geloof en staat. Het echte verschil met het advies van de Raad van State zit hem erin dat dit wetsvoorstel het aannemen van weigerambtenaren onmogelijk maakt en ontslag iets makkelijker.

Uiteindelijk maakt het effect in de praktijk niet heel veel uit omdat ook het advies stelt dat in iedere gemeente gehuwd moet kunnen worden zonder geconfronteerd te worden met een weigerambtenaar. Welk principieel standpunt ingenomen wordt is met name afhankelijk van persoonlijke overtuigingen.

Als de zittende volksvertegenwoordigers een goede indicatie zijn gaat het wetsvoorstel het halen. In de Tweede Kamer zijn al twee moties van de Tweede Kamer aangenomen die zouden moeten leiden tot het verbieden van de weigerambtenaar. De huidige minister Spies wilde aan een wetsvoorstel gezien de demissionaire status van het kabinet niet meer beginnen. Dat was achteraf gezien voor het CDA wellicht geen handige beslissing omdat nu D66 daar onmiddellijk de politieke vruchten van kan plukken.

Bron:
Spies wil geen einde maken aan weigerambtenaar via nu.nl
D66 dient initiatiefwetsvoorstel weigerambtenaar in via d66.nl
Voorstel van wet (Kamerstukken II 2011-2012, 33344 nr. 2) ook te vinden via officielebekendmakingen.nl
Memorie van toelichting (Kamerstukken II 2011-2012, 33344 nr. 3) ook te vinden via officielebekendmakingen.nl

Door Legallife is geregeld aandacht besteed aan zowel kinder- als partneralimentatie alsmede het feit dat het een onderwerp is wat zowel maatschappelijk als politiek gevoelig ligt. Kamerlid voor de PVV Bontes heeft nu een initiatiefvoorstel ingediend om de partneralimentatie om te gooien.

Van behoefte en draagkracht naar verloren verdiencapaciteit:
Momenteel wordt de alimentatie bepaald door twee factoren. Enerzijds is dit de behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde en anderzijds is dit de draagkracht van de alimentatieplichtige, dit in het verlengde van huidige huwelijksvermogensrecht. Dit zijn open normen welke geen recht meer doet aan huidige tijdsgewricht.

Volgens het initiatiefwetsvoorstel moet de grondslag voor alimentatie wettelijk worden vastgelegd en dient dit meer te zijn in de geest van tijdens het huwelijk verloren verdiencapaciteit.

Wijziging van de termijn:
De huidige termijn van 12 jaar voldoet volgens vele burgers niet meer maar ook uit de Tweede Kamer zelf komt hier steeds meer kritiek. Daarnaast dient de huidige duur van de uitkering tot levensonderhouder volgens indiener onvoldoende tot stimulans voor de alimentatiegerechtigde om te participeren op de arbeidsmarkt. De maximale termijn dient derhalve in de meeste gevallen te worden teruggebracht tot 5 jaar. De voornaamste uitzondering hierop is als het een huwelijk betreft langer dan 15 jaar en er kinderen zijn.

In vogelvlucht kunnen uit het wetsvoorstel ongeveer de volgende termijnen worden afgeleid:
Geen kinderen:

  • huwelijk korter dan 3 jaar: geen recht op alimentatie.
  • huwelijk langer dan 3 jaar: de helft van het huwelijk met een maximum van 5 jaar.

Wel kinderen:

  • partneralimentatie totdat het jongste kind 12 jaar is, ofwel de helft van het huwelijk met een maximum van 5 jaar.
  • Huwelijken langer dan 15 jaar: de helft van het huwelijk met een maximum van 10 jaar.

Vaststelling van de hoogte:
Naast de begrenzing van de alimentatieduur is tevens het ontbreken van inzicht in de wijze waarop de hoogte van de partneralimentatie wordt bepaald een punt van kritiek ten aanzien van de huidige regelgeving. De hoogte van de alimentatie wordt door de rechter doorgaans (mede) bepaald aan de hand van de Trema-normen. De rechter hoeft niet te motiveren waarom hij onder omstandigheden hier van afwijkt.

