Je kunt als notaris af en toe in een lastige positie komen. Je hebt een zorgplicht jegens al je cliënten en een ministerieplicht welke bepaalt dat je in beginsel geen dienst mag weigeren. Maar wat als je twee cliënten hebt welke beiden een koopakte hebben getekend voor hetzelfde perceel? Dankzij de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem‑Leeuwarden weten we nu dat je in ieder geval niet één van de cliënten zonder meer heen moet zenden en we hebben ook instructies voor wat je wel moet doen.

De feiten:
In november 2011 heeft de notaris een ongedateerde en niet ondertekende koopakte ontvangen van een perceel, verkocht aan klager en zijn toenmalige echtgenote. Klager is door de notaris verzocht bescheiden aan de notaris te zenden en uitgenodigd voor het passeren van de akte levering van het perceel op 1 december 2011.

Op 22 november 2011 ontving de notaris nogmaals een niet ondertekende koopakte van het perceel. In die akte kochten de toenmalige schoonouders van klager het perceel. Op 1 december 2011 heeft klager zich op het notariskantoor gemeld voor het transport van het perceel. Op dat moment waren ook de toenmalig schoonouders op het kantoor van de notaris aanwezig.

Klager maakte op dat moment kenbaar dat hij en zijn echtgenote het perceel gekocht hadden en dat hij aanspraak op levering maakte. Vervolgens werd klager weggezonden en werd het perceel aan de toenmalig schoonouders geleverd.

Klager stelt zich nu op het standpunt dat de notaris onzorgvuldig jegens hem (en zijn toenmalig echtgenote) heeft gehandeld.

Overwegingen en oordeel kamer:
De kamer stelt voorop dat voor een geldige koopakte slechts een wilsovereenstemming is vereist, er is niet daadwerkelijk een akte vereist. Uit de toelichting van de vertegenwoordiger van verkoper blijkt dat de tweede verkoopovereenkomst is gesloten omdat niet voldoende zeker was dat klager de overeenkomst zou kunnen nakomen.

De kamer gaat ervan uit dat de notaris op 1 december 2011 niet met klager heeft willen spreken en zich dus ook niet heeft verdiept in de rechten die klager meende te hebben en de argumenten die klager voor zijn standpunt had. De betrokken notaris heeft slechts gesteld dat hij zich niet meer kon herinneren of hij op 1 december 2011 met klager heeft gesproken.

Een notaris die zich op hetzelfde moment geconfronteerd ziet met twee mogelijke kopers van eenzelfde perceel, zoals in casu het geval was, bevindt zich in een moeilijke positie. De notaris zal op dat moment moeten onderzoeken of, en indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, welke koper recht op overdracht heeft. De notaris zal daarvoor met beide kopers moeten spreken. Als er geen oplossing mogelijk is, zal notaris vooralsnog dienst moeten weigeren.

De notaris kan niet één van de mogelijke kopers zonder enig gesprek wegzenden en het perceel zonder meer aan de andere koper in eigendom overdragen. Hier doet niet aan af dat van de tweede koopovereenkomst een ondertekende koopakte voor handen was. Dit sluit namelijk niet uit dat eerder een koopovereenkomst klager tot stand gekomen kon zijn.

De betrokken notaris heeft derhalve onzorgvuldig gehandeld en krijgt een berisping.

Conclusie:
Als we ons even op de positie van notaris concentreren dan heeft hij een eerdere koper van het perceel zonder enige motivatie en zonder hem te horen weggestuurd. Het is altijd extreem risicovol om als notaris iemand weg te sturen als er mogelijk meerdere partijen aanspraak hebben op hetzelfde object, een situatie waarin een andere partij die aanspraak maakt op een object maar de notaris niet bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn daargelaten.

