Splitsingsakten van de Verenigingen van Eigenaren worden ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster. Bij uitleg van de splitsingsakte mag slechts acht worden geslagen op wat uit ingeschreven splitsingsstukken aan gegevens herleid kan worden. Op het moment dat meerdere ingeschreven aktes elkaar tegenspreken leidt dat echter wel tot problemen. De rechtbank te Rotterdam legt uit hoe met dat probleem om te gaan.

De feiten:
De ontwikkelingscombinatie Sveaparken C.V. met OCS Beheer B.V. als beherend vennoot heeft een appartementencomplex gebouwd, waarbij het complex gesplitst is in twee soorten appartementsrechten. Naast woonappartement bevat het gebouw op de begane grond appartementsrechten voor bedrijfsruimten en een horecaruimte.

De bedrijfsmatige appartementsrechten staan in de hoofdsplitsingakte omschreven als: “het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van dat gedeelte van het gebouw, gelegen op de begane grond, dat blijkens zijn inrichting bestemd is om te worden gebruikt als bedrijfsruimten, waaronder een horecaruimte en een supermarkt, alles met toebehoren, plaatselijke aanduiding nog onbekend, appartementsindex 2,”

In de ondersplitsingsakte staat vermeld: Iedere eigenaar en Gebruiker is verplicht het Privé Gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming, derhalve voor commerciële doeleinden, waarbij het Privé Gedeelte behorend tot Appartementsrecht met index 161 in het bijzonder geschikt is om te worden gebruikt als een horecagelevenheid. OCS verklaart dat de Privé Gedeelten volgens het huidige bestemmingsplan bestemd zijn om te worden gebruikt als ruimten voor detailhandel, horeca of maatschappelijke voorzieningen.

Een gebruik dat afwijkt van deze bestemming is slechts geoorloofd met toestemming van de Vergadering. (…)

Er is dus sprake van een hoofdsplitsingsakte waarbij het voor appartementsrecht met index 2 is opgenomen dat dit voor bedrijfsruimten en een horecaruimte bedoeld was terwijl de ondersplitsingsakte aangeeft dat de overige ruimten wordt in de ondersplitsingsakte opgenomen dat deze mogen worden gebruikt als ruimte voor detailhandel, horeca of maatschappelijke voorzieningen. Afwijken daarvan is slechts mogelijk met instemming van de Vergadering.

Op een gegeven moment wil een appartementseigenaar zijn bedrijfsruimte verhuren aan een exploitant van een snackbar, terwijl er al een Italiaans restaurant in een andere bedrijfsruimte gevestigd is. Dit leidt tot een conflict tussen de appartementseigenaar en de VvE.

Oordeel en overwegingen van de rechtbank:
De rechtbank begint met het citeren van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de uitleg van de openbare registers. Bij de uitleg van een uit de openbare registers kenbare splitsingsakte komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling dient naar objectieve maatstaven te worden afgeleid uit de omschrijving in die akte, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte.

De rechtszekerheid vergt dat daarbij slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn. Indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is.

In dit geval is OCS degene die tot splitsing is overgegaan; het gaat derhalve om haar bedoeling die uit de akte van hoofdsplitsing afgeleid dient te worden. Uit de beschrijving in de hoofdsplitsingsakte en met name de omschrijving van de bestemming in artikel 25 lid 4 (bedrijfsruimten en een horecaruimte) wordt als bedoeling afgeleid dat er sprake zou zijn dat van appartementsindex 2 één horecaruimte deel uit zou maken. Deze beschrijving prevaleert boven die uit de ondersplitsingsakte nu deze niet verenigd kan worden met de omschrijving in de hoofdsplitsingsakte.

De appartementseigenaar mag de ruimte dus niet verhuren aan een exploitant van een snackbar.

Conclusie:
De hoofdsplitsingsakte is volgens de rechtbank leidend. Leiden criterium daarbij is de tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene tot de splitsing is overgegaan. Deze bedoeling dient volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad naar objectieve maatstaven te worden afgeleid uit de omschrijving in die akte, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte. Het is namelijk van belang dat slechts acht wordt geslagen op gegevens uit de registers die voor derden kenbaar zijn.