Het achterwege laten van een draagkrachtberekening kan als gevolg hebben, dat extra tijd moet worden geïnvesteerd in het beoordelen van de juistheid van de beschikking. Daarnaast kan het niet aanhechten van een draagkrachtberekening leiden tot rechtsonzekerheid.

Tijdens het algemeen overleg van 29 september 2001 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie toegezegd om met de Raad voor de rechtspraak af te stemmen dat in familierechtelijke zaken de alimentatieberekening door de rechter altijd wordt bijgevoegd. De indiener acht dit echter niet voldoende en kent de bezwaren vanuit de rechtspraktijk een dergelijk gewicht toe dat wordt voorgesteld dat op verzoek van betrokkenen de aan de beschikking betreffende partneralimentatie ten grondslag liggende berekeningen worden verstrekt bij de beschikking.

De gedachte die hier achter zit is dat een vonnis dient te worden gemotiveerd die voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Momenteel hoeft de rechter de draagkracht- en behoefteberekeningen niet in zijn beschikking op te nemen, mits maar voldoende blijkt van welke gegevens hij bij zijn beslissing is uitgegaan.

Conclusie:
Dit is zonder meer één van de meest belangrijke ontwikkelingen op het vlak van alimentatie. Er worden eindelijk stappen gezet in plaats van dat er alleen maar signalen over komen. Dit is namelijk iets wat zich al jaren voortsleept.

Of de voorgestelde regels nuttig zijn is dan deel twee. De limitering van de termijn tot in beginsel 5 jaar is niet onredelijk. Dat zou veel meer eer doen aan hoe tegenwoordig tegen partneralimentatie wordt aangekeken. De huidige termijn van 12 jaar is sowieso aan de erg lange kant.

Op de voorgestelde wijziging om op verzoek van betrokkenen de aan de beschikking betreffende partneralimentatie ten grondslag liggende berekeningen te verstrekken bij de beschikking valt nog wel wat af te dingen. Het niet opnemen van een draagkrachtberekening schept volgens indiener onduidelijkheid over het te betalen of te ontvangen alimentatiebedrag. Dat is incorrect omdat er een beschikking wordt afgegeven met de hoogte van het alimentatiebedrag.

Er resteert dan het inzichtsverschaffende aspect. Het wordt helaas niet geheel duidelijk waarom de huidige manier van motiveren onvoldoende zou zijn en hoe deze nieuwe methode rechtszekerheid en inzichtelijkheid zou helpen.

Bron:
Voorstel van Wet (Kamerstukken II 2011-2012, 33311 nr. 2)
Memorie van toelichting (Kamerstukken II 2011-2012, 33311 nr. 3)
te vinden via officielebekendmakingen.nl

De ‘weigerambtenaar’ is al een tijdje een lastig fenomeen in politiek. Deze ontstond na de invoering van het homohuwelijk toen enkele ambtenaren op grond van gewetensbezwaren weigerden om partners van gelijk geslacht in de echt te verbinden. Meestal betrof het hier dan religieuze gewetensbezwaren. Het gaat weliswaar om een in absoluut opzicht relatief klein aantal gevallen maar dat is niet het werkelijke probleem. De weigerambtenaar ligt namelijk politiek en maatschappelijk erg gevoelig, het lastige eraan is dat er een botsing van grondrechten is. Dit bemoeilijkt het vinden van een oplossing die voor alle partijen min of meer aanvaardbaar is. Aan de Raad van State is verzocht om onderzoek te verrichten naar dit probleem. Afgelopen vrijdag (8 juni) is hier een rapport over gepubliceerd.

De grondrechten:
Zoals vermeld zijn hier enkele grondrechten die een rol spelen. Het gaat daarbij om:

  • Het recht om te huwen
  • Het recht van vrijheid van geweten en godsdienst
  • Het recht op gelijke behandeling

Het recht om te huwen is eigenlijk alleen op het eerste gezicht een probleem. Voor zover bij de Raad bekend is, is er geen enkele gemeente waar het bijzonder moeilijk of zelfs onmogelijk bleek om in het huwelijk te treden. Hierdoor blijkt het recht om te huwen in alle gevallen gewaarborgd te zijn.