De kamer erkent dat dit een lastige positie is om in te verkeren. Desalniettemin zul je als notaris in een dergelijke situatie standvastig moeten zijn en dienst moeten weigeren indien er geen andere mogelijkheden zijn. Dit oordeel van de kamer acht ik begrijpelijk daar op de notaris een belangrijke plicht rust ten eerste jegens zijn cliënten om hun rechten te waarborgen en jegens de maatschappij in het algemeen om de rechtszekerheid te waarborgen. Daarbij hoort een zorgvuldige afweging van belangen en een waardering van de feitelijke situatie. Aan de andere kant kan ik mij ook voorstellen dat de betrokken notaris zich overvallen heeft gevoelen door de aanwezigheid van beide partijen op hetzelfde moment en een beoordelingsfout heeft gemaakt. Op een notaris rust echter een zware plicht om zorg te dragen voor de belangen van cliënten in het bijzonder en om de rechtszekerheid te waarborgen in het algemeen. Als je daadwerkelijk als eerste een pand koopt dan moet je er redelijkerwijs van uit kunnen gaan dat je het ook als eerste geleverd krijgt. Als er onduidelijkheid daaromtrent bestaat, dan zal in het uiterste geval een rechter uitsluitsel moeten geven voordat een notaris overgaat tot levering. Desalniettemin kan ik mij levendig voorstellen dat de notaris een menselijke fout heeft gemaakt. Hoewel we graag zouden willen dat notarissen, alsook het gehele rechtssysteem onfeilbaar is, is dit helaas niet het geval.

De klager heeft in materieel opzicht niet heel veel aan deze uitspraak van de kamer, zoals wel vaker het geval is het tuchtrecht. Veel meer dan mogelijkerwijs een gevoel van genoegdoening zal hij er niet aan overhouden. Betekent dat voor klager dat hij geen opties meer heeft? Nee, een vordering op basis van wanprestatie jegens verkoper is een optie. Complicerende factor daarbij is wel dat zijn toenmalig schoonouders inmiddels eigenaar zijn van het perceel. Het kan heel goed zijn dat verkoper op de hoogte was van de familieverhouding en dit ook aantoonbaar aan partijen heeft gemeld. Daarnaast kan een dergelijke rechtszaak mogelijk de verhoudingen tussen ex-echtgenoten en gewezen schoonfamilie verder op scherp zetten. Het is aan klager om de afweging te maken of een dergelijke vordering zin heeft.

Bron:
Kamer van toezicht Arnhem AL/2012/38 YC1026

Notarissen hebben, net zoals advocaten, een verschoningsrecht. Dit recht hangt nauw samen met de geheimhoudingsplicht welke beide ambtsbeoefenaren hebben. Het verschoningsrecht alsmede de geheimhoudingsplicht zijn rechtshistorisch van groot belang en omkleed met tal van wettelijke en jurisprudentiële waarborgen. Dit betekent dat derden zoals de politie die dingen willen weten, voorzichtig moeten treden. Als zij dat niet doen dan kunnen de gevolgen aanzienlijk zijn zoals de Hoge Raad duidelijk maakt in onderhavig arrest waar bij een notaris dossiers in beslag werden genomen door de rechter-commissaris.

De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht:
De geheimhoudingsplicht is er om de belangen van cliënten te beschermen. Eenieder moet vrij zijn om alles openlijk te kunnen bespreken zonder angst dat alles wat je vertelt op straat komt te liggen. Zo zal je bijvoorbeeld in een scheidingszaak niet willen dat je ex alles te horen krijgt wat je met je advocaat bespreekt of dat de gehele wereld via de notaris te horen krijgt hoe de erfenis van je pa verdeeld wordt.

Voor wat het notariaat betreft is in artikel 3 lid 2 jo. artikel 22 Wna is de geheimhoudingsplicht geregeld. In artikel 22 lid 1 Wna staat het volgende: ‘de notaris is, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding verplicht.’

Het verschoningsrecht ligt in het verlengde van deze geheimhoudingsplicht. Het verschoningsrecht behelst het recht van de notaris om zich ten overstaan van de rechter te onthouden van het doen van een getuigenis. Het recht is een uitzondering op de regel dat op een ieder de verplichting rust om een getuigenis af te leggen.

