Scheidingen komen geregeld voor in Nederland. Een deel van het scheidingsproces is het vaststellen van een eventuele alimentatie. Deze hangt af van de behoeftigheid van de ene partij en de draagkracht van de andere partij. Gewoonlijk wordt voor de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de alimentatie gebruik gemaakt van de hiervoor ontworpen Tremanormen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gooit het echter over een andere boeg, zij is bij de bepaling van de behoefte van een vrouw in een echtscheidingszaak uitgegaan van de privé-onttrekkingen uit de zaak.

De feiten:
Man en vrouw zijn sinds 23 april 2013 gescheiden. De vrouw heeft een verzoek tot alimentatie ingediend. In hoger beroep is nu in geschil de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man alsmede de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen.

Oordeel en overwegingen van de rechtbank:

Behoefte van de vrouw:
Voor de vaststelling van de behoefte is de welstand tijdens het huwelijk medepalend, tezamen met alle relevante omstandigheden, waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk.

Voor de bepaling van de welstand is niet alleen van belang hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar ook welk bedrag zij daadwerkelijk spendeerden. Het hof gaat voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw uit van de privé onttrekkingen zoals deze blijken uit de jaarstukken van de eenmanszaak omdat het deze onttrekkingen zijn waar partijen van hebben geleefd.

Gezien de sterk fluctuerende resultaten van het akkerbouwbedrijf en de verklaring van de vrouw ter zitting van het hof dat partijen het ene jaar meer te besteden hadden dan het andere, ziet het hof aanleiding om uit te gaan van het gemiddelde resultaat over de afgelopen vijf boekjaren van de onderneming. Na het vaststellen van het gemiddelde resultaat en het toerekenen van diverse bedragen aan de verschillende leden van het gezin, stelt het hof de behoefte van de vrouw op € 3000,– bruto per maand.

Draagkracht van de man:
Ook voor de vaststelling van de draagkracht van de man gaat het hof niet uit de van de Tremanormen. Hiertoe wordt overwogen dat berekening van de draagkracht volgens de Tremanormen, in het geval van een agrarische onderneming zoals die van de man in feite geen realistisch beeld oplevert. Agrarische ondernemingen kenmerken zich immers door een hoge intrinsieke waarde maar een vaak (relatief) laag rendement, terwijl de ondernemer in redelijke welstand kan leven. Het hof acht het dan ook in dit geval opportuun om op andere wijze dan met behulp van de Tremanormen de draagkracht van de man vast te stellen.

Het hof bekijkt voor de vaststelling van de draagkracht van de man andermaal de jaarstukken. Alle gegevens en omstandigheden in aanmerking nemende, constateert het hof dat de man over voldoende financiële ruimte beschikt en kan beschikken om een substantiële bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dat dit gedeeltelijk voortkomt uit vermogen en niet slechts uit inkomsten doet niet ter zake. De man heeft voldoende draagkracht om aan de behoefte van de vrouw te kunnen voldoen.

Oordeel:
Het hof oordeelt dat de man de gehele behoefte van de van de vrouw kan dragen. Dienovereenkomstig veroordeelt zij de man tot het betalen van €3000,- per maand.

Conclusie:
Gewoonlijk maakt de rechter voor het vaststellen van alimentatie gebruik van de Tremanormen. De concrete feiten en omstandigheden van een geval kunnen echter aanleiding geven om hiervan af te wijken. In deze zaak is er sprake van een agrarisch bedrijf waaruit onttrekkingen worden gedaan om in het levensonderhoud te voorzien, reden om af te wijken. Redenen daarvoor kunnen worden gevonden in het feit dat een agrarisch bedrijf sterk fluctuerende inkomsten kan kennen alsmede dat er vaak sprake is van hoge intrinsieke waarde maar (relatief) laag rendement. Een berekening volgens de Tremanormen zou een vertekend beeld geven van werkelijkheid.