Deze uitleg van de rechtbank is dan ook vanuit het oogpunt van rechtszekerheid goed te begrijpen. Anders zou het belang van de openbare registers uitgehold worden totdat we er niet meer daadwerkelijk van op aan kunnen.

Voor de appartementseigenaar is het bericht van de rechter natuurlijk niet leuk. Hij is een huurder kwijt en dat doet pijn in de portefeuille.

Bron:
ECLI:NL:RBROT:2015:322

Weet je nog die goede oude tijd toen we nog dachten dat vastgoed altijd in waarde zou stijgen? Die tijd is helaas is voorgoed voorbij. Bij echtscheidingen was vroeger altijd de vraag wie in welke mate tot de overwaarde van de woning gerechtigd was, tegenwoordig is vaak de vraag wie in welke mate de onderwaarde van de woning moet dragen als de woning ‘onder water’ staat hetgeen wil zeggen dat de hypotheek hoger is dan de marktwaarde. We zien dan ook steeds meer rechtspraak verschijnen waar de vraag is wie de restschuld toebedeeld krijgt.

Net als bij het toebedelen van overwaarde is het uitgangspunt in beginsel dat ieder de helft van de onderwaarde krijgt. Ook hier zien we net als bij het toebedelen van de overwaarde rechtspraak ontstaan die daarvan afwijkt. In onderhavige zaak is dit aan de orde.

De feiten:
Echtgenoten gaan scheiden. Tot de gemeenschap van partijen behoren de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypotheekschuld. De woning heeft een onderwaarde.

Partijen hadden aanvankelijk de woning gehuurd van een woningbouwstichting. In december 2009 hebben zij deze woning van de stichting gekocht onder voortdurend recht van erfpacht. Blijkens de verkoopvoorwaarden kunnen partijen deze woning niet aan derden verkopen, maar hebben zij een terugverkoopverplichting aan de Stichting, waarbij volgens een bepaalde vastgelegde formule de terugkoopwaarde wordt berekend.

Standpunten van partijen:
De vrouw wenste aanvankelijk de woning aan de Stichting terug te verkopen, omdat zij daarna de woning wederom van de Stichting kon terughuren. Zij heeft echter verklaard dat zij geen middelen heeft om bij te dragen in de alsdan resterende restschuld. De man wil niet dat de woning aan de Stichting wordt terugverkocht, omdat hij vreest dat de bank bij hem de schuld gaat verhalen en hij dan in de schuldsanering terecht zal komen.

De man wenst dat de woning aan hem wordt toegedeeld. Hij heeft bij brief verklaard dat hij in staat is de woning over te nemen. Wel is hij van mening dat de vrouw aan hem de helft van de onderwaarde moet betalen. De vrouw kan op zichzelf instemmen met toedeling van de woning aan de man, echter onder de voorwaarde dat zij niet gehouden is aan de man de helft van de onderwaarde te vergoeden omdat zij daarvoor geen middelen heeft.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechtbank deelt de woning toe aan de man onder de verplichting om de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen. Ook hier is het uitgangspunt dat de vrouw de helft van de onderwaarde aan de man moet vergoeden. Echter de rechtbank oordeelt dat bijzondere omstandigheden een matiging van de
vergoeding rechtvaardigen.

Ten eerste was de vrouw tijdens het huwelijk fulltime huismoeder. Deze keus tijdens het huwelijk is door partijen gemaakt vanuit een gezamenlijke (geloofs)overtuiging. De vrouw heeft haar opleiding stopgezet en is zich volledig gaan wijden aan de zorg voor de kinderen. Mede daarom kan zij nu geen baan vinden en heeft zij geen liquide middelen. De vrouw kan een dergelijk bedrag niet kan betalen en ook niet kan lenen. Bovendien komt zij voor verhuiskosten te staan, nu de woning wordt toegedeeld aan de man.