De reikwijdte van de geheimhoudingsplicht is immens groot, de gehele inhoud van een akte valt er onder. Het is immers vaak praktisch niet goed mogelijk om een onderscheid aan te brengen welke zaken geheim zijn, en welke niet. Denk bijvoorbeeld aan de vele rechtsgebieden die bijeen komen bij de relatief eenvoudige overdracht van een onroerende zaak. Er is een deel verbintenisrecht (de koop), een deel zakenrecht (de levering), en een deel fiscaal recht (omzetbelasting en/of overdrachtsbelasting). De Hoge Raad volgt deze redeneertrant in het standaardarrest aangaande geheimhouding Ogam- Notaris Maas.

Voorop moet worden gesteld dat het hof, blijkens zijn derde r.o., kennelijk ervan is uitgegaan dat het verschoningsrecht van de notaris zich alleen uitstrekt tot datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig, dat wil zeggen als notaris, is toevertrouwd en dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, ook als hem toevertrouwd heeft te gelden. Dit uitgangspunt is, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, juist.

Kortgezegd is de kern dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is medegedeeld, onder het ambtsgeheim valt.

Deze geheimhoudingsplicht en het er uit voortvloeiende verschoningsrecht is af en toe justitie alsook de maatschappij een doorn in het oog. Ten eerste kan het zijn dat criminelen gebruik maken van bijvoorbeeld vastgoedtransacties om geld wit te wassen. Men probeert dat tegen te gaan wetgeving als de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme welke verplichtingen oplegt ter identificatie van cliënten en een meldplicht voor ongebruikelijke transacties.

Het OM wil echter af en toe ook graag in de dossiers van een notaris kijken en dat kan niet zomaar vanwege het verschoningsrecht. Veel discussie over de reikwijdte van het verschoningsrecht in een concreet geval is niet mogelijk. De Hoge Raad heeft hierover bepaald bij zijn arrest van 18 december 1998:

Aangezien slechts de notaris precies kan beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen, moet dit oordeel in beginsel aan de notaris worden overgelaten. De rechter dient derhalve het beroep van de notaris op diens verschoningsrecht te aanvaarden zolang hij aan redelijke twijfel onderhevig acht of verstrekking van de gevraagde gegevens zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven (vgl. r.o. 3.5 van voormelde beschikking van 1 maart 1985, alsmede HR 22 november 1991, nr. 14367, NJ 1992, 315 r.o. 3.3, HR 25 september 1992, nr. 14652, NJ 1993,467, r.o. 3.2, voorlaatste alinea, en HR 11 maart 1994, nr. 8355, NJ 1995, 3, r.o. 3.5, laatste alinea).

Zoals de reeks verwijzingen onderaan dit citaat doet vermoeden, is deze lijn van de Hoge Raad consequent. Het betekent ook dat een rechter-commissaris bij een huiszoeking uitermate omzichtig te werk zal moeten gaan. Bij een huiszoeking is overigens ook altijd de ringvoorzitter van de notaris, dan wel diens plaatsvervanger aanwezig om een goede procesvoering te waarborgen. Het kan immers zijn dat betrokken notaris enigszins van slag is als de politie zijn archief binnenstebuiten komt keren.

De feiten:
In onderhavige zaak onderhield de betrokken notaris volgens justitie zakelijke banden met personen die in het verleden voor misdrijven zijn veroordeeld, of waartegen een strafrechtelijk onderzoek liep. De notaris zou witwasmogelijkheden aan die personen aanbieden. Vervolgens werden in mei 2010 66 dossiers in beslag genomen. Volgens de betrokken rechter-commissaris een vijftien(!) verhuisdozen vol. Overigens is de notaris geen verdachte in het onderzoek.

De notaris stelt zich nu bij de Hoge Raad op het standpunt dat de inbeslagname onrechtmatig is, omdat de rechter-commissaris niet de bevoegdheid had. De klaagster heeft zich ten aanzien van die dossiers op haar verschoningsrecht beroepen en de rechter-commissaris had dit moeten respecteren. Dit is alleen anders wanneer er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klaagster onjuist is, maar daar is hier geen sprake van.

Volgens de rechter-commissaris was het ter plaatse beoordelen van de dossiers op de aanwezigheid van geheimhouderstukken niet haalbaar op praktische gronden. Daarop besloot de rechter-commissaris simpelweg alles in beslag te nemen. De beoordeling van de aanwezigheid van geheimhouderstukken zou later plaatsvinden. Er was daarbij ook een conflict over de vraag of justitie eerst een voorselectie zou mogen maken, of dat de ringvoorzitter als eerste over de geheimhouderstukken zou oordelen.