Bron:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ECLI:NL:GHARL:2013:6987

Meerderjarig worden is voor velen een moment waar ze enorm naar uitkijken, er is immers geen toestemming meer nodig van de ouder/voogd/gezaghouder voor wat dan ook. Je bent geheel verantwoordelijk voor je eigen daden en er is buiten de staat niemand meer die je rechtsmacht beperkt. Dat verandert echter weer op het moment dat je besluit te trouwen. In dat geval heeft de ene echtgenoot voor bepaalde rechtshandelingen toestemming nodig voor de andere echtgenoot. Dit geldt ook voor overeenkomsten ter zekerheidsstelling ten behoeve van derden. Als hier geen toestemming voor is gegeven door de andere echtgenoot staat in beginsel vernietiging open. Gehuwde ondernemers beroepen zich vaak op het ontbreken van een dergelijke toestemming op het moment dat ze onder een overeenkomst uit willen. Die vlieger gaat echter niet altijd op zoals we zien in onderhavige zaak.

De feiten:
De man is eigenaar van een bouwbedrijf dat wordt uitgeoefend in een vennootschap. Hij is de enige bestuurder van die vennootschap. In die hoedanigheid is hij een overeenkomst aangegaan waarbij hij zich persoonlijk garant stelde voor een overeenkomst aangegaan door de vennootschap. Het bouwbedrijf ging failliet en nu wordt de man aangesproken tot betaling op grond van de persoonlijke garantstelling. Zijn vrouw tracht nu deze garantstelling te vernietigen omdat zij geen toestemming zou hebben gegeven.

Oordeel en overwegingen van de rechtbank:
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW de echtgenoot van de andere echtgenoot toestemming behoeft voor zekerheidsstelling ten behoeve van derden. Echter, volgens artikel 1:88 lid 5 BW is voor dergelijke handelingen geen toestemming vereist indien deze worden verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap die alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt, voor zover de handelingen worden verricht ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf. [r.o. 4.11.]

De openliggende vraag is derhalve of deze zekerheidsstelling kan worden gezien als zijnde gedaan in de normale uitoefening van het bouwbedrijf. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Door de persoonlijke verbintenis te aanvaarden heeft het bedrijf een financieel voordeel gekregen omdat een kwijtschelding van een deel van de vordering deel uitmaakte van de voorwaarden. Daarnaast ziet de betalingsovereenkomst op schulden die direct verband houden met de bedrijfsuitoefening, te weten openstaande vorderingen betreffende bouwwerkzaamheden zijn verricht. [r.o. 4.14.]

Er vindt derhalve geen vernietiging plaats.

Conclusie:
Het is zonder

Aan het hebben van de Nederlandse nationaliteit zijn veel voordelen (en ook wat nadelen) verbonden. Zo is het recht op kinderbijslag bijzonder prettig op het moment dat je kinderen hebt. Als je Nederland als vreemdeling verblijft dan heb je geen recht op kinderbijslag.

De feiten:
De ouders in onderhavige zaak zijn als vreemdelingen niet tot Nederland toegelaten volgens de Vreemdelingenwet. Enkelen verblijven wel al jaren in Nederland. De Koppelingswet sluit hen echter uit van de aanspraak op verzekering voor de kinderbijslag. Deze zaak draait om de vraag of die uitsluiting discriminatie oplevert volgens internationaal recht. Meer specifiek is in het geding of de uitsluiting in strijd met het recht op familie- en gezinsleven in samenhang met het verbod van discriminatie.

In de aanloop richting Hoge Raad volgden verschillende rechtbanken het standpunt van de SVB dat ouders geen recht hadden op de kinderbijslag. Bij de Centrale Raad van Beroep werden de ouders wel in het gelijk gesteld. Het effect van de Koppelingswet zouden disproportioneel zijn en ouders zouden mede met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) geacht kunnen worden ingezetenen van Nederland te zijn.

Overwegingen en oordeel van de rechter:uitsluiting Volgens de Hoge Raad is uitsluiting van de kinderbijslagverzekering is niet in strijd met het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 van het Europese Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) in samenhang met het verbod van discriminatie (artikel 14 EVRM).