Ten tweede wil de man langdurig in de echtelijke woning te gaan wonen. Er is geen concrete aanleiding om aan te nemen dat de man binnen afzienbare termijn de woning terug wil of moet verkopen aan de stichting, waardoor hij daadwerkelijk met genoemde restschuld geconfronteerd zou worden. Hij loopt weliswaar een prijsrisico de toekomst, maar de omvang van dat risico is afhankelijk van de ontwikkelingen op de woningmarkt en laat zich moeilijk inschatten.

De rechtbank oordeelt daarom dat de te vergoeden onderwaarde voor de vrouw slechts een kwart van de onderwaarde bedraagt. Bovendien wordt de schuld pas opeisbaar als de vrouw weer over voldoende inkomsten beschikt. Vanaf dat moment moet zij het bedrag in termijnen aan de man voldoen.

Conclusie:
Ook in het geval een restschuld resteert geldt als hoofdregel dat deze in gelijke mate aan de echtgenoten wordt toebedeeld. Echter, in het geval van bijzondere omstandigheden kan de rechter hier vanaf wijken.

Bron:
ECLI:NL:RBGEL:2014:7010

Sinds 1 januari 2012 is het mogelijk dat iemand een erfdienstbaarheid heeft verkregen middels verjaring op basis van de artikelen 5:72 BW juncto 3:105 lid 1 BW juncto 3:306 BW. De rechtspraak lijkt er voorlopig niet al te happig op om erfdienstbaarheden toe te kennen middels verjaring zeker wanneer dat in een kort geding wordt verzocht.

De feiten:
Eiser heeft een woon/winkelpand dat hij sinds 1990 huurde en waar hij in 1995 eigenaar van werd. Het achtererf van zijn pand, inclusief garage, is slechts te bereiken via een strook grond van 4 meter breed welke toebehoort aan een achterliggende supermarkt. Die strook is te bereiken middels een hek waarvan eiser de sleutel heeft. In september 2013 vordert gedaagde, de eigenaar van de supermarkt, dat eiser de sleutel inlevert. Eiser weigert de sleutel af te geven. Gedaagde neemt geen halve maatregelen en plaatst een hek van twee meter in de grond op de erfgrens van de twee percelen zodat eiser er niet langer in of uit kan.

Eiser vordert nu in kort geding dat de oude situatie weer wordt hersteld zodat hij weer toegang heeft tot zijn achtererf en garage. Aan zijn vorderingen legt eiser ten grondslag dat door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij – net als zijn rechtsvoorganger – het pad in bezit heeft genomen door dit vanaf 1990 onafgebroken in gebruik te nemen. De verjaringstermijn is nimmer door een mondelinge of schriftelijke aanmaning is gestuit. Eiser concludeert dat hij per 1 januari 2012 een recht van erfdienstbaarheid heeft verkregen.

Oordeel en overwegingen van de rechter:
De rechter benadrukt dat voor het verkrijgen van een recht van erfdienstbaarheid middels verjaring gedurende de verjaringstermijn sprake dient te zijn van een ondubbelzinnig bezit van die erfdienstbaarheid. Er is sprake van ondubbelzinnig bezit wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de gerechtigde, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende tot de erfdienstbaarheid te zijn.

Het is niet aannemelijk dat eiser ondubbelzinnig bezit pretendeerde te hebben. Het enkele feit dat eiser met zijn auto, (motor)fiets en te voet vanaf 1992 op het pad kwam is op zichzelf onvoldoende om als bezitsdaad aan te kunnen merken, ook als dat meer dan incidenteel was. Het tevens maar de vraag of verjaringstermijn niet is gestuit nu gedaagde in 2011 het slot van het toegangshek heeft laten vervangen omdat er veel sleutels in omloop waren. Dat eiser een sleutel van het nieuwe slot heeft ontvangen, doet daar niet aan af. Deze complicaties moeten worden onderzocht in een bodemprocedure.

De voorzieningenrechter merkt nog op:

Daarbij is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de situatie sinds 1990 zo is dat veeleer sprake is van een nabuur die met respect voor het eigendomsrecht gebruikmaakt van andermans pad dan van een eigenaar die zijn eigendomsrecht uitoefent met respect voor het gebruik daarvan door zijn buurman.