Oordeel van de Hoge Raad:
Volgens de Hoge Raad is het uitgangspunt dat eerst de notaris zich uit kan laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd. Dit is niet anders wanneer in verband met bijvoorbeeld de omvang van de te beoordelen stukken, deze worden verzegeld en meegenomen naar het kabinet van de Rechter-Commissaris.[r.o. 3.4.]

De enkele suggestie dat de stukken die “deel uitmaken van één of meer strafbare feiten die verdachte wordt verweten, dan wel tot het begaan daarvan hebben gediend” alsook dat die stukken nimmer object van het aan de notaris toekomende verschoningsrecht zijn, wordt door de Hoge Raad naar de prullenbak verwezen. Het oordeel is niet begrijpelijk nu nadere motivering ontbreekt aangezien de aan het proces-verbaal van de Rechter-Commissaris gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de inhoud van de dossiers niet vermeldt en evenmin een aanduiding bevat van de aard van de zich daarin bevindende stukken.[r.o. 3.5]

Tot slot doet de Hoge Raad het standpunt van justitie, dat een oordeel vooraf van de verschoningsgerechtigde over geheimhouderstukken helemaal niet nodig is, eveneens richting prullenmand verdwijnen. Voor zover het eerdere oordeel van de rechtbank behelst dat indien (reeds) op grond van de uit het proces-verbaal van aanvraag doorzoeking blijkende omstandigheden kan worden geoordeeld dat die stukken niet onder het verschoningsrecht vallen, het standpunt van de verschoningsgerechtigde daaromtrent niet behoeft te worden ingewonnen, is het onjuist.

Conclusie:
De Hoge Raad maakt hier eens te meer duidelijk hoe veelomvattend de geheimhoudingsplicht en het daaruit voortvloeiende verschoningsrecht zijn. De rechter-commissaris is in dit geval iets te enthousiast te werk gegaan.

Deze zaak demonstreert ook hoe de taken van justitie en geheimhouders botsen alsmede de belangen die een rol spelen. Enerzijds is er justitie en sterker wordende maatschappelijke mening dat een enkele verdenking voldoende is voor een doorzoeking. Aan de andere kant is er het recht op privacy van cliënten van notarissen en advocaten wat in het geding kan komen indien zomaar willekeurig stukken kunnen worden opgevraagd door justitie. Dit raakt immers vaak ook anderen dan de daadwerkelijke verdachte van een misdrijf.

Dit soort zaken speelt al tijden maar de Hoge Raad heeft zonder meer duidelijk aangegeven hoe zij de geheimhoudingsplicht ziet. Indien deze afgezwakt moet worden dan is een wetswijziging de geëigende weg om te bewandelen. Of daarbij dan de belangenafweging van partijen nog correct genoemd kan worden, is een tweede probleem.

Bron:
ECLI:NL:HR:2013:CA0434, Hoge Raad
ECLI:NL:RBROT:2012:BV3772, Rechtbank Rotterdam

1 januari 2003 is een belangrijke datum in de notariële rechtspraktijk. Op die datum werd het vernieuwde boek 4 BW aangaande erfrecht ingevoerd. Er zijn tal van substantiële veranderingen ingevoerd waaronder wat je precies in een codicil kon opnemen. Voor 1 januari 2003 waren de regels daarvoor veel ruimer. Als er dan vervolgens na 1 januari 2003 een codicil wordt gemaakt wat niet aan de vereisten voldoet, dan kun je tegen problemen aanlopen.

Codicil:
Onder het huidige recht (art. 4:97 BW) is een codicil een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen waarmee zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt aangaande:

  • kleren
  • lijfstoebehoren
  • bepaalde lijfsieraden
  • bepaalde tot de inboedel behorende zaken
  • bepaalde boeken.