De Koppelingswet strekt ter ondersteuning van het Nederlandse immigratiebeleid. Staten mogen bij maatregelen inzake immigratie onderscheid maken naar nationaliteit. Verder heeft het EHRM ten aanzien van maatregelen die een effectieve implementatie van het integratiebeleid beogen in het kader van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven overwogen dat die maatregelen het economisch welzijn van het land beogen te beschermen en daarom een legitiem doel nastreven.

Daarnaast is van belang dat het voorwerp van geschil in de onderhavige gevallen de sociale zekerheid betreft. Op dat gebied komt aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gevallen die voor de toepassing van de onderhavige verdragsbepalingen als gelijk worden beschouwd, niettemin in verschillende zin te regelen.

Kinderbijslag is bedoeld om ouders te ondersteunen in de kosten daarvan. Kinderbijslag behoort niet tot die sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Een afwijkende behandeling is derhalve gerechtvaardigd.

Ook van belang is dat de Koppelingswet wil voorkomen dat vreemdelingen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven, of die enkel op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h van de Vw rechtmatig in Nederland verblijven, in staat zouden worden gesteld tot voortzetting van dat verblijf. Zo zou de schijn van legaliteit kunnen worden verworven, of een zodanig sterke rechtspositie opgebouwd – of de schijn daarvan – dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

Kennelijk vond de wetgever het niet wenselijk dat de betrokken vreemdelingen, aan wie (nog) geen verblijfsvergunning is verleend en bij wie ermee rekening moet worden gehouden dat zij het land zullen moeten verlaten, in de periode totdat daaromtrent zekerheid ontstaat recht hebben op sociale zekerheidsuitkeringen op eenzelfde niveau als
rechtmatig verblijvenden (en Nederlanders).

De uitsluiting van kinderbijslag staat in een redelijke en proportionele verhouding tot dat legitieme doel. Dit wordt niet anders indien belanghebbenden met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijven.

Conclusie:
De ouders in deze zaak zijn in verband met hun verblijfsstatus niet verzekerd voor de kinderbijslag. Zij zijn als vreemdelingen niet tot Nederland toegelaten volgens de Vreemdelingenwet.

De kinderbijslag dient echter niet om hun bestaansminimum te verzekeren. Evenmin is er sprake van ongerechtvaardigde discriminatie dan wel schending van het recht op familie- en gezinsleven. Staten hebben waar het op hun economische en sociale zekerheidsbelangen aankomt, een grote beoordelingsvrijheid.

Het gekozen middel is volgens de Hoge Raad niet disproportioneel om de gekozen doelen te bereiken. Dat is voor de ouder in kwestie pure pech.

Bron:
LJN: BW7740, Hoge Raad

Per 1 januari 2013 veranderen de normen die de rechtspraak hanteert voor het vaststellen van de hoogte van de kinderalimentatie. Aanleiding voor de wijziging van de normen voor kinderalimentatie is veranderde regelgeving en de wens tot verbetering van de huidige systematiek. Zo gaat nu het kindgebonden budget een rol spelen bij bepaling van draagkracht en wordt het systeem overzichtelijker. De belangrijkste veranderingen kort op een rij.

Dezelfde uitgangspunten:
De onderliggende principes voor het bepalen van de benodigdheid en hoogte van alimentatie blijven hetzelfde. Het uitgangspunt blijft de draagkracht van iedere ouder c.q. stiefouder na de scheiding. De draagkracht wordt per persoon vastgesteld en de behoeftigheid van het kind wordt goeddeels vastgesteld op basis van het netto inkomen van de (stief)ouders en de budgettabellen van het NIBUD.

Kindgebonden budget:
Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van het kind. Per 1 januari 2013 wordt deze in mindering gebracht op het aandeel dat (stief)ouders in de behoefte van een kind moeten bijdragen. De aanwezigheid van een kindgebonden budget kan de behoeftigheid dus naar beneden bijstellen om te voorkomen dat de vrager eigenlijk tweemaal geld ontvangt voor hetzelfde kind.