Er blijven dan nog maar twee grondrechten over. Het recht op gelijke behandeling geldt zowel voor bruidsparen van hetzelfde als van differentierend geslacht, zij dienen hetzelfde behandeld te worden. Het geldt echter ook voor weigerambtenaren ten opzichte van gewone ambtenaren. Als uitvloeisel hiervan speelt een rol het recht op gelijke benoembaarheid in overheidsdienst voor aspirant-trouwambtenaren. Een belangenafweging zal dus plaats moeten vinden.

De belangenafweging:
De RvS neemt in de belangenafweging een positie in ten gunste van het recht om te huwen. Het recht van paren van gelijk geslacht om op gelijke voet met anderen verzekerd te zijn van de mogelijkheid om in iedere gemeente van Nederland te huwen moet voorop staan. Niet alleen dat, maar de gemeente heeft ook een zorgplicht om te vermijden dat bruidsparen worden geconfronteerd met weigerambtenaren.

De soep wordt echter niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Gemeenten hebben hierbij een redelijke mate van bewegingsvrijheid om dit in de praktijk vorm te geven. Een intern arrangement waarbij rekening wordt gehouden met weigerambtenaren is geen probleem.

Het recht op gelijke behandeling voor bruidsparen van gelijk geslacht wordt daarbij niet geschonden zolang zij kunnen trouwen in de gemeente van hun keuze en zij dankzij interne maatregelen en afspraken niet worden geconfronteerd met een weigerambtenaar.

Zittende ambtenaren versus aspirant-ambtenaren:
Ten aanzien van zittende ambtenaren geldt als uitgangspunt het bewilligen in gewetensbezwaren, behoudens problemen bij de uitvoering van de dienst. Slechts als de betrokken gewetensbezwaren onvoldoende zwaarwegend zijn of strijdig met de fundamentele beginselen van een rechtsstaat, kan hiervan worden afgeweken. Er zal dus een aanzienlijke objectieve rechtvaardiging moeten zijn om een zittende gewetensbezwaarde ambtenaar te weren.

Ten aanzien van aspirant-trouwambtenaren hebben gemeenten meer bewegingsvrijheid. De grens is dat het met de uitsluiting vanwege gewetensbezwaren gemaakte indirecte onderscheid op grond van godsdienst zal ook hier een objectieve rechtvaardiging behoeft. De eis aan een aspirant-ambtenaar alle huwelijken te sluiten kan onder omstandigheden bijdragen aan de goede functionering van de openbare dienst. Ook is het mogelijk dat die eis noodzakelijk is om het gelijke recht om te huwen voor paren van gelijk geslacht te waarborgen.

Er zijn derhalve situaties denkbaar waarin een gewetensbezwaarde aspirant kan worden geweigerd voor de functie van trouwambtenaar. Dit zal beoordeeld moeten worden aan de hand van het concrete geval. Het zou echter te ver gaan als gemeentenlos van de concrete situatie zouden besluiten dat zij van alle nieuw aan te stellen trouwambtenaren verlangen dat deze bereid zijn ook huwelijken van paren van gelijk geslacht te sluiten. Iedere situatie dient dus op zijn merites te worden beoordeeld.

Conclusie:
De Raad van State begint eerst met het elimineren van het probleem van het recht op huwelijk. Per saldo kan het goed worden uitgeoefend dus is het geen probleem. Vervolgens wordt een afweging gemaakt tussen het recht op godsdienstvrijheid en het recht op gelijke behandeling in het voordeel van de laatste. De Raad van State neemt hiermee een duidelijk standpunt in wat hopelijk voor duidelijkheid zorgt. Middels een vrij pragmatische nuancering krijgen gemeenten redelijk wat bewegingsvrijheid om toch zoveel mogelijk hun eigen beleid te voeren.

Hopelijk schept dit advies een beetje rust en duidelijkheid in de discussie. Al met al is het knap wat de RvS doet, er wordt ondubbelzinnig uitgesproken wat zwaarder weegt en toch wordt er ook ruimte gelaten voor andere inzichten. Het is nu verder aan gemeentes om praktische invulling te geven aan dit advies dan wel aan de politiek om een wetsvoorstel te ontwerpen indien zij een andere afweging van belangen maakt.

Bron:
zaaknummer W04.12.0011/I via raadvanstate.nl