Bepaalde moet in deze context overigens worden gelezen als ‘nader omschreven.’ Het voordeel van een codicil is dat het maken laagdrempelig is, er komt immers geen notaris aan te pas om een codicil te maken. Een probleem is echter wel de relatief grote fraudegevoeligheid van codicils, dit is één van de belangrijkste redenen dat de mogelijkheden om een codicil te gebruiken zeer beperkt zijn.

Er kan dus tegenwoordig niet veel in een codicil worden geregeld. Wie meer wil regelen dan binnen het codicil mogelijk is, zal moeten uitwijken naar een testament hetgeen in de wetsterminologie een uiterste wilsbeschikking heet. Eén van de dingen die slechts bij uiterste wilsbeschikking geregeld kunnen worden, is het aanwijzen van een een executeur (art. 4:142 BW). Dat is waar het om draait in deze zaak.

De feiten:
In onderhavige zaak gaat het om een klacht tegen een notaris over de inhoud van de verklaring van erfrecht. Het stuk wat door erflater is opgesteld en waarop klager zich beroept dateert van 2006 en is getypt. In dit stuk werd een executeur aangewezen. Erflater had ook een testament laten opstellen, daarin werd echter geen executeur aangewezen.

De verklaring van erfrecht vermelde derhalve: “In dit testament heeft de overledene geen executeur benoemd. De erfgenamen hebben verklaard niet bekend te zijn met een codicil met een benoeming van een executeur.”

Na wat discussie over en weer volgt een klacht tegen de notaris en diens protocolopvolger. Klager stelt dat de hiervoor weergegeven passage van de verklaring van erfrecht onjuist is, aangezien erflater in februari 2006 de tekst heeft getypt en ondertekend.

Overwegingen en oordeel:
Vóór 1 januari 2003 kon bij codicil een executeur-testamentair worden aangewezen (artikel 982 van het oude Burgerlijk Wetboek). Op grond van het nu geldende recht kan bij codicil geen executeur meer benoemd worden. Dit dient bij uiterste wilsbeschikking te geschieden. Het stuk waarop klager zich beroept dateert van na 1 januari 2003 en is niet handgeschreven. In de onderhavige verklaring van erfrecht is dan ook terecht opgenomen dat er geen sprake is van een codicil.[r.o. 5.2.]

Dit is in onderlinge correspondentie uitvoerig uiteen gezet. De enkele omstandigheid dat dit gegeven ook op een andere manier in de akte had kunnen worden verwoord, kan niet leiden tot de conclusie dat de notaris klachtwaardig heeft gehandeld. Daarbij is in de overweging genomen dat een dergelijke manier van verwoording niet ongebruikelijk is. [r.o. 5.3.]

Bovendien heeft de eerste notaris om klager tegemoet te komen nog aangeboden om de verklaring van erfrecht aan te passen, door onder de door klager gewraakte passage één zin toe te voegen. Dit aanbod is al gedaan ruimschoots voordat de klacht werd ingediend maar klager is daar nooit op ingegaan.[r.o. 5.4.]

Conclusie:
Deze zaak gaat in de kern om juridisch taalgebruik wat verkeerd begrepen is. Het is niet onbegrijpelijk dat klager, gezien de formulering van de zinssnede, denkt dat de notaris voorbij gaat aan het stuk dat door erflater is opgesteld in 2006. Klager lijkt in de veronderstelling te verkeren dat het stuk een codicil is maar daar kan zowel onder het oude BW als onder thans geldig recht geen sprake van zijn.

Er is derhalve geen sprake van een rechtsgeldige aanwijzing van een executeur in de zin van de wet. Een dergelijke suggestie moet in de verklaring van erfrecht zorgvuldig worden vermeden. Dit gezien de bevoegdheden die een executeur kan hebben, waarbij juridisch, met name bij de afwikkeling van de nalatenschap de erfgenamen niet zelfstandig kunnen handelen met betrekking tot de af te wikkelen nalatenschap. De wet bepaalt dat de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.

Het frappante is dat uit de correspondentie blijkt dat er kennelijk niets aan in de weg staat om feitelijk te handelen zoals er in het stuk van erflater vermeld staat. De correspondentie richting klager is, mijns inziens, ook niet bijzonder moeilijk leesbaar of technisch van aard. Klager heeft dan ook terecht bakzeil gehaald bij zowel de Kamer als bij het hof dat het vonnis van de Kamer bekrachtigt.