Zorgkorting:
Ook nieuw is de introductie van een zogeheten zorgkorting. De zorgkorting is een variabel bedrag wat in de plaats zal treden van de nu geldende omgangskosten van € 5,- per dag. Of er recht bestaat op de zorgkorting is afhankelijk van de draagkracht. Doordat de zorgkorting variabel is, kan deze beter aansluiten bij het welstandsniveau wat een kind gewend is. De zorgkorting gaat overigens in per 1 april 2013.

Werking van het systeem:
Eerst wordt de behoefte van de kinderen en zorg vastgesteld. Het met behulp van de NIBUD-tabellen gevonden bedrag van het eigen aandeel in de kosten kinderen wordt verminderd met het kindgebonden budget. Daarna wordt de zorgkorting berekend, in beginsel tenminste 15% van het gevonden bedrag. De zorgkorting kan anders uitvallen indien een verzorgende ouder meer kosten voor zijn/haar rekening neemt.

In de tweede stap wordt aan de hand van de tabellen en het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtigen,
waaronder de verzorgende ouder,de draagkracht van iedere onderhoudsplichtige per kind vastgesteld. Voor de behoefte aan een bijdrage is ook de draagkracht van de verzorgende ouder en eventuele
stiefouders van belang.

Vervolgens worden worden behoefte en draagkracht gekoppeld. De laagste van de twee is bepalend voor de onderhoudsplicht. Indien de gezamenlijke draagkracht van de ouders hoger is dan het eigen aandeel (na vermindering met het kindgebonden budget), dan wordt dit eigen aandeel naar evenredigheid van de draagkracht omgeslagen, waarna de zorgkorting de bijdrage vermindert.

Indien de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan het eigen aandeel, dan wordt de bijdrage slechts met een deel van de zorgkorting verminderd tot het bedrag dat de gezamenlijke draagkracht dat toelaat. In dat geval wordt een deel van de zorgkorting niet gerealiseerd.

Tot slot kan er indien nodig nog een aanvaardbaarheidstoets plaatsvinden. Dit maakt het mogelijk om rekening te houden met bijzondere omstandigheden zoals bijvoorbeeld de situatie waarbij één van de ouders een onderneming heeft met sterk wisselende resultaten of bijzondere verplichtingen heeft.

Beter inzicht in het systeem:
Dankzij nieuwe tabellen voor draagkracht van (stief)ouders en behoeftigheid van kinderen is het voor de meesten mogelijk om zelf de behoeftigheid en draagkracht te bepalen. Daardoor hoeft hopelijk minder vaak de hulp van een deskundige ingeschakeld te worden.

Conclusie:
Er zijn behoorlijk wat aanpassingen gedaan aan de regeling voor het vaststellen van de nieuwe normen voor kinderalimentatie. De incorporatie van het kindgebonden budget en het veranderen van het omgangsgeld naar een zorgkorting zijn de grootste structurele veranderingen. De onderliggende principes van behoeftigheid enerzijds en draagkracht anderzijds zijn niet gewijzigd waarmee de kern van het systeem nog steeds hetzelfde is.

De wijzigingen zorgen er voor dat het kinderalimentatiesysteem weer wat meer bij de tijd is. Rest nu slechts nog het partneralimentatiesysteem.

Bron:
Nieuwe normen berekening kinderalimentatie via rechtspraak.nl
Voorstel vereenvoudiging richtlijn kinderalimentatie
draagkrachttabel
behoeftetabel

Het is nu eenmaal een feit dat de liefde tussen echtelieden soms na enige tijd bekoelt. Een echtscheiding is dan het gevolg. Een complicerende factor in een dergelijke situatie is de aanwezigheid van kinderen. Er moet bepaalt worden waar zij hun primaire verblijfplaats zullen krijgen en welke ouder waarvoor verantwoordelijk is, hoe de financiën geregeld moeten worden enzovoorts. In veel gevallen verloopt dat uitstekend om niet te zeggen welhaast zakelijk. Er zijn echter ook tal van echtscheidingen waarbij de voormalig echtgenoten in spe elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Hun persoonlijke ruzie wordt dan uitgevochten over het hoofd van de kinderen. Naar aanleiding van een rapport van de Ombudsman onderzoekt de Rechtspraak nu of er aparte procesvertegenwoordiging moet komen voor kinderen bij een problematische (v)echtscheiding.