Conclusie:
De rechter lijkt erg terughoudend met het vaststellen van het bestaan van een erfdienstbaarheid. Dit is te verklaren vanuit de grondgedachte van wat in een kort geding mogelijk is. Er zijn drie vereisten:

  1. Een zaak moet dusdanig eenvoudig zijn dat zij zich leent voor afwikkeling in kort geding. Bij ingewikkelder feitencomplexen is het aan de rechter in een bodemprocedure.
  2. Er moet sprake zijn van een spoedeisendheid. Een oordeel van een rechter moet noodzakelijk zijn en een beslissing moet op zodanig korte termijn nodig zijn dat een bodemprocedure afwachten geen optie is.
  3. Het spoedeisende belang moet een voorziening bij voorraad zijn.

In dit laatste punt zit het probleem. Een voorlopige voorziening – al dan niet bij voorraad – kan ongeveer worden omschreven als een maatregel waarmee de voorzieningenrechter een voorschoot neemt op de beslissing die in de bodemprocedure zou kunnen worden genomen. Het moet dus niet gaan om een ‘definitief’ vonnis, dit is aan de rechter in de bodemprocedure. Dientengevolge kunnen in kort geding geen constitutieve of declaratore vonnissen worden gegeven. In een declaratoir vonnis wordt immers een bepaalde rechtstoestand vastgesteld en in een constitutief vonnis wordt een rechtstoestand geschapen, gewijzigd of beëindigd. Beide soorten vonnissen geven een definitief oordeel en in kort geding is dit niet wenselijk. Een condemnatoir vonnis waarbij een partij iets moet doen of nalaten is wel mogelijk in kort geding.

Als de voorzieningenrechter het bestaan van een erfdienstbaarheid zou vaststellend dan zou hij een constitutief vonnis wijzen en daarbij in het vaarwater van de bodemrechter gaan zitten. In beginsel zal in een kort geding dus niet snel worden beslist dat er een erfdienstbaarheid middels verjaring is gekregen. Dit blijkt ook uit de overweging dat er eerder sprake lijkt te zijn van goed nabuurschap dan van een ondubbelzinnig gebruik alsof eiser bezitter was. Sowieso is dit een overweging die partijen zullen moeten meenemen, ook in een bodemprocedure.

Het lijkt overigens niet onmogelijk dat een voorzieningenrechter toch ooit overgaat tot een begunstigende uitspraak bij dergelijke vorderingen. Er zal dan sprake moeten zijn van een overduidelijke verjaring die nergens ook maar mogelijk is gestuit en een uitermate simpele motivering.

Bron:
Rechtbank Overijssel ECLI:NL:RBOVE:2013:2677

Iedere jurist zal waarschijnlijk wel eens commentaar krijgen dat je een pietje-precies bent, een kommaneuker, pietlut, muggenzifter enzovoorts. Het is echter heel, heel erg belangrijk om precies te werk te gaan want anders kom je met de gebakken peren te zitten zoals onderstaande zaak demonstreert.

De feiten:
Op 29 november 2002 is een notariële akte opgemaakt waarin een woon-winkelcomplex wordt geleverd door PMT aan Haghestede. In die akte is een bepaling opgenomen dat PMT verklaart dat niet bekend is dat er feiten zijn, die duiden op een mogelijke verontreiniging van de grond van het verkochte, zodanig dat een normaal gebruik daarvan als object bestemd tot verhuur en bewoning wordt belemmerd dan wel naar de huidige normen een verplichting tot schoning of tot het nemen van andere maatregelen zou kunnen worden opgelegd. Kortweg verklaart PMT dus dat de grond voor zover zij weet schoon is en er geen nare verrassingen zullen zijn.

De akte heeft ook nog een andere bepaling die stelt dat partijen over een weer niet kunnen ontbinden en dat koper verkoper vrijwaart voor alle vorderingen van derden en zelf ook geen schadevergoeding zal vorderen als naderhand blijkt dat de grond verontreinigt is.