Bron:
ECLI:NL:GHAMS:2013:1905, Hof Amsterdam

Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie wil erfgenamen die onverwacht te maken krijgen met een schuld uit een erfenis, waarvoor zij met eigen geld aansprakelijk worden, tegemoet komen. De staatssecretaris presenteert dit besluit als reactie op het rapport ‘Erven zonder zorgen’ van de Radboud Universiteit Nijmegen en Netwerk Notarissen.

Huidige regeling:
Momenteel zijn er twee opties waar het gaat om het aanvaarden van een erfenis, enerzijds is er de zuivere aanvaarding en anderzijds is er de beneficiaire aanvaarding. In het geval van zuivere aanvaarding wordt je samen met de andere erfgenamen verantwoordelijk bent voor de afwikkeling van de erfenis van de overledene. Je treedt dan ‘vermogensrechtelijk in de persoon van de overledene’. Dit wordt ook wel de saisine-regel genoemd. Bij zuivere aanvaarding kun je te maken krijgen met onverwachtse schulden uit een erfenis. Als deze schulden niet uit de erfenis betaald kunnen worden, moet je deze schulden met je eigen geld aflossen.

Een risico bij het aanvaarden van de nalatenschap is dat het heel gemakkelijk is om zuiver te aanvaarden. Zuivere aanvaarding kan uitdrukkelijk plaatsvinden (door het afleggen van een verklaring bij de griffie van de rechtbank) of door zich te gedragen als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam (art. 4:192 lid 1 BW). Met name dit laatste komt in de praktijk veel voor doordat erfgenamen alvast wat spullen van de overledene of wegdoen of verdelen. Zoals wel vaker nemen gedane zaken geen keer; de keuze die een erfgenaam voor zuivere aanvaarding, beneficiaire aanvaarding of verwerping maakt, is onomkeerbaar (art. 4:190 lid 4 BW).

Een erfgenaam heeft naast zuiver aanvaarden ook de keus om beneficiair te aanvaarden (ook wel aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving genoemd). Bij beneficiaire aanvaarding is de uitwinbaarheid van de nalatenschap voor schuldeisers beperkt tot de goederen van de nalatenschap (art. 4:184 BW). Het voorkomt derhalve dat je als erfgenaam moet betalen voor schulden van de overledene.

Beneficiair aanvaarden omvat overigens wel iets meer papierwerk. Zo moet er een verklaring worden afgegeven bij de griffie van de rechtbank waarvoor kosten in rekening worden gebracht (op moment van schrijven € 114,-) en er moet een advertentie worden geplaatst om mogelijke schuldeisers van de overledene op de hoogte te stellen. Dit is echter alleszins te doen en een kleine prijs om potentieel grote problemen buiten de deur te houden. Je zult immers maar aansprakelijk worden voor de hypotheek op een huis die nog helemaal afgelost moet worden.

De erfgenaam verder beschermen:
De staatssecretaris wil nu erfgenamen nog wat beter beschermen tegen schulden uit de nalatenschap. Voorwaarde is wel dat de erfgenamen niets te verwijten valt: zij kenden de schuld niet en konden er ook niet van op de hoogte zijn.

In het rapport werd te dien aanzien de volgende onderzoeksvraag geformuleerd: Kan met een eenvoudige ingreep in het erfrecht de systematiek rondom het aanvaarden van nalatenschappen zodanig gewijzigd worden dat ‘nietsvermoedende en niet-kwaadwillende burgers’ niet zo maar met eigen vermogen in moeten staan voor schulden van de overledene?

Overigens is het nu ook al mogelijk om in een beperkt aantal gevallen via art. 4:194 BW na zuivere aanvaarding alsnog beneficiair te aanvaarden. Hiervoor is machtiging van de kantonrechter nodig.