Problematiek bij echtscheidingen:
Voor kinderen is een scheiding een proces dat hun leven danig kan ontwrichten. Kinderen van gescheiden ouders zijn in de regel ook vatbaarder voor problemen dan kinderen van niet-gescheiden ouders. Bij ernstige echtscheidingen gebruiken de ouders de kinderen soms om elkaar onder druk te zetten. Dit kan zulke vormen aannemen dat de rechter op advies van de Raad voor de Kinderbescherming de kinderen onder toezicht moet stellen. Een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg raakt dan betrokken bij het gezin en heeft tot taak de omgang tussen beide ouders en de kinderen te bevorderen.

De gezinsvoogden komen meestal pas om de hoek kijken op het moment dat bijna een staat van openlijke oorlog is bereikt. Het is dan lastig om nog iets te redden. Bovendien krijgen de ouders er nog een vijand bij in de vorm van de gezinsvoogd. Dit brengt met zich mee dat er veel klachten volgen over vooral de partijdigheid van Bureau Jeugdzorg. De relatief late ondertoezichtstelling verkleint de kans op een goede afloop enorm. Bovendien wordt er nu geen data verzameld over de mate van succes van dit soort ondertoezichtstellingen. Dit is mede vanwege het feit dat het lastig om vast te stellen wat nu precies als ‘succes’ moet gelden.

De Ombudsman heeft derhalve onderzoek verricht naar onder meer de mogelijkheden om een dergelijke situatie te voorkomen. Eén van de aanbevelingen uit het rapport is dat kinderen in echtscheidingszaken vaker een eigen vertegenwoordiger moeten krijgen. Hoewel het rapport meer aanbevelingen bevat, laat ik die even buiten beschouwing. De aanbevelingen over de uitvoering van ondertoezichtstelling betreffen namelijk Bureau Jeugdzorg en niet de Rechtspraak als zodanig welke slechts een marginale toetsingsrol heeft.

De aanbeveling:
Er wordt een drietal aanbevelingen gedaan in het rapport:

  1. Kinderen zouden een aparte procesvertegenwoordiger moeten krijgen.
  2. Elke zaak zou aan één rechter gekoppeld moeten zijn.
  3. Indien het inzetten van een gezinsvoogd onvermijdelijk is, dan moet deze bij het proces aanwezig zijn en hun autoriteit moet door de rechter meer worden ondersteund.

Hier zijn wel wat observaties bij te maken. Zo is het inzetten van een procesvertegenwoordiger voor een kind door een kinderrechter geen nieuw verschijnsel. Zo wordt een advocaat ingeschakeld wanneer het kind erom vraagt of omdat de rechter van mening is dat ouders en kinderen tegenstrijdige belangen hebben, bijvoorbeeld in discussies over de omgangsregeling. De Rechtspraak bekijkt momenteel of inzet van procesvertegenwoordigers voor kinderen vaker plaats moet hebben en zoja in welke gevallen.

Het tweede en derde punt bezien met name organisatorische aspecten. Zo kan bij zaken het gebruik van meerdere rechters nodig zijn wanneer snelheid geboden is of wanneer zaakstermijnen anders overschreden worden. De mogelijkheden tot het aanwijzen van één rechter per zaak wordt ook onderzocht maar het zal wel even op zich laten wachten hoe de resultaten daarvan precies gaan worden nu de herziening gerechtelijke kaart in volle gang is en ook veel tijd wordt besteed aan het onderwerp van gerechtelijke specialisatie. Aan de andere kant is het nu er toch geklust wordt aan het rechterlijk bestel wel een geschikte tijd om ook dit onderwerp mee te nemen.