Artikel 14:

  1. Koper en verkoper doen afstand van het recht op welke grond ook ontbinding van deze overeenkomst en de daaraan ten grondslag liggende koopovereenkomst te vorderen.
  2. Koper doet tevens afstand tot het vorderen van herstel en schadevergoeding (en vrijwaart verkoper voor aanspraken van derden) ter zake van na heden blijkende verontreiniging van het verkochte, behoudens voor zover mocht blijken dat verkoper bekend was met die verontreiniging. (…)”

Vervolgens komt er in 2004 een brief van de plaatselijke milieudienst met slecht nieuws. Een gedeelte van de grond is verontreinigd met gechloreerde koolwaterstoffen omdat op die plaats in het verleden een chemische wasserij gevestigd was. Op grond van de Wet bodemverontreiniging krijgt Haghestede de verantwoordelijkheid op haar dak om de grond te saneren en de hele operatie te betalen.

De vraag in hoger beroep is nu of de kosten kunnen worden afgewenteld op PMT omdat zij bekend was met de verontreiniging.

Oordeel en overweging van het hof:
Het hof constateert op basis van het hierboven geciteerde artikel 14, tweede lid, van de leveringsakte Haghestede afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht, behoudens voor zover mocht blijken dat PMT bekend was met die verontreiniging. Aangezien beide partijen handelen in professionele capaciteit en van de nodige juridische bijstand waren voorzien, kent het hof aan de tekst van de bepaling doorslaggevende betekenis toe.

Kritiek punt is of PMT op 29 november 2002 bekend was met de verontreiniging met gechloreerde koolwaterstoffen. Het is niet relevant of PMT een de verontreiniging redelijkerwijs had moeten vermoeden of daarmee bekend had kunnen zijn, indien zij daarnaar onderzoek had gedaan. Haghestede heeft nog wel aangeboden te bewijzen dat PMT op de hoogte was van de verontreiniging(en) en de tanks. Dat bewijsaanbod is echter voor zover het de verontreiniging(en) betreft, te algemeen en bovendien ter zake van de verontreiniging met gechloreerde koolwaterstoffen onvoldoende onderbouwd. Haghestede slaagt er in hoger beroep dus niet in te bewijzen dat PMT op de hoogte was van de verontreiniging.

Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Conclusie:
In dit geval doet de formulering van de notariële akte in combinatie met gebrekkig bewijs Haghestede de das om. Aangezien het gaat om professionele partijen die een vergelijkbare positie hebben wordt er niet gecorrigeerd voor machtsverhoudingen op basis van Haviltex. Dat betekent dat de tekst van de akte van doorslaggevende betekenis is. In dit geval is gekozen voor een formulering met ‘bekend is’ in plaats van ‘bekend is dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden’. Daardoor moet Haghestede bewijzen dat PMT op 29 november 2002 daadwerkelijk wist van de bodemverontreiniging en dat is een stevige bewijslast. Het bewijsaanbod van Haghestede wordt door het hof onvoldoende geacht om deze hoge bewijslast te staven maar het zou mogelijkerwijs wel voldoende zijn geweest om tot de conclusie te komen dat PMT redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de grond verontreinigd was.

Daarmee wordt eens te meer aangetoond dat het bijzonder belangrijk is om zorgvuldig te formuleren want anders kun je er letterlijk een forse prijs voor betalen.

Bron:
Hof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2013:4174

Het valt binnen de bevoegdheid van een Vereniging van Eigenaars (VvE) om regels te stellen ten aanzien van het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes. Zij moet zich daarbij echter wel houden aan de regels zoals neergelegd in het het splitsingsreglement, de splitsingsakte en de wet. Als zij dat niet doet dan kan een besluit vernietigd worden. In onderhavige zaak is dat het geval met betrekking tot een besluit voor een privédakterras op een gemeenschappelijk gedeelte.

De feiten:
Aan de achterzijde van een gebouw is op de begane grond in het midden een uitbouw met daarin bergingen voor appartementen. Een eigenaar van een appartementsrecht (ja, ik weet dat het strikt genomen rechthebbende is) heeft op een stuk van het dak dat tot zijn privégedeelte behoort. De eigenaar wilde dit graag uitbreiden tot op het gemeenschappelijk gedeelte van het dak van de berging en heeft daarvoor in 2010 toestemming gevraagd en gekregen van de VvE. Het terras wordt vervolgens uitgebreid over het hele dak.