Mogelijke opties:
De rapporteurs beantwoorden hun onderzoeksvraag bevestigend en zien drie mogelijke opties:

  1. Aanvaarding met beneficiaire gevolgen: álle erfgenamen aanvaarden de nalatenschap voortaan met de beneficiaire gevolgen uit het huidige systeem. Daarmee wordt beneficiaire aanvaarding eigenlijk het standaardmodel.
  2. Uitstel van keuze: De consequentie van het zich gedragen als erfgenaam wordt in beginsel in het systeem gehandhaafd, echter het verrichten van die handelingen heeft gedurende een wettelijke termijn niet het gevolg dat het eigen vermogen van een erfgenaam uitwinbaar wordt. Dit verschuift het probleem naar een later punt in tijd.
  3. ‘Spijtoptantenregeling’ of ‘disculpatiemogelijkheden’: Er wordt een voorziening gecreëerd die het mogelijk maakt dat een erfgenaam binnen drie maanden nadat hij bekend is geworden met een ‘onbekende en onverwachte schuld’ een verzoek kan doen aan de rechter om alsnog beneficiair te aanvaarden. In een dergelijk geval moet wel duidelijk worden gesteld wat een onbekende en onverwachte schuld precies omvat.

Al deze opties brengen met zich mee dat het eigen vermogen van de ‘nietsvermoedende en niet-kwaadwillende erfgenaam’ wordt beschermd tegen uitwinning door de schuldeisers van de
overledene. Daarnaast wordt de afwikkeling van de nalatenschap niet complexer dan zij nu al is en brengen deze regelingen geen hogere afwikkelingskosten voor de nalatenschap met zich mee.

Keuze van de staatssecretaris:
De staatssecretaris opteert voor de laatste keuzemogelijkheid. Het centrale probleem is dat in enkele gevallen een erfgenaam onverwacht, zonder dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt, wordt geconfronteerd met een schuld waardoor de nalatenschap negatief wordt.

De eerste twee opties gaan verder dan voor een oplossing nodig is. De eerste optie is feitelijk zuiver aanvaarden helemaal uit de wet schrappen. Dit staat haaks op de omstandigheid dat in het merendeel van de gevallen waarin sprake is van een positieve nalatenschap erfgenamen middels zuivere aanvaarding het gemakkelijkst een erfenis af kunnen wikkelen.

De tweede optie heeft aanzienlijke nadelige gevolgen voor schuldeisers van de nalatenschap. De erfgenamen kunnen eerst zuiver aanvaarden waardoor zij vrij kunnen beschikken over alle goederen van de nalatenschap zonder de verplichting om eerst alle schulden te betalen. Als zij dan vervolgens kennis nemen van de schulden dan kunnen zij alsnog beneficiair aanvaarden. Van de nalatenschap kan dan echter al een behoorlijk deel verdwenen zijn terwijl ook het privé vermogen van de erven buiten schot blijft. Er blijft dan voor de schuldeisers van de nalatenschap niets meer over.

Er zal de komende tijd nader onderzoek verricht worden naar hoe derde route kan worden omgezet in wetgeving. De rapporteurs stellen daarbij voor om aansluiting te zoeken bij het al eerder genoemde artikel 4:194 BW wat eenzelfde doel dient.

Aanvullende opmerkingen van de staatssecretaris:
Uit de gesprekken met de rapporteurs kwamen nog twee problemen naar voren die ook door de staatssecretaris zijn behandeld in zijn brief. Ten eerste is er het probleem dat kennelijk weinig erfgenamen op de hoogte zijn van de regelgeving rondom erven. Om dat probleem te mitigeren zal op de site van de rijksoverheid de informatie over erven uitgebreid worden en gecontroleerd worden op begrijpelijkheid.

Een ander probleem is het feit dat gezien de huidige economie tal van erfgenamen blijven zitten met een onverkoopbaar huis wat ze geërfd hebben. Een huis levert veel vaste lasten op welke betaald moeten worden. Onverkoopbaarheid van een woning is echter een probleem van de gehele maatschappij en niet slechts van erfgenamen. Er zijn al maatregelen genomen om de gehele woningmarkt weer op gang te krijgen en er zullen geen aanvullende maatregelen worden genomen enkel en allen om erfgenamen te ontzien.

Bron:
Reactie op het rapport ‘Erven zonder financiële zorgen’
Rapport ‘Erven zonder financiële zorgen?!’