De aanwezigheid van gezinsvoogden bij een zitting is wellicht wat gecompliceerder. Momenteel stuurt Bureau Jeugdzorg meestal een bureauvertegenwoordiger naar de zitting. In een zitting worden vaak een zeven tot negen zaken behandeld. Het kan lastig zijn om daarvoor alle gezinsvoogden op te laten draven. De rechter zal het ook in lang niet alle gevallen nodig achten om de gezinsvoogd te horen. In de zaken waar dat wel nodig is wordt de gezinsvoogd opgeroepen of als het tijdens zitting blijkt, dan wordt de zaak aangehouden tot later datum. Het is dus maar de vraag of een dergelijk systeem niet bijzonder inefficiënt zou zijn. Bovendien kost het komen opdraven voor een zitting ook de gezinsvoogden veel tijd die wellicht beter aan iets elders besteed kan worden.

De constatering dat de rechter de gezinsvoogd moet ondersteunen in zijn gezag is een open deur intrappen. Een rechter die beslist dat er een ondertoezichtstelling plaats gaat vinden, legt aan de ouder(s) echt wel uit dat het geen vrijblijvende suggestie is en dat hun gezag en bewegingsvrijheid ingeperkt zullen worden.

Desalniettemin vallen er uit het rapport wel een aantal goede, zij het vrij brede aanbevelingen te halen. Ingrijpen voordat een situatie volstrekt uit de hand loopt is beter dan interveniëren als er praktisch een oorlog is uitgebroken. Ook is het noodzakelijk dat er een goed overzicht blijft van dossiers binnen de keten. Rechters staan onvermijdelijk altijd op meer afstand dan directe toezichthouders. Het aanwezig hebben van de gezinsvoogd bij de zitting kan het probleem van informatie-asymmetrie verkleinen. Ook kan het er voor zorgen dat de rechter op de zitting de neuzen van zowel gezinsvoogden als ouders al wat meer dezelfde richting op kan krijgen. Daarbij moet niet vergeten worden dat de rechter niet gezien moet worden als een verlengstuk van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. De rechter heeft immers een controlerende functie te hebben en indien nodig op de spreekwoordelijke rem te trappen. Dat aspect raakt in mijn visie in dit rapport af en toe een beetje op de achtergrond waarbij de rechter meer wordt gepresenteerd als deel van de hulpverleningsketen dan als controleur. Overigens is de rechter natuurlijk wel degelijk deel van de hulpverleningsketen.

Het is ook noodzakelijk dat de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg zich gaan bezinnen op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en met de verantwoordelijke bewindspersoon mogelijkheden verkennen om al in een eerder stadium hulp te bieden. Daartoe moet ook een mechanisme worden ontworpen waarmee enige mate van zicht kan worden gehouden op de effectiviteit van de ondertoezichtstelling en waarmee bij voorkeur ontwikkelingen kunnen worden gesignaleerd. Dat en tal van andere aspecten aangaande (de problemen rond) de praktische uitvoering zijn in het rapport terug te vinden.

Los van dat alles is het een goed streven dat Rechtspraak onderzoekt of het mogelijk is om meer dan nu alle partijen bij elkaar op een zitting te krijgen. Dat geeft hopelijk een beter uitgangspunt om een ondertoezichtstelling te starten. Nog beter is het als hulpverlening, indien nodig, in een eerder stadium al kan worden opgestart want ondertoezichtstelling is een extreem zwaar middel dat bij voorkeur vermeden zou moeten worden.

Bron:
Onderzoek naar advocaat voor kinderen bij problematische echtscheiding via rechtspraak.nl
Andere aanpak Bureau Jeugdzorg en rechters nodig bij strijdende oudersvia ombudsman.nl
Rapport 2012/166 (KOM SA/2012): ‘De ondertoezichtstelling bij omgangsproblemen’