In 2013 vraagt een nieuwe eigenaar van het appartementsrecht toestemming aan de VvE om het dakterras in te richten met vlonders. De VvE gaat akkoord mits de vlonders worden verwijderd als het appartementsrecht verkocht wordt. Een aantal andere eigenaren van appartement zien dit niet zitten en stappen naar de rechter. Zij voeren aan dat het besluit van de VvE in strijd is met het splitsingsreglement.

Oordeel en overweging van de rechter:
De rechter stelt voorop dat niet in geding is dat een gedeelte van het dak tot het privégedeelte behoort. De eigenaar heeft daarvan het exclusief privé gebruik. Het staat eigenaar vrij op dit gedeelte vlonders aan te brengen nu niet gesteld of gebleken is dat het dak van de bergingen bouwkundige aanpassingen vergt noch is anderszins nadeel aan een ander gedeelte toebrengt.

Voor het gemeenschappelijke gedeelte ligt de zaak anders. De rechter is van oordeel dat het besluit van 2013 voortbouwt op het besluit van 2010, waarin toen het gebruik van het gehele dak van de berging als dakterras wordt toegestaan. De rechter acht het besluit uit 2010 nietig en vernietigt in het verlengde daarvan het besluit van 2013.

Weliswaar kan de VvE ingevolge artikel 5:128 BW regels stellen omtrent het gebruik van gemeenschappelijke gedeelten, maar volgens diezelfde regels kan de vergadering daarbij niet afwijken van de bepalingen in het splitsingsreglement. Het besluit uit 2010 is in strijd is met het splitsingsreglement. Het splitsingsreglement is is opgenomen in de akte van splitsing. Op grond van artikel 5:129 BW wordt voor de toepassing van artikel 2:14 BW de akte van splitsing gelijk gesteld met de statuten. Dit betekent dat het besluit van de VvE uit 2010 nietig is.

Het besluit uit 2013 bouwt voort op dit nietige besluit. Het is aannemelijk geworden dat het aanleggen van vlonders een intensiever gebruik van het gehele dak van de bergingen als dakterras mogelijk maakt. Ook is het denkbaar dat de VvE van een belendend appartementencomplex zal ageren tegen het gebruik van het gehele gemeenschappelijk gedeelte als dakterras in verband met verwachte overlast. Ten slotte is het waarschijnlijk dat de gemeente Amsterdam hetzij aanvullende eisen zal stellen hetzij handhavend zal optreden. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende vernietigt de rechter dit besluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Conclusie:
Voor de appartementseigenaar is het niet bijzonder leuk maar het gemeenschappelijk gedeelte van het dak mag niet als terras in gebruik worden genomen. Voor een VvE is hier de les dat er wel besluiten mogen worden genomen over het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes zolang deze maar niet in strijd zijn met splitsingsreglement. De kantonrechter stelt zowel het besluit uit 2010 als het besluit uit 2013 buiten werking. Dit is noodzakelijk omdat het besluit uit 2013 slechts ziet op het leggen van vlonders, anders zou de toestemming uit het besluit van 2010 om toch het gehele dak als terras te gebruiken in stand blijven. Dat er dan een tweede rechtszaak komt om dat alsnog te verbieden, kun je natuurlijk op je klompen aanvoelen.

Met name onderdelen 12 t/m 15 het vonnis zijn lezenswaardig omdat ook zeer duidelijk door de kantonrechter wordt behandeld hoe de verhouding is tussen de speciale regeling uit boek 5 BW en de generale regeling uit boek 2 BW. Het eerste stuk van het vonnis geeft wat fragmenten van onder meer het splitsingsreglement en het bestemmingsplan van Amsterdam wat aannemelijk maakt dat de gemeente zal gaan optreden. Het is leuk om eventjes vluchtig doorheen te kijken maar de waarde is met name onderbouwend en raakt niet zozeer aan de kern van de beslissing.

Bron:
Rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2013:7428