Er zijn weer wat nieuwe ontwikkelingen rondom het afschaffen van het nationaliteitsvereiste voor benoeming tot notaris. In een eerder voorgestelde wetswijziging uit juni dit jaar werd voorgesteld om het nationaliteitsvereiste geheel te laten vallen, maar naar uitdrukkelijke wens van de Eerste Kamer wordt dit dus veranderd.

Het nationaliteitsvereiste:
Momenteel kennen we in Nederland het vereiste dat iemand die tot notaris benoemd wil worden de Nederlandse nationaliteit moet hebben. In een eerder wetsvoorstel werd het nationaliteitsvereist geheel geschrapt. Dat betekent dus niet alleen voor notarissen uit andere EU-lidstaten maar voor notarissen uit de hele wereld. De Eerste Kamer vond dit te ver gaan.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zegde toe dat zo spoedig mogelijk een nieuw wetsvoorstel zou worden ingediend. Dat is dus inmiddels gebeurd. De eerdere wet van 18 juni 2012 zal daarmee niet in werking treden en wordt via dit wetsvoorstel ingetrokken. Overigens heeft de staatssecretaris in een aparte brief aangegeven dat personen die niet de nationaliteit van een EU- of EER-land bezitten, niet tot notaris kunnen worden benoemd ongeacht of zij beschikken over een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

Internationale ontwikkelingen:
Qua internationale ontwikkelingen en regelgeving is met name Europese regelgeving van belang. Verreweg het belangrijkste is daarbij artikel 43 EG-Verdrag (thans artikel 49 VWEU). Deze regelt het beginsel van vrijheid van vestiging. Op 1 december 2011 oordeelde het HvJEU in een inbreukzaak al dat Nederland door het stellen van een nationaliteitsvereiste in strijd handelde met artikel 43 EG-verdrag.

Dit verschijnsel gebeurde in heel Europa. De Europese Commissie stelde soortgelijke inbreukprocedures in tegen onder meer Duitsland, België en Frankrijk. Inmiddels hebben de meeste landen de strikte nationaliteitseis laten vervallen en die vervangen voor de eis van Unie-burgerschap dan wel de nationaliteit van één van de leden van de EER.

Met dit wetsvoorstel sluit Nederland internationaal aan door in de afschaffing van de nationaliteitseis voor de benoeming tot notaris niet verder te gaan dan in Unieverband noodzakelijk is.

Conclusie:
Met dit wetsvoorstel sluit Nederland aan bij de wensen van de Eerste Kamer, de ontwikkelingen in andere EU/EER landen en conformeert zij zich aan de rechtspraak van het HvJEU. Het mes snijdt op deze manier aan twee kanten. Enerzijds verdwijnt een onnodige belemmering voor het vrij verkeer van diensten en vrijheid van vestiging door werknemers of zelfstandige beroepsbeoefenaren zich ook hier te kunnen laten vestigen. Anderzijds wordt uitgesloten dat onderdanen met de nationaliteit van een derde land die geen aanspraak kunnen maken op het EU-regime, zich in Nederland kunnen vestigen als notaris.

Het veranderen van de nationaliteitseis heeft naar verwachting weinig invloed op de kwaliteit van het notariaat. Iemands nationaliteit vormt immers geen enkele aanvullende garantie op het wettelijk stelsel van kwaliteit en integriteit.

Overigens moet iemand nog steeds de Nederlandse taal voldoende machtig zijn. Het instellen van een taalvereiste zou gezien kunnen worden als een vorm van indirecte discriminatie in de zin van artikel 18 VWEU. Het is echter gerechtvaardigd omdat het is gebaseerd op objectieve overwegingen die los staan van de nationaliteit van de betrokken personen, en noodzakelijk en proportioneel is om het notarisambt in Nederland te kunnen uitoefenen.

Bron:
Voorstel van wet (Kamerstukken II 2012-2013, 33419, nr.2) via officielebekendmakingen.nl
Memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012-2013, 33419, nr.3) via officielebekendmakingen.nl
HvJEU C‑157/09
Eerste Kamer voor afschaffing nationaliteitsvereiste notaris via knb.nl